Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TACAKN:2021:79 Accountantskamer Zwolle 21/447 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2021:79
Datum uitspraak: 17-12-2021
Datum publicatie: 17-12-2021
Zaaknummer(s): 21/447 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen:
  • Klacht ongegrond
  • Klacht gegrond met waarschuwing
Inhoudsindicatie: Man en vrouw (klaagster) zijn al jaren bezig met de afwikkeling van de samenwoning en hebben beiden advocaten ingeschakeld. De klacht ziet op de accountant van de man, die op verzoek van de man stukken heeft opgemaakt over diens vermogenspositie. De man heeft hem gevraagd de stukken te voorzien van de naam van het accountantskantoor. Betrokkene had zich moeten afvragen waarom hem die vraag werd gesteld, aangezien hij had kunnen vermoeden dat de man deze niet alleen voor eigen gebruik nodig had. Nadat de klacht is ingediend heeft betrokkene in een brief aan de man zijn eerdere stukken nader toegelicht en de man gevraagd deze in de inmiddels lopende procedure in te sturen. Betrokkene heeft daarin echter niet uiteengezet op basis van welke opdracht en welke beroepsregels is gewerkt. Klacht gegrond omdat betrokkene geen mogelijke bedreiging voor zijn objectiviteit heeft onderkend, geen maatregelen heeft getroffen en niets heeft vastgelegd. Verwijt dat betrokkene heeft meegewerkt aan het opheffen van de onderneming ongegrond, nu dit niet aannemelijk is gemaakt. Maatregel: waarschuwing.

ACCOUNTANTSKAMER

 

UITSPRAAK van 17 december 2021 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 11 maart 2021 ontvangen klacht met nummer 21/447 Wtra AK van

X

wonende te [plaats1]

K L A A G S T E R

t e g e n

Y

accountant-administratieconsulent

kantoorhoudende te [plaats2]

B E T R O K K E N E

advocaat: mr. A.C.M. Kitslaar te  ´s Hertogenbosch

1.             De procedure

1.1.        De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift van 11 maart 2021 met bijlagen
  • het verweerschrift van 21 mei 2021 met bijlagen
  • het aanvullende klaagschrift van 20 juli 2021 met bijlagen
  • het aanvullende verweerschrift van 17 augustus 2021 met bijlagen
  • nadere producties door betrokkene op 24 augustus 2021 overgelegd
  • de brief van klaagster van 9 september 2021
  • de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen.

1.2.        De klacht is behandeld op de openbare zitting van 27 september 2021. Klaagster is verschenen, samen met haar vader, [A]. Betrokkene is ook verschenen, bijgestaan door zijn advocaat.  

2.             De feiten

2.1.        Betrokkene is sinds [datum] ingeschreven in het accountantsregister van de NBA.

2.2.        Betrokkene is werkzaam voor [accountantskantoor1] ([accountantskantoor1]) en verrichtte al geruime tijd diverse werkzaamheden voor [BV1] ([BV1]) en [BV2] ([BV2]).

Enig bestuurder en aandeelhouder van deze vennootschappen is [B] ([B]).

Klaagster is gedurende 15 jaar in dienstverband werkzaam geweest voor [BV2]. Dit dienstverband is op 1 april 2019 geëindigd. [BV2] is per 30 juni 2020 opgeheven.

2.3.        Klaagster en [B] hebben een relatie gehad waaruit vier kinderen zijn geboren. In het kader van hun relatie hebben zij een samenlevingsovereenkomst gesloten. De relatie tussen klaagster en [B] is in januari 2018 verbroken.  

Op 14 december 2020 heeft [B] een mail van de advocaat van klaagster van 27 november 2020, waarin enkele voorstellen worden gedaan omtrent de afwikkeling van de verbroken samenleving, aan betrokkene doorgestuurd. Betrokkene en [B] hebben daarop een afspraak gemaakt om deze  mail te bespreken. Ook zouden zij dan de jaarrekeningen en de aangiften bespreken.

Verder heeft [B] betrokkene gevraagd om een vergelijking te maken van zijn vermogenspositie in 2018 en 2019, de schuldpositie van [BV2] aan [BV1] en aan de overige schuldeisers in kaart te brengen, en om een opstelling van zijn privé vermogen te maken.

2.4.        Betrokkene heeft naar aanleiding van het verzoek van [B] op blanco papier twee niet door hem ondertekende documenten opgesteld. Het gaat om het stuk dat als bijlage 6 bij het klaagschrift is gevoegd en dat hierna ook zal worden aangeduid als de Toelichting en om een  cijfermatig overzicht (bijlage 5 bij klaagschrift). Deze documenten heeft betrokkene op 5 januari 2021 aan [B] verstuurd.

Op 15 januari 2021 heeft [B] betrokkene gevraagd hem beide documenten, maar dan gesteld op briefpapier van [accountantskantoor1], nogmaals toe te zenden. Het ene document is op briefpapier van [accountantskantoor1] gezet, het andere is van een stempel van [accountantskantoor1] voorzien. Ook zijn de stukken ondertekend. Deze stukken zijn overgelegd als bijlagen 8 en 10 bij het klaagschrift. Afgezien van het briefpapier en de ondertekening door betrokkene zijn de bijlagen 6 (de Toelichting) en 8 bij het klaagschrift identiek. Datzelfde geldt voor de bijlagen 5 (het cijfermatig overzicht) en 10 bij het klaagschrift.

2.5.        In een e-mail van 20 januari 2021 heeft [B] betrokkene gevraagd om in een door [B] opgesteld kostenoverzicht de ontbrekende bedragen in te vullen en te onderbouwen met uitdraaien uit het grootboek. Op 20 januari 2021 heeft betrokkene aan dit verzoek voldaan en [B] diverse stukken gestuurd, waaronder een overzicht ‘maandelijkse betalingen’ (bijlage 6 bij het verweerschrift).

2.6.        Op 27 januari 2021 heeft klaagster betrokkene gevraagd of de door haar ontvangen stukken van hem ([accountantskantoor1]) afkomstig waren. Het ging daarbij om een brief van betrokkene aan [BV1] van 9 september 2020 en bijlage 8 bij het klaagschrift. Ze heeft daarbij aangegeven dat de cijfers in genoemde stukken niet met elkaar stroken. Op 27 januari 2021 heeft betrokkene bevestigd dat deze stukken van hem afkomstig zijn en heeft hij een korte toelichting gegeven. Daarbij heeft hij onder meer aangegeven dat hem niet duidelijk is wat er niet klopt aan de cijfers. Het enige wat volgens betrokkene niet klopt is de schrijffout in de brief van december 2020 met betrekking tot het 4-wekenloon van [B].

2.7.        Op 8 februari 2021 heeft klaagster een klacht ingediend bij [accountantskantoor1]. Naar aanleiding van die klacht heeft op 15 februari 2021 een gesprek plaatsgevonden waarbij klaagster, haar vader en een medewerker van [accountantskantoor1] (de heer [C]) fysiek aanwezig waren. Betrokkene heeft het gesprek via een videoverbinding bijgewoond. Klaagster heeft een verslag van deze bijeenkomst opgemaakt en dit aan [accountantskantoor1] toegezonden. [accountantskantoor1] heeft hierin nog enkele wijzigingen aangebracht en de zaak daarmee als afgedaan beschouwd.


2.8.        In een brief van 19 augustus 2021 heeft betrokkene zich gedistantieerd van een document dat door [B] in een gerechtelijke procedure tussen hem en klaagster was ingediend. In diezelfde brief heeft hij eerdere voor [B] opgestelde documenten nader toegelicht en aangevuld. Ten slotte heeft hij [B] gevraagd om deze brief in de gerechtelijke procedure in te brengen en hem medegedeeld dat betrokkene dat zelf zou doen indien [B] dit zou nalaten.

3.             De klacht

3.1.        Betrokkene heeft volgens klaagster gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. Klaagster verwijt betrokkene het volgende (naar de Accountantskamer begrijpt en hier samengevat weergeeft):

a. betrokkene heeft stukken opgesteld waarvan hij wist of had moeten weten dat ze in een juridisch geschil zouden worden gebruikt zonder aan te geven dat ze alleen waren bedoeld voor het bereiken van minnelijke overeenstemming;

b. ondanks het feit dat betrokkene erop gewezen is dat diverse stukken onjuist, onvolledig of misleidend zijn, heeft hij daartegen geen maatregelen genomen;

c. betrokkene had geen medewerking mogen verlenen aan het opheffen van [BV2], waaronder het opstellen van de slotbalans.

4.             De beoordeling

4.1.        Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft moet worden getoetst aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

4.2          Klaagster verzoekt de Accountantskamer om betrokkene te gelasten om meerdere (originele) stukken over te leggen. Dit verzoek heeft onder meer betrekking op een e-mail van

5 januari 2021 die door betrokkene als bijlage 4 bij het verweerschrift is overgelegd en waarvan klaagster heeft gesteld dat het bewerkt zou kunnen zijn. Volgens betrokkene is er geen sprake van een andere of bewerkte e-mail, maar hem gaat het slechts om een verschil in de lay-out dat wordt veroorzaakt door het feit dat de als bijlage 4 bij het verweerschrift overgelegde e-mail afkomstig is uit een hele slinger e-mails. Als bijlage 13 bij aanvullend verweerschrift heeft betrokkene de e-mail van 5 januari 2021 nogmaals overgelegd, maar dan geprint vanuit de verzonden e-mail zelf en niet vanuit de e-mailslinger. Naar het oordeel van de Accountantskamer heeft betrokkene hiermee een aannemelijke verklaring gegeven voor de verschillen in de lay-out van de e-mails van 5 januari 2021.

Met betrekking tot de overige documenten die door klaagster zijn opgevraagd overweegt de Accountantskamer dat het verzoek niet dan wel onvoldoende is onderbouwd, zodat dat verzoek wordt afgewezen.

Klachtonderdeel a: betrokkene heeft stukken opgesteld waarvan hij wist of had moeten weten dat ze in een juridisch geschil zouden worden gebruikt zonder aan te geven dat ze alleen waren bedoeld voor het bereiken van minnelijke overeenstemming.

4.3.        Met betrekking tot dit klachtonderdeel overweegt de Accountantskamer het volgende.

In december 2020 heeft [B] betrokkene benaderd met het verzoek om de onder 2.4. bedoelde stukken op te stellen. [B] heeft het verzoek aan betrokkene gedaan naar aanleiding van de hiervoor onder 2.3. genoemde mail van 27 november 2020 van de advocaat van klaagster die [B] aan betrokkene heeft doorgestuurd.

Uit die mail blijkt dat de relatie tussen klaagster en [B] in ieder geval al vanaf 2018 was verbroken. Op het moment dat [B] betrokkene vroeg om voor hem de onder 2.4. bedoelde stukken op te stellen, was betrokkene dus bekend met het feit dat klaagster en [B] al bijna drie jaar uit elkaar waren, dat zij beiden een advocaat hadden ingeschakeld en dat klaagster en [B] na al die tijd nog steeds geen overeenstemming hadden bereikt over de financiële afwikkeling van de verbroken samenleving.
Betrokkene heeft ter verklaring van zijn handelen gesteld dat hij het idee had dat de stukken die hij opstelde voor [B] alleen voor eigen gebruik waren en slechts bedoeld waren ter voorbereiding van een overleg dat tussen [B] en zijn advocaat zou plaatsvinden en dat zou moeten leiden tot een minnelijke regeling tussen [B] en klaagster.

Betrokkene heeft de gevraagde gegevens vastgelegd op blanco papier, zonder ondertekening, en deze stukken op 5 januari 2021 aan [B] gestuurd.

Toen [B] hem vervolgens belde met de vraag om de betreffende stukken op briefpapier van [accountantskantoor1] te stellen en toe te sturen, had betrokkene zich, alvorens op dat verzoek in te gaan, gelet het bepaalde in artikel 15 VGBA en gezien de hem bekende hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, af moeten vragen welk doel en belang [B] bij zijn verzoek zou kunnen hebben. Dat verzoek deed immers vermoeden dat [B] de stukken niet (alleen) voor eigen gebruik nodig had, zoals betrokkene aanvankelijk dacht. Bovendien had betrokkene uit het feit dat klaagster en [B] beiden een advocaat in de arm hadden genomen en de afwikkeling van de samenwoning tussen hen na ongeveer drie jaar nog steeds niet was geregeld, redelijkerwijs kunnen en ook moeten afleiden dat er tussen partijen (mogelijk) een (juridisch) geschil was ontstaan. In verband daarmee had betrokkene zich moeten realiseren dat ook derden van de stukken die hij opstelde kennis zouden kunnen nemen zonder dat uit die stukken zou blijken met welk doel zij waren opgesteld. Dat deze mogelijkheid niet denkbeeldig is wordt bevestigd door het feit dat de door betrokkene ondertekende en op naam van [accountantskantoor1] gestelde stukken door [B] ook daadwerkelijk in gerechtelijke procedures tussen klaagster en [B] zijn ingebracht.

Ter zitting heeft betrokkene erkend dat hij, gelet op de hele situatie, achteraf bezien, aan [B] had moeten vragen waarom hij de stukken op briefpapier van [accountantskantoor1] gesteld wilde hebben.

Gelet op het vorenstaande is klachtonderdeel a. gegrond.

Klachtonderdeel b:  ondanks het feit dat betrokkene erop gewezen is dat diverse stukken onjuist, onvolledig of misleidend zijn, heeft hij daartegen geen maatregelen genomen.

4.4.        De door klaagster gestelde fouten zien onder meer op de financiële positie van [BV2], het maandloon van [B], het DGA-loon van [B] in relatie tot de huurinkomsten, de aanschaf van een youngtimer en de stamrechtverplichting.

4.5.        De Accountantskamer stelt het volgende vast. Bij e-mail van 27 januari 2021 heeft klaagster betrokkene laten weten vragen te hebben over door betrokkene met betrekking tot de financiële positie van [B] opgestelde cijfers. Betrokkene heeft in zijn aan klaagster gezonden e-mail van 27 januari 2021 erkend dat hij een schrijffout heeft gemaakt in zijn brief van december 2020, omdat hij in die brief is uitgegaan van een maandloon van [B], terwijl [B] een loon per 4 weken had.

In verband met deze fout heeft betrokkene de overige berekeningen aangepast. Het was de bedoeling dat de collega van betrokkene deze aangepaste berekeningen tijdens het hiervoor onder 2.7. genoemde gesprek van 15 februari 2021 aan klaagster zou overhandigen, maar dat is niet gebeurd. Toen betrokkene daar later achter kwam heeft hij de betreffende stukken niet alsnog nagestuurd.

Wel heeft hij op 19 augustus 2021, vijf maanden nadat de klacht bij de Accountantskamer was ingediend, een brief aan [B] gestuurd. In deze brief schrijft hij dat hem bekend is geworden dat er een procedure loopt tussen [B] en klaagster, en dat hij zich hierdoor genoodzaakt ziet een nadere (cijfermatige) toelichting te geven op enkele door hem opgestelde documenten. Betrokkene benadrukt dat deze documenten alleen voor intern gebruik bedoeld waren. Tot slot verzoekt hij [B] de betreffende brief in te brengen in de lopende gerechtelijke procedure.

Hoewel betrokkene zo heeft geprobeerd de door hem opgestelde stukken nader te duiden en toe te lichten, is de Accountantskamer van oordeel dat de maatregelen die betrokkene heeft getroffen onvoldoende zijn. Zo is, terwijl betrokkene al op de hoogte was van het geschil tussen klaagster en [B], in geen van de documenten, ook niet in de brief van 19 augustus 2021, uiteengezet op basis van welke opdracht en welke beroepsregels hij heeft gewerkt. Als gevolg daarvan is het voor een derde niet mogelijk om vast te stellen welke uitgangspunten zijn gehanteerd en welke werkzaamheden door betrokkene zijn verricht. Duidelijkheid daarover was juist van belang omdat de stukken in een gerechtelijke procedure zijn ingebracht en uit de beschikking van de rechtbank van 4 maart 2021 blijkt dat groot gewicht is toegekend aan de stukken die door betrokkene zijn opgesteld. Verder is de Accountantskamer van oordeel dat betrokkene, gelet op het bepaalde in artikel 15 VGBA, niet eerst in zijn brief van 19 augustus 2021, maar al direct toen hij de documenten opstelde duidelijk had moeten maken dat die documenten alleen voor intern gebruik bedoeld waren.

Verder overweegt de Accountantskamer dat betrokkene zich had moeten realiseren dat hij zich in een situatie bevond waarin (mogelijkerwijs) sprake was van een (juridisch) geschil en dat er sprake was van een bedreiging voor zijn objectiviteit in verband waarmee hij een maatregel had moeten treffen en zo nodig de professionele dienst had moeten weigeren. Hij heeft die bedreiging evenwel niet onderkend, geen maatregel genomen en die bedreiging, zijn beoordeling daarvan en de toegepaste maatregel dus ook niet vastgelegd in het dossier. Betrokkene heeft daarmee gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 21 VGBA.

Hieruit volgt dat betrokkene het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid niet heeft nageleefd.

Klachtonderdeel b. is dan ook gegrond. 

Klachtonderdeel c:  betrokkene had geen medewerking mogen verlenen aan het opheffen van [BV2], waaronder het opstellen van de slotbalans.

4.6.        Ten aanzien van dit verwijt stelt betrokkene dat hij op geen enkele wijze medewerking heeft verleend aan de opheffing van [BV2] en dat hij van die vennootschap ook  nooit een slotbalans heeft opgesteld.

Nu betrokkene nadrukkelijk heeft ontkend dat hij iets te maken heeft gehad met de opheffing van [BV2] en klaagster haar verwijt niet heeft onderbouwd met feiten en omstandigheden waaruit de verweten gedraging van betrokkene kan blijken, is de Accountantskamer van oordeel dat dit klachtonderdeel niet kan slagen. Het is immers aan klaagster om de klacht te onderbouwen.

Klachtonderdeel c. is ongegrond.

4.7.        De klacht is gegrond voor wat betreft de klachtonderdelen a. en b. Klachtonderdeel c. is ongegrond.

5.             De maatregel

5.1.        Omdat de klacht (gedeeltelijk) gegrond is, kan een tuchtrechtelijke maatregel worden opgelegd. De maatregel van waarschuwing is passend en geboden. Daarbij is in aanmerking genomen dat niet aannemelijk is geworden dat betrokkene alleen de belangen van [B] voor ogen had bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden. Wel is betrokkene zich onvoldoende bewust geweest van de mogelijkheid dat zijn stukken door [B] in een gerechtelijke procedure zouden kunnen worden overgelegd en van de waarde die derden, waaronder mogelijkerwijs een rechter, toekennen aan stukken afkomstig van een accountant. Ook wordt meegewogen dat betrokkene met zijn ondoordachte handelen het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid niet heeft nageleefd.

6.             De beslissing

De Accountantskamer:

  • verklaart de klachtonderdelen a. en b. gegrond;
  • verklaart klachtonderdeel c. ongegrond;
  • legt aan betrokkene op de maatregel van waarschuwing;
  • verstaat dat de AFM en de voorzitter van de NBA na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven;
  • verstaat dat, op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra, betrokkene het door klaagster betaalde griffierecht ten bedrage van € 70,-- (zeventig euro) aan klaagster vergoedt.

Aldus beslist door mr. A.A.J. Lemain, voorzitter, mr. A.M. van Amsterdam en mr. I.F. Clement (rechterlijke leden) en P. Mansvelder RA en D.J. ter Harmsel AA RB (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. P.A.M. Spreuwenberg, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op

17 december 2021.

_________                                                                                                                       __________

secretaris                                                                                                                           voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.