Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TACAKN:2021:75 Accountantskamer Zwolle 20/2253 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2021:75
Datum uitspraak: 03-12-2021
Datum publicatie: 03-12-2021
Zaaknummer(s): 20/2253 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Klaagster, wijlen haar echtgenoot en hun zoon waren vennoten in een vennootschap onder firma. In 2013 zijn klaagster en haar echtgenoot uitgetreden. Het kantoor van betrokkene heeft die uittreding begeleid, onder andere bij de waardering van het vermogen van de vof. Die waardering heeft ertoe geleid dat klaagster en haar echtgenoot een schuld aan hun zoon hadden. Klaagster meent dat bij de begeleiding door het kantoor van betrokkene fouten zijn gemaakt. De Accountantskamer verklaart de klacht ongegrond. Betrokkene had de opdracht de jaarrekening van de vof samen te stellen. Hij was niet betrokken bij de waardering van het vermogen van de vof en er bestond voor hem geen aanleiding nader onderzoek te doen naar de daaruit voortvloeiende schuld van klaagster en haar echtgenoot aan hun zoon. Betrokkene is niet vaktechnisch verantwoordelijk voor het handelen van zijn kantoorgenoot, die bovendien onder het tuchtrecht voor registerbelastingadviseurs (RB) valt. 

ACCOUNTANTSKAMER

 

UITSPRAAK van 3 december 2021 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 16 november 2020 ontvangen klacht met nummer 20/2253 Wtra AK van

x

wonende te [plaats1]

K L A A G S T E R

gemachtigde: [A] te [plaats2]

t e g e n

Y

accountant-administratieconsulent

kantoorhoudende te [plaats3]

B E T R O K K E N E

gemachtigde: mr. [B] te [plaats3].

1.             De procedure

1.1.        De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift met bijlagen van 16 november 2020, aangevuld met een brief van
    24 november 2020
  • het verweerschrift met bijlagen
  • de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen.

1.2.        De klacht is behandeld op de openbare zitting van 1 oktober 2021. Voor klaagster is verschenen drs. [C] RA, bijgestaan door de gemachtigde. Betrokkene is verschenen (via een videoverbinding), bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook een zoon van klaagster, [D], heeft de zitting via deze videoverbinding bijgewoond.

2.             De uitspraak samengevat

Klaagster, wijlen haar echtgenoot en hun beider zoon [voornaam1] waren vennoten van de vennootschap onder firma [vof1] (verder: de vof). In 2013 zijn klaagster en haar echtgenoot uitgetreden. Het kantoor van betrokkene heeft die uittreding begeleid. Klaagster meent dat daarbij fouten zijn gemaakt. De Accountantskamer verklaart de klacht ongegrond. Betrokkene had de opdracht de jaarrekening samen te stellen. Hij was niet betrokken bij de waardering van het vermogen van de vof en er bestond voor hem geen aanleiding nader onderzoek te doen naar de daaruit voortvloeiende schuld van klaagster en haar echtgenoot aan hun zoon [voornaam1]. Betrokkene is niet vaktechnisch verantwoordelijk voor het handelen van zijn kantoorgenoot, die bovendien onder het tuchtrecht voor registerbelastingadviseurs (RB) valt. 

3.             De feiten

3.1.        Betrokkene is sinds [datum] ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Hij is werkzaam bij [accountantskantoor1] in [plaats3].

3.2.        Klaagster en haar echtgenoot [E], die op 24 oktober 2020 is overleden, waren vanaf 1 januari 1996 vennoten van de vennootschap onder firma [vof1], een visserijbedrijf. Per 1 januari 2000 is hun zoon [voornaam1] toegetreden tot de vof.

3.3.        In 2013 zijn partijen in gesprek gegaan over de beëindiging van de vof. Zij hebben zich daarbij voornamelijk laten begeleiden door [F], die als registerbelastingadviseur eveneens is verbonden aan [accountantskantoor1].

3.4.        [G] heeft de kotter, die tot de vof behoort, getaxeerd. Het taxatieverslag dateert van 14 oktober 2013. [G] heeft de kotter, inclusief visserijdocumenten, getaxeerd op een ‘reële waarde’ van € 850.000,00.

3.5.        Betrokkene heeft de jaarrekening van de vof over 2012 samengesteld en op 31 oktober 2013 een samenstellingsverklaring afgegeven.

3.6.        Op 22 november 2013 hebben de vennoten de akte verdeling en levering na uittreding vennootschap onder firma ten overstaan van de notaris ondertekend. Daarbij is het gehele ondernemingsvermogen in eigendom overgedragen aan [D]. In de akte staat dat ‘[v]oor de samenstelling van het vermogen en de berekening van het bedrag dat de uittreder schuldig blijft, wordt uitgegaan van de door [accountantskantoor1] opgestelde berekening’. Vader en moeder hebben aan [D] een bedrag schuldig erkend van € 80.327,00. In de akte staat daarover dat ‘[v]oor de bepaling van het uiteindelijke bedrag hebben partijen verklaard aan te sluiten bij het bedrag, zoals dat uit de jaarrekening van het jaar tweeduizend dertien van de onderneming, opgemaakt door [accountantskantoor1] zal blijken’.

4.             De klacht

4.1.        Betrokkene heeft volgens klaagster gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. Tijdens de zitting op 1 oktober 2021 heeft de gemachtigde van klaagster het klachtonderdeel ingetrokkken dat betrokkene niet (tijdig) heeft gereageerd op verzoeken om informatie. Klaagster handhaaft het verwijt dat (het kantoor van) betrokkene bij de waardering van het vermogen van de vennootschap per 31 december 2012 fouten heeft gemaakt. Die fouten betreffen, kort gezegd, de in 2012 aangeschafte motor die wel in de boekwaarde van de kotter was verdisconteerd maar niet in de taxatiewaarde, het vanwege de belastinglatentie toegepaste belastingpercentage en de ontbrekende normalisatie van de onderhoudskosten van de kotter. Het gevolg van die fouten is dat de uittredende vennoten € 80.327 aan hun zoon [D] moesten betalen. Maar als het vermogen van de vof juist was gewaardeerd, dan hadden de uittredende vennoten een bedrag van hem moeten ontvangen.

5.             De beoordeling

Klaagster is ontvankelijk in haar klacht.

5.1.        De Accountantskamer moet eerst beoordelen of klaagster wel op tijd is met haar klacht, omdat de gebeurtenissen zich allemaal in 2013 hebben afgespeeld en de klacht volgens betrokkene te laat is ingediend en daarom niet-ontvankelijk is. De uitkomst van die beoordeling is dat klaagster niet te laat is met haar klacht. Dit berust op het volgende.

5.2.        Het accountantstuchtrecht kende tot 1 januari 2019 twee verjaringstermijnen. Een termijn van zes jaar en een termijn van drie jaar. Deze termijnen kunnen van toepassing zijn als het handelen waarover wordt geklaagd voor 1 januari 2019 heeft plaatsgevonden, zoals hier het geval is. Het gaat immers om gebeurtenissen in 2013. Het handelen waarover wordt geklaagd heeft na 1 januari 2013 plaatsgevonden, zodat de zesjaarstermijn niet in de weg staat aan de ontvankelijkheid. Bij de toepassing van de verjaringstermijn van drie jaar (handelingen die na 1 januari 2013 maar voor 1 januari 2016 zijn verricht) gaat het erom, kort gezegd, of klaagster voor 1 januari 2016 wist of redelijkerwijs kon weten dat betrokkene mogelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Als dat zo is, dan had de klacht voor 1 januari 2019 ingediend moeten worden. Een klacht die na deze datum wordt ingediend is dan te laat. De Accountantskamer zal de klacht toetsen aan deze regel. Pas als die toetsing ertoe leidt dat klaagster niet te laat is, zal een inhoudelijke bespreking van het klachtonderdeel volgen.

5.3.        De Accountantskamer stelt vast dat klaagster in 2013 heeft ingestemd met de akte van verdeling van 22 november 2013 waaraan de waardering van het vermogen van de vof, de uitgangspunten en gegevens waarop die waardering was gebaseerd en de jaarrekening 2012 ten grondslag liggen. Toch is de klachttermijn van drie jaar niet verjaard. Klaagster hield weliswaar onvrede met de uiteindelijk tot stand gekomen waardering van het vermogen van de vof, maar zij had niet het inzicht dat de waardering heeft geleid tot het opnemen van de uittredingsschuld in de jaarrekening en hoefde naar het oordeel van de Accountantskamer dat inzicht redelijkerwijs ook niet te hebben. Tijdens de zitting is gebleken dat pas in de loop van 2018, door de contacten met de gemachtigde van klaagster, bij haar het vermoeden is ontstaan dat betrokkene destijds mogelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, doordat hij de uittredingsschuld heeft opgenomen in de jaarrekening zonder eigen onderzoek te verrichten naar de aard en omvang van die schuld. De driejaarstermijn was voor 1 januari 2019 dus nog niet verstreken. Klaagster is op tijd met haar klacht.

De inhoudelijke beoordeling van de klacht.

5.4.        Tijdens de zitting heeft betrokkene toegelicht dat [F] als registerbelastingadviseur met name de visserijbedrijven bediende. Hij was voor de vof daarom de belangrijkste contactpersoon en het aanspreekpunt. Om die reden heeft [F] de begeleiding van de uittreding van klaagster en haar echtgenoot uit de vof op zich genomen. Het klaagschrift gaat hoofdzakelijk over het handelen van [F].

5.5.        De Accountantskamer heeft ter zitting de betrokkenheid van betrokkene bij de waardering van het vermogen van de vof aan de orde gesteld. Daarbij is gebleken dat betrokkene alleen de opdracht had de jaarrekening van de vof samen te stellen. Betrokkene had geen betrokkenheid of adviserende rol bij de waardering van het vermogen van de vof, noch bij de begeleiding van de uittreding door klaagster en haar echtgenoot uit de vof. De werkzaamheden die [F] heeft verricht houden ook geen verband met de samenstellingsopdracht van betrokkene. Betrokkene is daarom niet vaktechnisch verantwoordelijk voor de begeleiding en advisering door [F], die bovendien onder het tuchtrecht voor registerbelastingadviseurs valt.

5.6.        Ten overvloede overweegt de Accountanskamer het volgende. Op de samenstellingsopdracht van betrokkene is Standaard 4410 van de NV COS van toepassing, zoals die in 2013 luidde. Volgens paragraaf 13 van deze Standaard hoefde de accountant, behoudens elders in deze Standaard vermeld, niet:

a. bij de leiding van de entiteit inlichtingen in te winnen om de betrouwbaarheid en volledigheid van de verstrekte informatie vast te stellen;

b. de maatregelen van interne beheersing te beoordelen of te toetsen;

c. verkregen informatie te verifiëren; en

d. ontvangen toelichtingen te verifiëren.

Een uitzondering op dit uitgangspunt was onder meer gefomuleerd in paragraaf 14: Indien de accountant constateert dat de door de leiding van de entiteit verstrekte gegevens onjuist, onvolledig of anderszins onbevredigend zijn, dient de accountant te overwegen om de in paragraaf 13 genoemde werkzaamheden alsnog uit te voeren en de leiding van de entiteit aanvullende informatie te vragen.

5.7.        In dit geval, zo heeft betrokkene naar voren gebracht, heeft de uittreding door de vennoten zijn ‘extra aandacht’ gehad. Hij heeft in dat verband navraag bij [F] gedaan over de uittreding en de in de jaarrekening te verwerken schuld aan zoon [voornaam1] van € 80.327. Klaagster heeft niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene destijds informatie had die hem ertoe had behoren te brengen de (berekening van) de schuld aan [voornaam1], die in de jaarrekening was verwerkt, te verifiëren. Betrokkene kan daarom ook niet met succes worden verweten dat hij bij de samenstelling van de jaarrekening in strijd met de van hem, op grond van de destijds van toepassing zijnde Verordening gedragscode, verlangde deskundigheid en zorgvuldigheid heeft gehandeld.

De conclusie.

5.9.        De klacht is ongegrond.

6.             De beslissing

De Accountantskamer:

  • verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. C.H. de Haan, voorzitter, mr. A.A.A.M. Schreuder en mr. E.W. Akkerman (rechterlijke leden) en drs. W.J. Schoonderbeek RA en C.M. Verdiesen AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. C.J.H. Terwal, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 3 december 2021.

_________                                                                                                                       __________

secretaris                                                                                                                           voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.