Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TACAKN:2021:51 Accountantskamer Zwolle 20/2468 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2021:51
Datum uitspraak: 23-07-2021
Datum publicatie: 23-07-2021
Zaaknummer(s): 20/2468 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen:
  • Klacht gegrond met waarschuwing
  • Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht van een groep vennootschappen tegen accountant die samen met collega’s (niet-accountants) werkzaamheden voor de groep heeft verricht. Klacht dat betrokkene geen door klaagster ondertekende opdrachtbevestiging had is ongegrond. De opdracht is schriftelijk bevestigd en naar klaagster gezonden. Daarmee is voldaan aan de regelgeving. Klacht is wel gegrond voor zover betrokkene stukken heeft verstuurd aan de ex-vrouw van de bestuurder die zien op een entiteit waarvan zij geen bestuurder is. Dat betrokkene stukken heeft verstuurd naar de bank in het kader van een financieringsaanvraag is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. De betrokken bestuurder is daarvan ook op de hoogte gebracht. De overige klachtonderdelen zien op fiscale werkzaamheden, een jaarrekening en betalingen van facturen en salarissen. Niet gebleken is dat betrokkene voor de aangiften als verantwoordelijke heeft te gelden. Dat geldt ook voor het klaarzetten van betalingen. Betrokkene is een poosje niet ingeschreven geweest in het register en in die periode hoe dan ook niet tuchtrechtelijk aansprakelijk. Dat de jaarrekening een materiele fout bevat is niet onderbouwd. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond. Maatregel: waarschuwing.  

ACCOUNTANTS KAMER

 

UITSPRAAK van 23 juli 2021 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 10 december 2020 ontvangen klacht met nummer 20/2468   Wtra AK van

X1 B.V.

X2 B.V.

X3 B.V.

X4 B.V.

X5 B.V.

X6 B.V.

X7 B.V.

X8 B.V.

vertegenwoordigd door [A]

K L A A G S T E R S

advocaat: mr. P.J. Fousert te Groningen

t e g e n

Y

accountant-administratieconsulent

kantoorhoudende te [plaats1]

B E T R O K K E N E

gemachtigde: mr. [B] te [plaats2]

1.             De procedure

1.1.         De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

-          het klaagschrift met bijlagen

-          het verweerschrift met bijlagen

-          de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen (met uitzondering van de daaraan door klaagsters gehechte producties, die door de Accountantskamer niet zijn geaccepteerd)

1.2.         De klacht is behandeld op de openbare zitting van 9 april 2021. Namens klaagsters is verschenen [A], bijgestaan door hun advocaat. Betrokkene is ook verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.  

2.             De feiten

2.1.         Betrokkene was van [datum] tot [datum] ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Hij is sinds [datum] opnieuw in dat register ingeschreven. Hij was vanaf

1 september 2016 bij [BV1] in dienst. [BV2] (hierna: [BV1]) bestaat sinds 25 januari 2018 en maakt deel uit van een groep vennootschappen (hierna: [groep1]) waarvan de aandelen worden gehouden door [BV3]. De [groep1] wordt (via hun persoonlijke holdings) bestuurd door [C] en [D] (hierna: [D]). Betrokkene is sinds 25 januari 2018 werkzaam voor [BV2], waarvan hij de enige medewerker is.

2.2.        [X1] B.V. (hierna: [X1]) is bestuurder van een groep vennootschappen die zich vooral bezig houdt met het online aanbieden en veilen van (on)roerende zaken. [A] is bestuurder en enig aandeelhouder van [X1].  

2.3.        Sinds januari 2016 verrichtten vier vennootschappen binnen de [groep1] werkzaamheden voor klaagsters. Het ging om onder meer administratieve en fiscale werkzaamheden. Ook werden samenstel- en advieswerkzaamheden uitgevoerd.  

2.4.        Voor de werkzaamheden die betrokkene verrichtte vanuit [BV2] heeft betrokkene een opdrachtbevestiging opgesteld, gedateerd 20 april 2018, en deze naar [A] gestuurd met het verzoek deze ondertekend te retourneren.

Op 23 oktober 2019 heeft betrokkene [A] het volgende e-mailbericht gestuurd:

“Volgende week worden mijn dossiers getoetst door de beroepsorganisatie.

Van bijgaande opdrachtbevestiging van 20 april 2018 heb ik geen door jou ondertekend exemplaar in mijn dossier terwijl dat wel een vereiste is. Wil je bijgaande alsnog ondertekenen en naar mij retourneren? Je zou me er erg mee helpen. Lukt dat vandaag?”.

[A] heeft de opdrachtbevestiging op 24 oktober 2019 getekend en aan betrokkene gestuurd.

2.5.        Voor de werkzaamheden die de andere vennootschappen voor klaagsters verrichten zijn in de periode 2016-2019 geen opdrachtbevestigingen gemaakt. De opdrachten werden mondeling of per e-mailbericht aan [D] verstrekt.

2.6.        In 2019 heeft betrokkene nog diverse werkzaamheden voor klaagsters verricht. Zo heeft hij voor een aantal vennootschappen uit de groep de jaarrekening 2018 samengesteld. Per 3 december 2019 zijn de werkzaamheden definitief beëindigd. Tussen klaagsters en betrokkene bestaat onenigheid over de vraag of de opdracht al per februari 2019 is beëindigd en of de werkzaamheden die daarna zijn verricht, zijn verricht zonder dat daarvoor opdracht is gegeven. Over de facturen die verband houden met deze werkzaamheden lopen tussen klaagsters en de [groep1] diverse juridische procedures.

2.7.        [A] heeft in 2019 bij de [bank1] een aanvraag voor een financiering gedaan. In verband daarmee heeft een medewerker van de bank contact opgenomen met [D] en gevraagd om de meest actuele cijfers van een aantal van de werkmaatschappijen. Medio maart heeft [D] de gevraagde concept-cijfers aan de bank gemaild. Het verzoek van de bank om de definitieve jaarrekeningen heeft [D] doorgeleid naar betrokkene.

2.8.        [A] is gehuwd geweest met [E] (hierna: [E]). Zij was mede-aandeelhouder en bestuurder van [X4] B.V. (hierna: [X4]) en [X8] B.V. (hierna: [X8]). In verband met de echtscheiding heeft zij betrokkene verzocht om toezending van een aantal stukken. Op 24 juni 2019 heeft betrokkene aan haar toegezonden: concept jaarrekeningen 2018 van een aantal vennootschappen uit de [groep1], loonstroken en rapporten IB van haar en [A]. Op 2 september 2019 heeft [A] [D] laten weten dat [E] geen stukken hoeft te krijgen van bedrijven waarin ze geen belang heeft en dat hij ervan uit gaat dat er geen stukken meer aan haar worden verzonden.

3.             De klacht

3.1.         Ten grondslag aan de klacht liggen, zo heeft de Accountantskamer op grond van het klaagschrift en de daarop door en namens klaagsters gegeven toelichting begrepen, de volgende verwijten:

a.       betrokkene heeft er in de periode dat [BV2] voor klaagsters werkzaam was niet voor gezorgd dat hij de opdrachten schriftelijk heeft bevestigd. Daar waar betrokkene wel heeft gevraagd om ondertekening van de opdracht is dat te laat gebeurd;

b.       betrokkene heeft in strijd met zijn geheimhoudingsplicht gehandeld door stukken te verstrekken aan de [bank1] en aan [E], dan wel door niet te voorkomen dat [D] dat deed;

c.       betrokkene heeft de hem opgedragen fiscale werkzaamheden voor klaagsters niet deugdelijk en niet tijdig uitgevoerd;

d.       bij het samenstellen van de jaarrekening 2017 van [X3] B.V. (hierna: [X3]) heeft betrokkene onvoldoende onderzoek gedaan waardoor deze materiele fouten bevat; 

e.       betrokkene heeft er niet voor gezorgd dat [D] betalingen (ten behoeve van salarissen en facturen) juist en tijdig heeft klaargezet.

4.             De beoordeling

4.1.         Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft moet worden getoetst aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) en de Nadere voorschriften controle- en overige Standaarden (NV COS).

4.2.       Daarbij stelt de Accountantskamer voorop dat het in een tuchtprocedure als deze in beginsel aan klaagsters is om feiten en omstandigheden te stellen en - in geval van (gemotiveerde) betwisting - aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

4.3.        Klaagsters hebben betoogd dat alle werkzaamheden die door de diverse vennootschappen van de [groep1] voor klaagsters zijn uitgevoerd tuchtrechtelijk zijn toe te rekenen aan betrokkene. [BV3] presenteert zich immers als accountantskantoor en betrokkene is de enige aan [BV3] verbonden accountant. Dit betoog treft geen doel. Handelen of nalaten kan op grond van vaste jurisprudentie van de Accountantskamer en het College van Beroep voor het bedrijfsleven slechts tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn aan een accountant die de handeling in persoon heeft verricht of nagelaten, of die voor die specifieke handelwijze als direct verantwoordelijke heeft te gelden. 

Klachtonderdeel a: betrokkene heeft er in de periode dat [BV2] voor klaagsters werkzaam was niet voor gezorgd dat hij de opdrachten schriftelijk heeft bevestigd. Daar waar betrokkene wel heeft gevraagd om ondertekening van de opdracht is dat te laat gebeurd.

4.4.        Betrokkene heeft daartegen ingebracht dat de enige werkzaamheden waarvoor een schriftelijke opdrachtbevestiging nodig was werden verricht door [BV2], dat pas sinds januari 2018 bestond. De overige werkzaamheden die door de andere vennootschappen van de [groep1] werden uitgevoerd vielen hier niet onder. Voor de opdracht die was verleend aan [BV2] is wel een schriftelijke opdrachtbevestiging gemaakt. Die is weliswaar pas (veel) later door [A] ondertekend terug gestuurd, maar dat neemt niet weg dat er een opdracht aan ten grondslag lag.

4.5.        In paragraaf 25 van Standaard 4410 van de NV COS is bepaald dat de accountant voorafgaand aan het uitvoeren van de opdracht de overeengekomen opdrachtvoorwaarden in een opdrachtbevestiging of andere schriftelijke overeenkomst dient vast te leggen. Uit de toelichting bij deze paragraaf blijkt dat de opdrachtbevestiging bepaalde inhoudelijke afspraken dient te bevatten, maar verder vormvrij is. In de toelichting is opgenomen dat de opdrachtbevestiging vóór het uitvoeren van de samenstellingsopdracht wordt verstuurd.

Niet in geschil is dat voor de werkzaamheden die betrokkene verrichtte vanuit [BV2] een opdrachtbevestiging vereist was. Betrokkene heeft die daadwerkelijk opgesteld en deze is ook aan [A] toegestuurd.

De aanvaarding van de opdracht was daarmee door betrokkene bevestigd, vastgelegd en verstuurd naar de opdrachtgever. Klachtonderdeel a. is daarom ongegrond. 

Klachtonderdeel b: betrokkene heeft in strijd met zijn geheimhoudingsplicht gehandeld door stukken te verstrekken aan de [bank1] en aan [E], dan wel door niet te voorkomen dat [D] dat deed.

4.6.        Klaagsters hebben naar voren gebracht dat betrokkene vertrouwelijke stukken aan de [bank1] heeft gezonden en dat hij niet heeft voorkomen dat ook [D] vertrouwelijke stukken aan die bank heeft verstrekt. Volgens klaagsters waren zij hiervan niet op de hoogte en hebben zij hiervoor geen toestemming verleend. Het verstrekken van die stukken maakte volgens klaagsters ook geen deel uit van de opdracht die de [groep1] van klaagsters had gekregen.

 4.7.       Uit de tussen [A], de [bank1], [D] en betrokkene gewisselde e-mailberichten blijkt dat [D] en betrokkene namens klaagsters informatie hebben verstrekt aan de bank in het kader van een door [A] ingediende financieringsaanvraag.  Tegen die achtergrond is het niet opmerkelijk, laat staan tuchtrechtelijk verwijtbaar, dat betrokkene de [bank1] in het kader van die aanvraag stukken heeft verstrekt. Uit de e-mails die door betrokkene zijn verzonden en waarbij hij de financiële informatie had gevoegd, blijkt bovendien dat deze e-mails ook aan [A] zijn gezonden. Betrokkene heeft onbetwist gesteld dat [A] nooit tegen het verstrekken van die informatie heeft geprotesteerd.

Op grond van de vorengenoemde feiten en omstandigheden komt de Accountantskamer tot de conclusie dat betrokkene (stilzwijgende) toestemming van klaagsters had om de door de [bank1] gevraagde informatie te verstrekken.

Ook [D] verrichtte werkzaamheden voor klaagsters in het kader van voornoemde financieringsaanvraag. Klaagsters hebben niet voldoende onderbouwd waarom betrokkene verantwoordelijk zou zijn voor de werkzaamheden die [D] in dat kader heeft verricht. De enkele stelling dat betrokkene de enige accountant binnen de [groep1] was is daarvoor onvoldoende.

4.8.        Klaagsters hebben betrokkene verder verweten dat hij [E] diverse stukken heeft  gestuurd, waaronder (concept) jaarrekeningen 2016, 2017 en 2018 van [X4] en [X8] en de jaarrekeningen 2016 en 2017 van [X1].

4.9.        Betrokkene heeft onweersproken gesteld dat [E] ten tijde van het verstrekken van die stukken bestuurder was van [X8] en [X4]. Uit dien hoofde had zij recht op het verkrijgen van de jaarrekeningen van deze vennootschappen. In zoverre is het klachtonderdeel ongegrond.

Over de jaarrekeningen van [X1] wenste [E] te beschikken vanwege de daarin opgenomen post dividenduitkeringen. Informatie daarover was voor haar van belang in verband met de lopende echtscheidingsprocedure. Van deze vennootschap was [E] echter geen bestuurder. De Accountantskamer is niet gebleken dat de in artikel 16 van de VGBA genoemde uitzonderingen aan de orde waren. Als gevolg daarvan stond het betrokkene niet vrij om [E] uit eigen beweging de jaarrekeningen van [X1] toe te sturen. In zoverre is klachtonderdeel b. gegrond.

Later, in 2020, heeft [D] ook nog informatie over veilingen aan [E] verstrekt. Niet gebleken is dat dit plaatsvond in het kader van werkzaamheden waarvoor betrokkene tuchtrechtelijk verantwoordelijk is te houden, zodat aan betrokkene niet kan worden verweten dat hij de verstrekking van deze informatie aan [E] heeft voorkomen. Klachtonderdeel b. is daarom ook in zoverre ongegrond.

Klachtonderdeel c: b etrokkene heeft de hem opgedragen fiscale werkzaamheden voor klaagsters niet deugdelijk en niet tijdig uitgevoerd.

4.10.       Volgens klaagsters zijn belastingaangiften niet tijdig, niet volledig en niet juist gedaan.

Volgens hen was betrokkene verantwoordelijk voor het juist en tijdig indienen van de aangiften vennootschapsbelasting, omzetbelasting en inkomstenbelasting.

Zij wijzen daartoe op een gespreksverslag van 27 februari 2017 waarin is vastgelegd dat [BV1] de aangiften vennootschapsbelasting van klaagsters en de aangiften inkomstenbelasting van [A] en [E] vanaf het boekjaar 2016 verzorgt. Ter onderbouwing van het verwijt hebben zij diverse stukken overgelegd waaruit blijkt dat aan diverse vennootschappen uit de groep naheffingsaanslagen, boetes wegens niet betalen en belastingrentes zijn opgelegd. Daartegen is niet tijdig bezwaar gemaakt. Dit heeft klaagsters al met al ruim € 30.000 aan belastingrentes en boetes gekost, zo stellen zij.

4.11.      Betrokkene heeft naar voren gebracht dat de fiscale werkzaamheden in 2016 werden uitgevoerd door een ander accountantskantoor, dat de fiscale werkzaamheden in 2017 niet onder zijn verantwoordelijkheid zijn uitgevoerd en dat hij, na ontvangst van de opdracht van klagers, al het mogelijke heeft gedaan om bezwaar tegen de naheffingsaanslagen in te dienen. Op de zitting heeft betrokkene naar voren gebracht dat [BV1] de aangiftes omzetbelasting verzorgde. Bij het samenstellen van de jaarrekeningen stelde hij vast of een suppletie gedaan moest worden en adviseerde hij om die aangifte in te dienen.  

4.12.      Op basis van wat klaagsters hebben gesteld en het verweer dat betrokkene heeft gevoerd is de Accountantskamer van oordeel dat klagers niet aannemelijk hebben gemaakt dat  betrokkene voor het doen van de aangiften omzetbelasting als de direct verantwoordelijke heeft te gelden. Dat geldt eveneens voor de naheffings- en suppletieaanslagen. Uit de opdrachtbevestiging van 20 april 2018 blijkt dat betrokkene zich bezighield met samenstelwerkzaamheden, overige opdrachten en overige (fiscale) adviezen. Het doen van aangiften valt daar niet onder.

Voor zover het verwijt ziet op aangiften die verkeerd of te laat zijn gedaan in de periode van 30 april 2016 tot 20 januari 2017 geldt overigens dat betrokkene daarvoor niet tuchtrechtelijk aansprakelijk is omdat hij in die periode niet ingeschreven stond in het register van de NBA.

Klachtonderdeel c. is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel d: bij het samenstellen van de jaarrekening 2017 van [X3] heeft betrokkene onvoldoende onderzoek gedaan waardoor deze materiële fouten bevat. 

4.13.      Klaagsters wijzen erop dat in de jaarrekening 2017 van [X3] de post overlopende activa zonder enige toelichting is opgenomen. Dit terwijl de hoogte van de post 25% van het balanstotaal uitmaakt en bestond uit projectgebonden activa waarvan vaststond dat ze feitelijk oninbaar waren. Een voorziening hiervoor ontbreekt in die jaarrekening echter volgens klaagsters. In de jaarrekening 2018 moest volgens klaagsters als gevolg van vorenstaande een bedrag ter hoogte van 10% van het eigen vermogen worden opgevoerd als waardeverminderingen. Dit is volgens klaagsters een materiële fout.

4.14.      Betrokkene heeft naar voren gebracht dat de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving van kleine rechtspersonen die van toepassing zijn, niet een uitgebreidere toelichting of specificatie voorschrijven van de post overlopende activa dan is gegeven. Hij heeft de jaarrekening samengesteld op grond van de administratie van de onderneming en de vereiste aandacht gehad voor de business van de projectfinanciering. De posten zijn besproken met [A]. Samen stelden zij vast dat sprake was van lopende projecten waarvan opbrengst werd verwacht binnen één jaar; de financiering werd volledig inbaar geacht, aldus betrokkene. Medio 2019 heeft [A] door omstandigheden besloten af te zien van incasso en dit te beschouwen als projectverliezen.  

4.15.      Klaagsters hebben niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene de jaarrekening 2017 van [X3]  niet vakkundig en zorgvuldig heeft samengesteld en dat deze daardoor een materiële fout bevat. Klachtonderdeel d. is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel e: betrokkene heeft er niet voor gezorgd dat [D] betalingen (ten behoeve van salarissen en facturen) juist en tijdig heeft klaargezet.

4.16.      Klaagsters hebben gesteld dat de [groep1] verantwoordelijk was voor het klaarzetten van betalingen die door [A] geaccordeerd dienden te worden alvorens tot betaling werd overgegaan. Verder hebben zij gesteld dat de betalingen werden klaargezet door [D] en dat zij de fouten die daarbij door [D] zijn gemaakt toerekenen aan betrokkene.

Betrokkene heeft betwist dat hij bemoeienis heeft gehad met het klaarzetten van betalingen en heeft aangevoerd dat de verwijten die klaagsters [D] in verband daarmee maken niet onder de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van betrokkene vallen.

4.17.      Naar het oordeel van de Accountantskamer hebben klaagsters niet, dan wel onvoldoende, onderbouwd op grond waarvan de fouten die [D] gemaakt zou hebben tuchtrechtelijk aan betrokkene toe te rekenen zouden zijn.

Voor zover het klachtonderdeel ziet op de periode van 30 april 2016 tot 20 januari 2017 geldt bovendien dat betrokkene daarvoor niet tuchtrechtelijk aansprakelijk is omdat hij in die periode niet ingeschreven stond in het register van de NBA.

Klachtonderdeel e. is daarom ongegrond.

5.             De maatregel

5.1.         Omdat de klacht (gedeeltelijk) gegrond is, kan een tuchtrechtelijke maatregel worden opgelegd. De maatregel van waarschuwing is passend en geboden. Daarbij is in aanmerking genomen dat betrokkene het fundamentele beginsel van vertrouwelijkheid niet heeft nageleefd door stukken op te sturen aan [E] zonder dat hij daarvoor toestemming had gevraagd.  

6.             De beslissing

De Accountantskamer:

·         verklaart de klachtonderdelen a., c., d. en e. ongegrond;

·         verklaart klachtonderdeel b. deels ongegrond en deels gegrond zoals hiervoor is vermeld;

·         legt aan betrokkene op de maatregel van waarschuwing ;

·         verstaat dat de AFM en de voorzitter van de NBA na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel  in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven;

·         verstaat dat, op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra, betrokkene het door klaagsters betaalde griffierecht ten bedrage van € 70,-- (zeventig euro) aan klaagsters vergoedt.

Aldus beslist door mr. A.A.J. Lemain, voorzitter, mr. C.H. de Haan en mr. drs. M. Stempher (rechterlijke leden) en drs. J. Hetebrij RA en drs. J. Kalisvaart AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. G.A. Genee, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2021.

De secretaris is buiten

staat om te ondertekenen                                                                         ___________  

                                                                                                                              voorzitter                          

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.