Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TACAKN:2021:5 Accountantskamer Zwolle 20/413 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2021:5
Datum uitspraak: 18-01-2021
Datum publicatie: 18-01-2021
Zaaknummer(s): 20/413 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht gegrond zonder maatregel
Inhoudsindicatie: Tweede OM-klacht tegen accountant. Betrokkene heeft een concept-jaarrekening aan zijn klant verstrekt en daarbij diens verzoek om de term ‘draft’ te verwijderen gehonoreerd. Strijd met het fundamentele beginsel van integriteit. Betrokkene heeft erkend dat hij dit niet zo had moeten doen. Klacht gegrond. Aan betrokkene is eerder een waarschuwing opgelegd. Deze hield verband met hetzelfde feitencomplex, maar zag op een andere gedraging. De eerste klachtprocedure heeft voor betrokkene privé en zakelijk ernstige gevolgen gehad. Een tweede maatregel treft betrokkene onevenredig hard. De Accountantskamer ziet in dit geval dan ook af van het opleggen van een maatregel.

ACCOUNTANTS KAMER

 

UITSPRAAK van 18 januari 2021 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 21 februari 2020 ontvangen klacht met nummer 20/413 Wtra AK van

OPENBAAR MINISTERIE

gevestigd te Rotterdam

K L A G E R

gemachtigden: mr. [A], mr. [B] en mr. drs. [C] RA AA, allen te [plaats1]

t e g e n

Y

accountant-administratieconsulent

kantoorhoudende te [plaats2], [Land1]

B E T R O K K E N E

advocaat: mr. drs. J.F. Garvelink te Amsterdam

1.             De procedure

1.1.         De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

-          het klaagschrift met bijlagen

-          het verweerschrift met bijlagen

-          de brief van klager van 21 september 2020 met bijlage

-          de ten behoeve van de zitting overgelegde pleitaantekeningen.

1.2.         De klacht is behandeld op de openbare zitting van 5 oktober 2020. Klager heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn advocaat, die in verband met de maatregelen in het kader van het Covid-19 virus de mondelinge behandeling door middel van een Skypeverbinding heeft bijgewoond.

2.             De feiten

2.1.         Betrokkene is sinds [datum] ingeschreven in het accountantsregister van de Nba. Hij is eerst werkzaam geweest bij [Accountantskantoor1] en is in 2009 zijn eigen kantoor begonnen: [accountantskantoor2] ([accountantskantoor2]), gevestigd te [plaats2], [land1].

2.2.        In de jaren 2010, 2011 en 2012 heeft betrokkene voor [NV1] ([NV1]) de jaarrekeningen samengesteld en van een samenstellingsverklaring voorzien. [NV1] is in 2004 opgericht als een handel in lingerie en maakt onder meer met [NV2] deel uit van de [group1] van de familie [D].

Later is [NV1] zich gaan bezighouden met het aanbieden van dienstverlening aan [inwoners land2] in de zin van het verstrekken van dollars via pintransacties (swipen).

2.3.        Betrokkene heeft op enig moment een aanvang gemaakt met het samenstellen van de jaarrekening 2013 van [NV1]. Op 9 april 2015 heeft [D] betrokkene gevraagd of hij de jaarrekening 2013 van [NV1] had.

Betrokkene heeft per e-mailbericht geantwoord:

“Wij hebben nog een draft met een resultaat van circa 4 miljoen winst. Dit resultaat zal veranderen wanneer de ontbrekende bankstatement ingeboekt gaan worden van de [bank1] en [bank2]. (…). Waar heb je de jaarrekening voor nodig? Gaarne vernemend”

[E]:

“(…) Ik moet het voor een processor, dus geen Bank sturen maar om te kijken of zij mijn CC kunnen accepteren, kun jij mij het versie opsturen? (…)”

Betrokkene:

                “(…) Wil je de draft 2013 met circa 4 miljoen winst hebben?”

[E]:

                “Ja 2013, kan je die mij sturen, maar zet geen draft erop, ik stuur het naar processor”

Betrokkene:

                “[voornaam1], ik zal het morgen ochtend sturen. Is dat ok?”

[E]:

                “No problem”

Betrokkene heeft een medewerkster van zijn kantoor gevraagd van de betreffende concept-jaarrekening de term draft en de naam [accountantskantoor2] weg te halen en die aan hem te sturen, hetgeen zij heeft gedaan.

Betrokkene heeft [E] op 10 april 2015 als volgt geantwoord:

                “[voornaam1] bijgaand de gevraagde jaarrekening 2013. De cijfers zijn in draft en het werkelijke resultaat kan flink gaan afwijken van de definitieve jaarrekening 2013, daar er nog enkele bankrekeningen geboekt dienen te worden. Mvgr [voornaam2]”.

2.4.        In 2014 is een strafrechtelijk onderzoek gestart naar de familie [D] en enkele van hun vennootschappen. Dit heeft geleid tot een veroordeling van twee hoofdverdachten voor (kort gezegd) het medeplegen van valsheid in geschift, oplichting en witwassen.

Het Openbaar Ministerie is daarnaast een strafrechtelijk onderzoek gestart naar de accountants en fiscalisten die daarin een rol zouden hebben gespeeld. Betrokkene is daarbij als verdachte gehoord. Uiteindelijk heeft het Openbaar Ministerie [land1] betrokkene een transactievoorstel gedaan dat hij heeft geaccepteerd.

2.5.        Op 23 oktober 2017 heeft klager bij de Accountantskamer een klacht ingediend over de werkzaamheden van betrokkene voor [NV1]. De klacht zag op het samenstellen van de jaarrekeningen over de jaren 2010, 2011 en 2012 en het niet tijdig melden van ongebruikelijke transacties als bedoeld in de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties van het Koninkrijksdeel [land1]. In de uitspraak van 25 januari 2019 heeft de Accountantskamer geoordeeld dat de klacht gegrond is voor wat betreft de in de jaarrekeningen opgenomen crediteurenbedragen en de lage marges. Door niet de in de paragrafen 13 en 14 van (oud) Standaard 4410 bedoelde werkzaamheden uit te voeren heeft betrokkene niet conform deze Standaard en in strijd met het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid gehandeld. Voor toepassing van paragraaf 16A van (oud) Standaard 4410 was geen aanleiding nu niet is gebleken dat het verstrekken van contanten tegen een creditcardbetaling illegaal was. Tot slot heeft de Accountantskamer geoordeeld dat een samenstellingsopdracht niet is aan te merken als een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Landsverordening, zodat voor betrokkene geen meldplicht gold. De klacht is deels gegrond verklaard en aan betrokkene is de maatregel van waarschuwing opgelegd.

De tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroepen zijn na overleg tussen klager en betrokkene ingetrokken.

3.             De klacht

3.1.         Betrokkene heeft volgens klager gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. Klager verwijt betrokkene dat hij op verzoek van zijn cliënt een conceptjaarrekening van [NV1] heeft opgestuurd naar deze cliënt waarbij de term ‘draft’ en de naam [accountantskantoor2] zijn verwijderd, terwijl hij wist dat dit concept zou worden gebruikt door derden en de cijfers in het concept materieel zouden afwijken van de definitieve cijfers.

4.             De beoordeling

4.1.         Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft moet worden getoetst aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) en de Nadere voorschriften controle- en overige Standaarden (NV COS).

4.2.         Betrokkene heeft zich tegen de klacht verweerd door te stellen dat hij het opschrift ‘draft’ en de naam [accountantskantoor2] heeft laten weghalen van de conceptjaarrekening omdat hij wilde voorkomen dat hij (of zijn kantoor) door derden in verband zouden kunnen worden gebracht met die conceptjaarrekening terwijl die nog niet was afgerond en nog geen samenstellingsverklaring kon worden afgegeven. Betrokkene stelt dat hij daarmee heeft gehandeld in overeenstemming met het bepaalde in paragraaf 6 van Standaard 4410 (zoals dat toen luidde).

Betrokkene stelt dat het – achteraf bezien – beter was geweest als hij de term ‘draft’ wel op het stuk had laten staan.

4.3.        Betrokkene heeft een conceptjaarrekening verstrekt aan zijn cliënt, waarin een aantal bankstatements niet is verwerkt. Voor betrokkene moest duidelijk zijn dat sprake was van een onvoldragen stuk. Dit stuk heeft hij, wetende waarvoor zijn cliënt het wilde gebruiken, bovendien verstrekt zonder daarin de aanduiding “concept” op te nemen. Hierdoor heeft hij in strijd gehandeld met artikel 9, eerste lid van de VGBA, en daarmee met het fundamentele beginsel van integriteit. Daarnaast heeft hij niet onderkend dat er bij het verstrekken van dit stuk sprake was van een bedreiging van een fundamenteel beginsel en daarmee artikel 21 lid 1 van de VGBA geschonden. Betrokkene heeft dit erkend. De klacht is in zoverre dan ook gegrond.

Dat betrokkene ook de naam [accountantskantoor2] van het document heeft laten verwijderen levert, gelet op het bepaalde in paragraaf 6 van Standaard 4410, geen tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging op, zodat de klacht op dit punt ongegrond is.

5.             De maatregel

5.1.         Omdat de klacht gedeeltelijk gegrond is, kan een tuchtrechtelijke maatregel worden opgelegd. Bij de beslissing omtrent het opleggen van een tuchtrechtelijke maatregel houdt de Accountantskamer rekening met de aard en de omstandigheden van het verzuim van betrokkene en de omstandigheden waaronder dit zich heeft voorgedaan. Betrokkene meende destijds juist te handelen door de concept jaarrekening zonder vermelding van de naam “[accountantskantoor2]” en het opschrift “draft”’ te versturen, omdat hiermee werd voorkomen dat [accountantskantoor2] als accountant door derden in verband zou kunnen worden gebracht met de conceptjaarrekening terwijl het samenstellingstraject nog niet was afgerond. Betrokkene heeft echter erkend dat hij destijds anders had moeten handelen en het woord “draft” op de jaarrekening had moeten laten staan. Betrokkene heeft hieromtrent ook een schriftelijke verklaring afgelegd. Verder is betrokkene bij uitspraak van 25 januari 2019 van de Accountantskamer de maatregel van waarschuwing opgelegd. De gedragingen van betrokkene waarvoor de waarschuwing is opgelegd hielden verband met de samenstellingsverklaringen voor de jaarrekeningen over de jaren 2010, 2011 en 2012 van [NV1], die door betrokkene zijn afgegeven in de jaren 2011, 2012 en 2013. Medio 2015 is betrokkene als getuige gehoord in het opsporingsonderzoek naar [NV1]. Toen had de gedraging waar deze klacht op ziet al plaatsgevonden. Deze is echter niet in het eerste klaagschrift opgenomen, omdat klager daar pas later bekend mee is geworden, zo is ter zitting verklaard. Desgevraagd is namens klager verklaard dat  deze tweede klacht is ingediend omdat dit, gelet op de ernst van het feit, opportuun werd geacht.

In de stukken en op de zitting is uitvoerig uiteengezet dat het indienen van de eerste klacht voor betrokkene zowel in privé als zakelijk zeer ernstige gevolgen heeft gehad.

Dat de persoonlijke gevolgen voor betrokkene groot zijn is door klager niet weersproken. Gelet op de gevolgen van de eerste maatregel voor betrokkene zou een tweede maatregel betrokkene onevenredig zwaar treffen. Daarbij neemt de Accountantskamer ook in overweging dat zowel de eerste als de tweede klacht zich afspelen tegen dezelfde achtergrond, namelijk het swipen op [land1]. Alles in aanmerking nemende is de Accountantskamer van oordeel dat in dit geval kan worden volstaan met gegrondverklaring zonder oplegging van een maatregel.

6.             De beslissing

De Accountantskamer:

·         verklaart de klacht gegrond;

·         legt ter zake aan betrokkene geen maatregel op.

Aldus beslist door mr. A.A.J. Lemain, voorzitter, mr. I.F. Clement en mr. W.J.B. Cornelissen (rechterlijke leden) en drs. R.G. Bosman RA en drs. J. Kalisvaart AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. P.A.M. Spreuwenberg, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2021.

_________                                                                                                                     __________

secretaris                                                                                                                          voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.