Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TACAKN:2021:25 Accountantskamer Zwolle 20/346 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2021:25
Datum uitspraak: 02-04-2021
Datum publicatie: 02-04-2021
Zaaknummer(s): 20/346 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht over controle jaarrekening gemeentelijk sportbedrijf. Klacht ongegrond. Niet in geschil is dat de gemeente de verplichting op zich genomen heeft om gedurende langere tijd jaarlijks een bedrag voor groot onderhoud ter beschikking te stellen. De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene, gezien deze door de gemeente toegezegde subsidieverlening gedurende langere tijd, akkoord mocht gaan met het voor de voorziening groot onderhoud in de jaarrekening 2018 opgenomen bedrag. Klager heeft onvoldoende onderbouwd waarom dit bedrag, mede gezien de toezegging van de gemeente, onjuist zou zijn. Niet gebleken is dat de jaarrekening op dit onderdeel geen getrouw beeld gaf. Betrokkene heeft ter zitting toegelicht dat bij de controle van de jaarrekening 2018 gebleken is dat de gevolgen van de herstructurering langer zijn doorgelopen dan aanvankelijk verwacht. Als gevolg hiervan zijn in 2018 eenmalige kosten gemaakt, zoals afkoopsommen voor ontslagen medewerkers en kosten voor de inhuur van deskundigen. Deze toelichting komt de Accountantskamer niet onaannemelijk voor. Klager heeft met wat hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de stellingen van betrokkene met betrekking tot deze incidentele kosten onjuist zijn.    

ACCOUNTANTS KAMER

 

UITSPRAAK van 2 april 2021 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 12 februari 2020 ontvangen klacht met nummer 20/346 Wtra AK van

X

wonende te [plaats1]

K L A G E R

t e g e n

DRS. Y

registeraccountant

kantoorhoudende te [plaats2]

B E T R O K K E N E

advocaat: mr. E.M. Soerjatin te Amsterdam

1.             De procedure

1.1.         De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

-          het klaagschrift met bijlagen

-          de brief van klager van 19 februari 2020

-          het verweerschrift met bijlagen

-          de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen.

1.2.         De klacht is behandeld op de openbare zitting van 4 december 2020. Klager is verschenen. Betrokkene is ook verschenen, bijgestaan door haar advocaat.

2.             De feiten

2.1.         Betrokkene is sinds [datum] ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Betrokkene heeft de jaarrekening 2018 gecontroleerd van [stichting1] (hierna: het Sportbedrijf). Zij heeft een goedkeurende controleverklaring afgegeven bij de jaarrekening 2018 van het Sportbedrijf.

2.2.        Klager is tot 2017 werkzaam geweest als financieel manager van het Sportbedrijf. Klager heeft eerder klachten ingediend tegen accountants die betrokken zijn geweest bij de controle van jaarrekeningen van het Sportbedrijf.

3.             De klacht

3.1.         Betrokkene heeft volgens klager gehandeld in strijd met de voor haar geldende gedrags- en beroepsregels. Klager verwijt betrokkene het volgende:

a.            Door toedoen van betrokkene geeft de door haar gecontroleerde jaarrekening 2018 van het Sportbedrijf geen getrouw beeld van de werkelijke toestand van het Sportbedrijf, omdat de in de jaarrekening opgenomen voorziening groot onderhoud te laag is;

b.            Betrokkene heeft investeringen en ontvangen bijdragen ten onrechte niet met elkaar verrekend en zij heeft ten onrechte geen egalisatierekening investeringsbijdragen opgevoerd.

c.            Betrokkene is tekortgeschoten op het punt van de beoordeling van de inhoud van het door de directie van het Sportbedrijf opgestelde bestuursverslag over 2018. Dat verslag schetst namelijk een ander resultaat (positief € 307.000), dan uit de jaarrekening blijkt (negatief € 470.000). Het bestuursverslag is daardoor in strijd met de jaarrekening.

4.             De beoordeling

Ontvankelijkheid:

4.1. 1.     Betrokkene stelt zich primair op het standpunt dat de klacht niet-ontvankelijk is omdat het klaagschrift onvolledig is, klager niet voldaan heeft aan zijn stelplicht, de klacht niet althans onvoldoende is onderbouwd en het tuchtrecht zich niet leent voor deze zaak.

4.1.2.     Betrokkene heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat het klaagschrift onvolledig is, gewezen op een brief van een secretaris van de Accountantskamer van 12 februari 2020, waarmee de ontvangst van het door klager ingediende klaagschrift is bevestigd. Deze brief vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

“Het klaagschrift lijkt niet helemaal volledig. Ik verzoek u het klaagschrift in 9-voud aan te vullen met alle op de zaak betrekking hebbende stukken.

(………)

Om uw klacht in behandeling te kunnen nemen is het noodzakelijk dat de Accountantskamer het ontbrekende zo spoedig mogelijk ontvangt, in ieder geval binnen vier weken na de dagtekening van deze brief.”

Klager heeft hierop bij brief van 19 februari 2020 gereageerd. Voor zover hier van belang is hierin het volgende vermeld:

“In reactie op uw brief heb ik nog eens goed naar het klaagschrift en de (volledigheid) van de bijlagen gekeken.

Inderdaad is bij klachtonderdeel 1 niet de jaarrekening 2017 (of delen van) meegestuurd. Alle relevante onderdelen voor deze procedure komen echter ook als vergelijkende cijfers en in de vorm van de één-op-één uit de jaarrekening 2017 overgenomen “gehanteerde waarderingsgrondslagen en uitgangspunten” tot uitdrukking in de jaarrekening 2018.

In de jaarrekening 2018 is de uitkomst van de controlewerkzaamheden van zowel Accountant B als Accountant D [= betrokkene; toevoeging Accountantskamer] in één document vastgelegd en zichtbaar gemaakt.

(…………)

Eveneens zijn de controleverklaringen van Accountant B en Accountant D niet toegevoegd. Het betreft in beide gevallen overigens schone verklaringen die dus geen nadere inzichten verschaffen over de (controle-)werkzaamheden van beide accountants.

(………)

Ik heb eveneens vastgesteld dat ook van het herstructureringsplan alleen de relevante pagina’s zijn meegestuurd, waardoor paragraaf 2 Personeel bijvoorbeeld geen onderdeel uitmaakt van de bijlagen. Doordat de nummering ontbreekt, is dit lastig vast te stellen.

Dit alles staat de goede behandeling van mijn klaagschrift naar mijn mening overigens niet in de weg en u treft bij deze brief dan ook geen “ontbrekende stukken” aan.

Ik heb getracht het aantal procedurestukken tot een minimum te beperken en ben daarin denk ik goed geslaagd. Ik hoop dat beide accountants en hun juridische adviseurs dat ook zullen doen.”

4.1.3.     De Accountantskamer stelt voorop dat de brief van de secretaris van 12 februari 2020 geen oordeel bevat met betrekking tot de ontvankelijkheid van de klacht in de vorm waarin deze was ingediend. Klager is er slechts op gewezen dat de klacht niet helemaal volledig leek en hij is in de gelegenheid gesteld om ontbrekende stukken aan de Accountantskamer te doen toekomen. Nu klager ervoor gekozen heeft om van de hem geboden gelegenheid geen gebruik te maken, dient de Accountantskamer te beoordelen of de stukken die wel zijn ingediend voldoende zijn om een beoordeling van de klacht mogelijk te maken. Hierbij geldt als uitgangspunt dat een klacht alleen dan om deze reden niet-ontvankelijk is indien uit de wel overgelegde stukken niet duidelijk wordt waarover wordt geklaagd. In dit geval heeft klager weliswaar slechts een beperkt aantal stukken overgelegd bij zijn klaagschrift, maar niet kan worden geoordeeld dat niet duidelijk is waarover wordt geklaagd en waartegen betrokkene zich moet verweren. Dat klager ervoor gekozen heeft om te volstaan met een summiere onderbouwing van zijn klacht komt in het kader van de inhoudelijke beoordeling van de klacht voor zijn risico, maar dit leidt niet reeds op voorhand tot het oordeel dat de klacht om deze reden niet-ontvankelijk is.

4.1.4.     Voor zover betrokkene stelt dat klager niet voldaan heeft aan zijn stelplicht en dat de klacht onvoldoende is onderbouwd, geldt dat het in beginsel aan een klager is om feiten en omstandigheden te stellen en - in geval van (gemotiveerde) betwisting - aannemelijk te maken die tot het oordeel kunnen leiden dat een accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Voor zover een klager hieraan niet heeft voldaan, leidt dit niet tot het oordeel dat de klacht niet-ontvankelijk is, maar kan dit in het kader van de inhoudelijke beoordeling van de klacht leiden tot ongegrondverklaring.

4.1.5.     Dat klager, naar betrokkene stelt, de klacht heeft ingediend om zijn gelijk te halen in een inhoudelijk geschil met zijn voormalige werkgever en dat het klager niet te doen is om betrokkene, kan, wat hiervan ook zij, niet tot het oordeel leiden dat de klacht niet-ontvankelijk is. Uit het bepaalde in artikel 22, eerste lid, van de Wtra volgt dat een ieder bij een vermoeden van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als omschreven in deze bepaling een klacht kan indienen bij de Accountantskamer. Hiervoor is uitdrukkelijk niet vereist dat een klager enig belang heeft bij de beoordeling van zijn klacht.

4.1.6.     De klacht is gelet op wat hiervoor is overwogen ontvankelijk.

Inhoudelijke beoordeling:

4.2.        Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft moet worden getoetst aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) en de Nadere voorschriften controle- en overige Standaarden (NV COS).

Klachtonderdeel a:

Door toedoen van betrokkene geeft de door haar gecontroleerde jaarrekening 2018 van het Sportbedrijf geen getrouw beeld van de werkelijke toestand van het Sportbedrijf, omdat de in de jaarrekening opgenomen voorziening groot onderhoud te laag is .

4.3.1.     De Accountantskamer stelt vast de voorziening groot onderhoud in wezen een soort egalisatieregeling is ten aanzien van de door het Sportbedrijf over een periode van vijftien jaar te ontvangen gemeentelijke subsidiebedragen in verband met groot onderhoud. De classificatie van deze voorziening is als zodanig niet in geschil. De klacht heeft betrekking op de hoogte van het in verband hiermee opgenomen bedrag.

4.3.2.     Niet in geschil is dat de gemeente [plaats1] de verpichting op zich genomen heeft om gedurende langere tijd jaarlijks een bedrag van € 700.000,-- voor groot onderhoud aan het Sportbedrijf ter beschikking te stellen. De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene, gezien deze door de gemeente [plaats1] toegezegde subsidieverlening gedurende langere tijd , akkoord mocht gaan met het het voor de voorziening groot onderhoud in de jaarrekening 2018 opgenomen bedrag. Klager heeft onvoldoende onderbouwd waarom dit bedrag, mede gezien de toezegging van de gemeente [plaats1], onjuist zou zijn. Niet gebleken is dat de jaarrekening op dit onderdeel geen getrouw beeld gaf. Hierbij is tevens van belang dat het jaarlijks in de praktijk verrichte onderhoud minder omvangrijk is gebleken dan in het oorspronkelijke meerjarenonderhoudsplan was voorzien. Betrokkene heeft ter zitting uitgebreid toegelicht waarom zij hiervan is uitgegaan. Betrokkene heeft in dit verband verwezen naar de

uitgebreide toelichting van cliënte, een deskundigenrapport en een gesprek dat zij gevoerd heeft met de directie en met een onderhoudsman. Gebleken is dat de voorziening voldoende was om pieken in het geplande onderhoud op te vangen. Niet gebleken is dat de jaarrekening op dit onderdeel geen getrouw beeld gaf. Klachtonderdeel a is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel b:

Betrokkene heeft investeringen en ontvangen bijdragen ten onrechte niet met elkaar verrekend en zij heeft ten onrechte geen egalisatierekening investeringsbijdragen opgevoerd.

4.4.1.     Betrokkene heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij in het kader van de controle van de jaarrekening 2018 de beginbalans heeft gecontroleerd. Zij stelde vast dat uit de subsidievaststelling bleek dat de totale kosten van herstructurering € 1.239.690 bedroegen; dit bedrag is exclusief de investeringen. De toegekende en ontvangen subsidie bedroeg € 1.250.000 zodat gesteld kan worden dat, op een niet materieel verschil na, het bedrag van de subsidie is aangewend voor exploitatiekosten. Het opnemen van een egalisatierekeningen voor gedane investeringen of het verrekenen van de subsidie met de investeringen is derhalve niet aan de orde. Zij kon derhalve akkoord gaan met de verwerking zoals die in 2017 had plaatsgevonden. Klager heeft met wat hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat deze toelichting van betrokkene onjuist is. Klachtonderdeel b is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel c:

Betrokkene is tekortgeschoten op het punt van de beoordeling van de inhoud van het door de directie van het Sportbedrijf opgestelde bestuursverslag over 2018. Dat verslag schetst namelijk een ander resultaat (positief € 307.000,--), dan uit de jaarrekening blijkt (negatief € 470.000,--). Het bestuursverslag is daardoor in strijd met de jaarrekening.

4.5.1.     De Accountantskamer stelt voorop dat artikel 2:391, vierde lid, eerste volzin, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat het bestuursverslag niet in strijd mag zijn met de jaarrekening. Het behoort tot de taken van een controlerend accountant om te controleren of hieraan is voldaan.

4.5.2.     In het bestuursverslag van het Sportbedrijf over 2018 is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“In 2018 was een na-ijleffect merkbaar als gevolg van het herstructureringsplan dat uitgevoerd werd in 2017. In het kader van deze transitiefase zijn nog kosten gemaakt gedurende het jaar. Na normalisatie van deze kosten zou het netto resultaat € 307.000 positief bedragen.”

Klager stelt zich op het standpunt dat deze mededeling in het bestuursverslag in strijd is met de jaarrekening 2018 waarin melding is gemaakt van een negatief resultaat van € 407.000.

4.5.3.     Betrokkene heeft ter zitting toegelicht dat bij de controle van de jaarrekening 2018 gebleken is dat de gevolgen van de herstructurering langer zijn doorgelopen dan aanvankelijk verwacht. Als gevolg hiervan zijn in 2018 eenmalige kosten gemaakt, zoals afkoopsommen voor ontslagen medewerkers en kosten voor de inhuur van deskundigen. Deze incidentele kosten bedroegen ruim € 777.000. Deze toelichting komt de Accountantskamer niet onaannemelijk voor. Klager heeft met wat hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de stellingen van betrokkene met betrekking tot deze incidentele kosten onjuist zijn. Klachtonderdeel c is daarom ongegrond.

5.             De beslissing

De Accountantskamer:

·         verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. A.A.J. Lemain, voorzitter, mr. I.F. Clement en mr. J.W. Frieling (rechterlijke leden) en drs. E. van Splunter RA en D.J. ter Harmsel AA RB (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 2 april 2021.

_________                                                                                                                       __________

secretaris                                                                                                                           voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.