Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TACAKN:2021:14 Accountantskamer Zwolle 20/1292 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2021:14
Datum uitspraak: 12-02-2021
Datum publicatie: 12-02-2021
Zaaknummer(s): 20/1292 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Een accountant heeft voor een bedrijf dat in financiële moeilijkheden verkeerde de communicatie met één van de (mogelijke) schuldeisers verzorgd. Het verwijt dat hij deze schuldeiser opzettelijk onjuist en onvolledig zou hebben geïnformeerd faalt, omdat klager ter onderbouwing van zijn standpunt alleen aannames en vermoedens naar voren heeft gebracht. Ook het verwijt dat de accountant zou hebben meegewerkt aan de benadeling van schuldeisers van het bedrijf, omdat hij zou hebben geadviseerd om het bedrijf te ontbinden door middel van een turbo-liquidatie treft geen doel. Op het moment van de turbo-liquidatie had de schuldeiser niets meer te vorderen, waardoor van benadeling geen sprake kan zijn geweest. Tot slot heeft de accountant klager ook niet onheus bejegend. De klacht is ongegrond. 

ACCOUNTANTS KAMER

 

UITSPRAAK van 12 februari 2021 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 9 juli 2020 ontvangen klacht met nummer 20/1292 Wtra AK van

mr. X

gevestigd te [plaats1]

K L A G E R

t e g e n

Y

accountant-administratieconsulent

kantoorhoudende te [plaats2]

B E T R O K K E N E

advocaat: mr. M.G. van den Boogerd te Rotterdam

1.            De procedure

1.1.        De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

-        het klaagschrift met bijlagen

-        het e-mailbericht van klager van 20 juli 2020

-        het aanvullend klaagschrift met bijlagen

-        het verweerschrift met bijlagen

-        de brief van klager van 5 november 2020 met bijlage

-        de brief van betrokkene van 12 november 2020 met bijlagen

-        de brief van klager van 12 november 2020 met bijlage

-        de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen.

1.2.        De klacht is behandeld op de openbare zitting van 23 november 2020. Klager is verschenen. Betrokkene is ook verschenen, bijgestaan door zijn advocaat.  

2.            De feiten

2.1.        Betrokkene is sinds 2009 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA.

2.2.        Klager is werkzaam als juridisch adviseur.

2.3.        [BV1] (verder: het reclamebureau) heeft onder de handelsnaam [handelsnaam1] een reclamebureau gedreven. Het reclamebureau is op 10 juli 2019 ontbonden en op 18 juli 2019 uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandeld.

2.4.        [BV2] was de enige aandeelhouder van het reclamebureau (verder: de aandeelhouder). De heer [A] was bestuurder (verder: de bestuurder) van het reclamebureau.

2.5.        De heer [B] was tot 2017 (mede)eigenaar van het reclamebureau. Vanaf januari 2017 was hij in loondienst bij het reclamebureau (verder: de medewerker).

2.6.        [BV3] is een bedrijf dat audiovisuele werken produceert (verder: het productiebedrijf). Het productiebedrijf heeft voor het reclamebureau een aantal TV commercials ontworpen en geproduceerd.

2.7.        Het productiebedrijf heeft op 27 maart 2019 het reclamebureau erop gewezen dat een bedrag van € 18.500,- (exclusief rente) van een factuur nog openstond, waarop het productiebedrijf klager heeft gevraagd om rechtsmaatregelen tegen het reclamebureau te treffen.

2.8.        Het reclamebureau heeft dezelfde dag aan het productiebedrijf laten weten niet over de middelen te beschikken om op korte termijn een beweging te kunnen maken. Ook heeft het reclamebureau laten weten dat betrokkene op de hoogte zal worden gesteld en dat betrokkene zal worden gevraagd om te reageren.

2.9.        Klager heeft op 28 maart 2019 het reclamebureau namens het productiebedrijf gesommeerd om een bedrag van € 18.500,- (exclusief rente) te voldoen.

2.10.      Betrokkene heeft op 12 april 2019 de volgende e-mail aan klager gestuurd:

“(…) Afgelopen woensdag heb ik intensief overleg gevoerd met de directie van [BV1] (hodn [handelsnaam1]). Wij zijn tot de conclusie gekomen dat een faillissement van deze vennootschap onafwendbaar is.

De activiteiten zijn inmiddels gestaakt en voor 2 medewerkers is een verzoek voor ontslag bij het UWV ingediend. De directie overweegt om een saneringskrediet ter beschikking te stellen om de schuldeisers van de vennootschap enigszins tegemoet te komen.

Het ter beschikking stellen zal plaatsvinden als er groen licht is van het UWV om de 2 personeelsleden te mogen ontslaan. Naar verwachting krijgen wij uiterlijk eind april duidelijkheid. (…)”

2.11.      Op 15 juli 2019 heeft klager aan betrokkene meegedeeld dat het reclamebureau volgens de Kamer van Koophandel niet in staat van faillissement verkeert en dat het reclamebureau zijn activiteiten ook niet heeft gestaakt.

2.12.      Betrokkene heeft op 16 juli 2019 aan klager bericht dat de activiteiten van het reclamebureau wel zijn gestaakt en dat de uitschrijving uit het Handelsregister op korte termijn zal plaatsvinden. Daarbij heeft betrokkene opgemerkt dat de formulieren voor uitschrijving op 9 juli 2019 zijn ondertekend en verzonden.

2.13.      Het productiebedrijf heeft op 26 juli 2019 het reclamebureau, de aandeelhouder, de bestuurder en de medewerker gedagvaard en betaling gevorderd van een bedrag van € 18.500,- te vermeerderen met rente en kosten.

2.14.      Op 2 augustus 2019 heeft betrokkene aan klager bericht dat het bestaan van de vordering wordt bestreden. Volgens betrokkene zijn alle betalingen die het reclamebureau aan het productiebedrijf heeft gedaan vergeleken met alle facturen die het productiebedrijf aan het reclamebureau heeft gestuurd en is daaruit gebleken dat het reclamebureau te veel heeft betaald aan het productiebedrijf.

2.15.      Klager heeft op 19 augustus 2019 het volgende aan betrokkene geschreven:

“(…) Ik heb zojuist geconstateerd dat de vennootschap [BV4] (…) gevestigd is en kantoor houdt aan (…) en de ook de handelsnaam [handelsnaam1] gebruikt. De directeur van [BV4] is de heer [B]. Ik leid uit deze omstandigheden af dat [BV1] de onderneming [handelsnaam1] (inclusief goodwill) kennelijk door middel van een activa/passiva-transactie aan [BV4] heeft overgedragen. Verder neem ik ook aan dat de overdracht op zakelijke basis heeft plaatsgevonden en dat [BV1] een marktconforme verkoopprijs heeft ontvangen, zo niet dan is er sprake van onrechtmatig handelen.

Verder is van belang dat [BV3] uit de door [BV1] gerealiseerde verkoopopbrengst geen betaling van haar openstaande vordering ontvangen. Ik leid daaruit logischerwijze dan ook af dat er kennelijk dus sprake is geweest van selectieve betaling van schuldeisers. (…)”

2.16.      Betrokkene heeft op 20 augustus 2019 aan klager laten weten dat hij niet in wil gaan op zijn vage vermoedens/beschuldingen van selectieve betaling van schuldeisers en dat de zienswijze van klager wordt bestreden.

2.17.      Klager heeft op 22 oktober 2019 twee e-mailberichten aan betrokkene gestuurd. In de eerste e-mail heeft klager betrokkene erop gewezen dat hij nog niet heeft gereageerd op klagers e-mailbericht van 19 augustus 2010. Het tweede e-mailbericht heeft klager gestuurd naar aanleiding van de door de aandeelhouder, bestuurder en medewerker ingediende conclusie van antwoord in de civiele procedure.  

2.18.      Op 8 mei 2020 hebben klager en betrokkene verschillende e-mailberichten naar elkaar gestuurd naar aanleiding van de stelling van klager dat het reclamebureau een doorstart heeft gemaakt en dat de medewerker tijdens een interview zou hebben gezegd dat er inmiddels zo’n 40 mensen werken voor zijn bedrijf.

2.19.      De kantonrechter te Rotterdam heeft de vorderingen van het productiebedrijf bij vonnis van 2 oktober 2020 afgewezen. De kantonrechter heeft – voor zover van belang – het volgende overwogen:

“(…) Vast staat dat door [BV1] (in ieder geval) een bedrag van € 277.061,65 incl. btw is betaald aan [BV3]. Nu de vaste aanneemsom is bepaald op een bedrag van € 275.525,71 incl. btw, heeft [BV3] meer gefactureerd en uitbetaald gekregen dan is overeengekomen. Dit brengt met zich dat [BV3] ten tijde van de turbo-liquidatie van [BV1] geen (restant)vordering meer had op [BV1]. De stelling van [BV3] dat de turbo-liquidatie in gang is gezet om het verhaal van [BV3] op [BV1] te frustreren, faalt derhalve. Van ernstig verwijtbare selectieve betaling voorafgaand aan de turbo-liquidatie kan ook geen sprake zijn. Gedaagden zijn er immers vanuit gegaan dat [BV3] geen vordering meer op had op [BV1] en hoefden bij de uitbetaling van baten aan schuldeisers voorafgaand aan de turbo-liquidatie in zoverre geen rekening (meer) te houden met de belangen van [BV3]. Ook overigens heeft [BV3] onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat één of meer gedaagden onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld door het besluit te nemen [BV1] te ontbinden. Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat een grondslag voor de vorderingen jegens gedaagden ontbreekt, zodat de vorderingen reeds om die reden worden afgewezen. De overige stellingen en weren van partijen behoeven dan ook geen bespreking. (…)”

3.            De klacht

3.1.        Betrokkene heeft volgens klager gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. De klacht bestaat, zoals door klager op de zitting is bevestigd, uit de volgende klachtonderdelen:

a. betrokkene heeft klager opzettelijk onjuist en onvolledig geïnformeerd met betrekking tot de financiële situatie van het reclamebureau;

b. betrokkene heeft door zijn advies om het reclamebureau door middel van een turbo-liquidatie te laten ontbinden meegewerkt aan de benadeling van de schuldeisers van het reclamebureau;

c. betrokkene heeft klager onfatsoenlijk bejegend.

4.            De beoordeling

4.1.        Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft moet worden getoetst aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

4.2.        Voor het indienen van een klacht is een (persoonlijk) belang van een klager niet vereist. Het verweer van betrokkene dat klager geen belang bij de beoordeling van zijn klacht zou hebben, omdat hij de juridisch adviseur van het productiebedrijf is, kan dan ook niet leiden tot de conclusie dat de klacht niet-ontvankelijk is.

4.3.        Voorop wordt gesteld dat het in beginsel aan een klager is om feiten en omstandigheden te stellen die tot het oordeel kunnen leiden dat een accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In geval van (gemotiveerde) betwisting is het aan een klager om deze feiten en omstandigheden aannemelijk te maken.

Klachtonderdeel a: opzettelijk onjuist en onvolledig informeren

4.4.        Klager heeft met betrekking tot dit klachtonderdeel – kort gezegd – aangevoerd dat betrokkene hem op 12 april 2019 heeft bericht dat een faillissement van het reclamebureau onafwendbaar is en dat de activiteiten van het reclamebureau zijn gestaakt. Volgens klager is daarvan geen sprake geweest, omdat het reclamebureau een doorstart zou hebben gemaakt. Betrokkene heeft klager niet over deze doorstart geïnformeerd. Ook heeft betrokkene de vragen van klager over de verkoopprijs van de activa van het reclamebureau slechts kort en ontwijkend beantwoord. Volgens klager heeft betrokkene dat gedaan om te voorkomen dat zou uitkomen dat de activa waren weggesluisd om de verhaalsmogelijkheden van de schuldeisers te frustreren. Klager heeft gesteld dat betrokkene hierdoor heeft gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van integriteit, professionaliteit en vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.

4.5.        De Accountantskamer overweegt dat klager niet aannemelijk heeft gemaakt dat het reclamebureau (feitelijk) een doorstart heeft gemaakt en/of dat activa van het reclamebureau zijn weggesluisd. Klager heeft namelijk ter onderbouwing van deze stellingen alleen aannames en vermoedens naar voren gebracht. Nu niet kan worden aangenomen dat sprake is geweest van een doorstart of van het wegsluizen van activa, kan betrokkene niet worden verweten dat hij klager daarover niet juist heeft geïnformeerd. Dat betrokkene op 12 april 2019 aan klager heeft laten weten dat een faillissement van het reclamebureau onafwendbaar zou zijn, kan evenmin tot de conclusie leiden dat betrokkene klager opzettelijk onjuist heeft geïnformeerd. Betrokkene heeft in dit verband op de zitting verklaard dat hij deze mededeling heeft gedaan op basis van de informatie die toen voorhanden was. Daarbij heeft betrokkene naar voren gebracht dat op een later moment nader onderzoek is gedaan naar de financiële situatie van het reclamebureau. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat de schulden van het reclamebureau wel meevielen, waardoor een faillissement toch niet nodig was. Gelet op het voorgaande is niet aannemelijk geworden dat betrokkene klager opzettelijk onjuist of onvolledig heeft geïnformeerd.

4.6.        Klachtonderdeel a is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel b: meewerken aan benadeling schuldeisers

4.7.        Klager heeft ten aanzien van dit klachtonderdeel – kort gezegd – naar voren gebracht dat het er alle schijn van heeft dat betrokkene een sterfhuisconstructie en turbo-liquidatie aan het bestuur en/of de aandeelhouders van het reclamebureau heeft geadviseerd. Deze turbo-liquidatie heeft tot gevolg gehad dat de schuldeisers van het reclamebureau met lege handen zijn achterbleven. Ook is volgens klager sprake geweest van selectieve betaling van schuldeisers, omdat het productiebedrijf niet is betaald en andere schuldeisers wel. Klager heeft verder aangevoerd dat betrokkene uitsluitend oog heeft gehad voor de belangen van zijn cliënten en dat hij ten onrechte geen acht heeft geslagen op de belangen van de schuldeisers.  

4.8.        De Accountantskamer overweegt dat, zelfs als betrokkene zou hebben geadviseerd om

het reclamebureau door middel van een turbo-liquidatie te ontbinden, niet is gebleken dat daardoor schuldeisers van het reclamebureau zijn benadeeld. In dit verband is van belang dat het  reclamebureau van mening was dat het productiebedrijf niets meer te vorderen had en dat daarom de vordering van het productiebedrijf niet voorafgaand aan de turbo-liquidatie is betaald.  Dit standpunt van het reclamebureau is door de kantonrechter in het vonnis van 2 oktober 2020 bevestigd. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het productiebedrijf ten tijde van de turbo-liquidatie geen (restant)vordering meer had op het reclamebedrijf. Nu het productiebedrijf ten tijde van de turbo-liquidatie geen schuldeiser van het reclamebureau was, kan het productiebedrijf niet zijn benadeeld door de turbo-liduidatie en is ook geen sprake geweest van selectieve betaling. Dat andere schuldeisers van het reclamebureau zouden zijn benadeeld door de turbo-liquidatie, is door klager niet gesteld.

4.9.        Gelet hierop faalt ook klachtonderdeel b.

  Klachtonderdeel c: onfatsoenlijke bejegening

4.10.      Klager heeft met betrekking tot dit klachtonderdeel aangevoerd dat betrokkene hem onfatsoenlijk heeft bejegend, omdat hij heel kort of helemaal niet heeft gereageerd op zijn e-mailberichten. Daarnaast heeft klager na 12 april 2019 lange tijd niets van betrokkene gehoord. Pas nadat klager op 15 juli 2019 contact had opgenomen met betrokkene, is hij op de hoogte gesteld van de ontbinding van het reclamebureau. Ook heeft betrokkene klager laten weten dat hij hem niet serieus neemt.

4.11.      De Accountantskamer is van oordeel dat geen sprake is geweest van onfatsoenlijke bejegening. De reden hiervoor is dat betrokkene op vrijwel alle e-mailberichten van klager heeft gereageerd. Dat de antwoorden van betrokkene kort zijn en niet de door klager gewenste inhoud hebben, kan niet als onfatsoenlijk worden beschouwd. Daar komt bij dat betrokkene, anders dan klager kennelijk meent, niet verplicht was om te reageren op de e-mailberichten van klager. Dat betrokkene niet heeft gereageerd op de e-mailberichten van klager van 22 oktober 2019, leidt dan ook niet tot een ander oordeel. Dat betrokkene klager niet uit zichzelf op de hoogte heeft gesteld van de (voorgenomen) ontbinding van het reclamebureau kan ook niet onfastsoenlijk worden aangemerkt. Betrokkene was immers niet betrokken bij de ontbinding, zoals ook volgt uit de door betrokkene overgelegde verklaringen van de bestuurder en de medewerker van het reclamebureau.

4.12.      Tot slot is ook de mededeling van betrokkene dat hij klager niet serieus neemt niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Deze mededeling heeft betrekking op het bericht van klager dat hij een tuchtklacht tegen betrokkene zal gaan indienen. Op de zitting heeft betrokkene in dit verband naar voren gebracht dat hij zich op deze wijze heeft uitgedrukt, omdat hij van mening was dat sprake was van persoonlijke wrok tegen hem en dat hij de tuchtrechter van zijn gelijk zou kunnen overtuigen.

4.13.      Ook klachtonderdeel c is ongegrond.

4.14.      De klacht zal in zijn geheel ongegrond worden verklaard.

5.            De beslissing

De Accountantskamer:

·       verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. A.A.J. Lemain, voorzitter, mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en mr. A.D.R.M. Boumans (rechterlijke leden) en dr. C.M. van Nieuw Amerongen RA en D.J. ter Harmsel AA RB (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. E.N.M. van de Beld , secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2021.

_________                                                                                                           __________

secretaris                                                                                                             voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.