Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TACAKN:2021:1 Accountantskamer Zwolle 19/1108 en 19/1109 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2021:1
Datum uitspraak: 15-01-2021
Datum publicatie: 15-01-2021
Zaaknummer(s): 19/1108 en 19/1109 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen:
  • Klacht gegrond met berisping
  • Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen externe accountant en ‘engagement partner’ over controle bij Imtech van boekjaar 2012 . Klacht tegen externe accountant deels gegrond, deels ongegrond; oplegging maatregel van berisping. Klacht tegen ‘engagement partner’ ongegrond. De externe accountant heeft bij de groepscontrole op onderdelen niet in overeenstemming gehandeld met de voor hem geldende vaktechnische en overige beroepsvoorschriften en daarmee niet aan de voor hem relevante wet- en regelgeving voldaan. Hij heeft dan ook gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en van professioneel gedrag. Hij is tekortgeschoten in het vastleggen van controledocumentatie.

ACCOUNTANTS KAMER

 

UITSPRAAK van 15 januari 2021 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 18 juni 2019 ontvangen klacht met nummer 19/1108 en 19/1109 Wtra AK van

MR. J.G. PRINCEN en

MR. P.J. PETERS

kantoorhoudende te Rotterdam

in hun hoedanigheid van curatoren in de faillissementen van

a. Royal Imtech N.V. (“Royal Imtech”)

b. Imtech Capital B.V. (“Imtech Capital”)

c. Imtech Group B.V. (“Imtech Group”)

d. Imtech Benelux Group B.V. (“Imtech Benelux”)

e. Imtech Nederland B.V. (“Imtech Nederland”)

f. Imtech UK Group B.V. (“Imtech UK”)

g. Imtech BPI B.V. (“Imtech BPI”)

h. Imtech B.V. (“Imtech B.V.”)

i. Imtech Automation Solutions B.V. (“Imtech Automation Solutions”)

j. Imtech Arbodienst B.V. (“Imtech Arbodienst”)

k. Imtech Deutschland B.V. (“Imtech Deutschland”)

l. Imtech SSC B.V. (“Imtech SSC”)

hierna gezamenlijk:  Imtech

K L A G E R S

advocaat: mr. J.P.D. van de Klift te Rotterdam

t e g e n

Y1 en

Y2

registeraccountants

BETROKKENEN IN 19/1108 EN 19/1109

advocaat: mr. S.A.G. Hoogeveen, te Amsterdam

1.             De procedure

1.1.         De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

-          het klaagschrift met bijlagen

-          de brief van betrokkenen van 4 november 2019

-          de brief van klagers van 6 november 2019

-          de brief van betrokkenen van 8 november 2019

-          de brief van klagers van 8 november 2019

-          het verweerschrift met bijlagen

-          de repliek van klagers met bijlagen

-          de dupliek van betrokkenen met bijlagen

-          de brief van klagers van 25 mei 2020

-          de brief van klagers van 16 september 2020 met bijlagen

-          de e-mail van betrokkenen van 18 september 2020

-          de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen.

1.2.         De klacht is behandeld op de openbare zitting van 28 en van 29 september 2020. Klagers zijn verschenen, bijgestaan door mr. J.P.D. van de Klift en vergezeld van prof. dr. mr. [A] RA, dr. [B] en drs. [C], deskundigen. Betrokkenen zijn ook verschenen, bijgestaan door mr. S.A.G. Hoogeveen en vergezeld van prof. dr. [D] en drs. [E], deskundigen. De deskundigen zijn ter zitting niet gehoord.

2.             De feiten

2.1.         Betrokkene [Y1] RA (hierna: [Y1]) is sinds [datum] ingeschreven in het accountantsregister van (thans) de Nba. Betrokkene [Y2] (hierna: [Y2]) is sinds [datum] ingeschreven in dat accountantsregister. 

2.2.        Op 18 juli 2012 heeft Royal Imtech aan [F] de opdracht verstrekt om de (geconsolideerde en enkelvoudige) jaarrekening 2012 van Imtech te controleren. [Y1] was de externe accountant en opdrachtpartner. [Y1] werd bijgestaan door een opdrachtteam op groepsniveau. Binnen het opdrachtteam was [Y2] ‘engagement partner’.

2.3          In 2011 en 2012 hebben Imtech en haar dochtermaatschappijen Imtech Duitsland en Imtech Polen contracten afgesloten met de heer [G] inzake een door Imtech Polen en Imtech Duitsland te realiseren pretpark [H] ([H]). Imtech Polen en Imtech Duitsland maakten deel uit van de divisie Imtech Duitsland & Oost-Europa, die onder leiding stond van het management van Imtech Duitsland. Deze divisie was de grootste divisie van Imtech.

2.4          Eind januari 2013 werden Imtech en [F] geïnformeerd over onregelmatigheden bij Imtech Polen en begin februari 2013 over onregelmatigheden bij Imtech Duitsland. Naar aanleiding hiervan is het opdrachtteam fors uitgebreid en versterkt, onder meer met vijf andere partners naast [Y1] en [Y2].

2.5.        Naar aanleiding van de onderzoeken in vervolg op de vastgestelde onregelmatigheden zijn aanpassingen verwerkt in de (concept-)jaarrekening 2012 van Imtech. In totaal is ten laste van het boekjaar 2012 en de jaren daarvoor € 370.000.000 afgeboekt als gevolg van onregelmatigheden.

2.6.        [Y1] heeft op 18 juni 2013 een goedkeurende controleverklaring met een paragraaf ter benadrukking van aangelegenheden inzake de continuïteit bij de (geconsolideerde en enkelvoudige) jaarrekening 2012 van Imtech verstrekt.

2.7.        Op 13 augustus 2015 is Imtech failliet verklaard. Op of kort na deze datum zijn elf dochtermaatschappijen failliet verklaard. Klagers zijn benoemd tot curator in deze faillissementen.

2.8.        Bij de bespreking van de diverse klachtonderdelen zal de Accountantskamer de overige voor de beoordeling relevante feiten noemen.

3.             De klacht

3.1.         Betrokkenen hebben volgens klagers gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. De klacht is onderverdeeld in vier blokken waarover geklaagd wordt. Deze blokken hebben betrekking op:

1.            de controle van de cash pool tussen Imtech Duitsland en Imtech Polen;

2.            de controle van de onregelmatigheden en afboekingen bij Imtech Duitsland en bij Imtech       Polen;

3.            de controle van de toekomstverwachtingen en de continuïteit van Imtech;

4.            de rol van betrokkenen in het kader van de totstandkoming van de rapportages die zijn           opgesteld door het advocatenkantoor [I] (hierna: [I]) en het gebruik maken van rapportages van [I] in het kader van de controle.

Met betrekking tot blok 1 verwijten klagers betrokkenen, samengevat en voor zover tuchtrechtelijk relevant, het volgende:

a.            Betrokkenen hebben onvoldoende onderzoek gedaan naar (het bestaan, de opbouw en de omvang van) de cash pool tussen Imtech Duitsland en Imtech Polen en zij hebben ten onrechte niet onderkend dat het oplopen van de schuldverhouding tussen Imtech Polen en Imtech Duitsland in belangrijke mate is veroorzaakt door frauduleuze betalingen ten behoeve van het [H]-project en andere aan [G] gelieerde entiteiten. Bovendien hebben zij ten onrechte niet onderkend dat tegenover de oplopende vordering van Imtech Duitsland op Imtech Polen een steeds negatievere stand van Imtech Duitsland in de cash pool bij de [bank1] stond;

b.            Betrokkenen hebben ten onrechte niet deugdelijk vastgelegd wat de consequenties                waren van de schikkingsovereenkomst inzake het [H]-project en zij hebben hun       overwegingen inzake het niet volwaardig achten van de uit de schikkingsovereenkomst voortvloeiende vordering van € 22.000.000 en andere relevante controle-informatie niet              vastgelegd in het controledossier;

c.            Betrokkenen hebben onvoldoende onderzoek verricht naar het projectnummer [nummer]   van Imtech Polen en naar soortgelijke projectnummers voor projectloze facturen bij          andere Imtech-entiteiten.

Met betrekking tot blok 2 verwijten klagers betrokkenen, samengevat en voor zover tuchtrechtelijk relevant, het volgende:

d.            Betrokkenen hebben onvoldoende controle-informatie verkregen met betrekking tot de       afboeking van € 370.000.000 door Imtech en zij hebben onvoldoende rekening gehouden         met het gegeven dat het snel vol lopen van het bedrag van € 375.000.000 (dat in de   financieringsafspraken met de kredietverstrekkers van Imtech als maximum van de te accepteren afboekingen was vastgelegd) ertoe kon leiden dat verstrekte leningen direct opeisbaar zouden worden;

e.            Betrokkenen zijn ten onrechte akkoord gegaan met de op 18 juli 2013 door Imtech      bekendgemaakte afboeking van € 40.000.000, waaronder € 25.000.000 op [J], en zij hebben onvoldoende controlewerkzaamheden verricht ten aanzien van de verwerking van de afboekingen in het boekjaar 2013;

f.             Betrokkenen hebben nagelaten om voldoende controlemaatregelen uit te (laten) voeren      en zij hebben onvoldoende controle-informatie verkregen en in het controledossier               vastgelegd in verband met het verantwoorde projectresultaat, de met het project      samenhangende balansposten en de noodzakelijke afboeking inzake het project [O] (hierna: [O]-project).

Met betrekking tot blok 3 verwijten klagers betrokkenen, samengevat en voor zover tuchtrechtelijk relevant, het volgende:

g.            Betrokkenen hebben onvoldoende controlewerkzaamheden verricht ten aanzien van de        in de jaarrekening 2012 verantwoorde goodwill;

h.            Betrokkenen hebben onvoldoende controlewerkzaamheden verricht ten aanzien van de                 continuïteitsveronderstelling in de geconsolideerde jaarrekening van Imtech;

i.             Betrokkenen hebben onvoldoende controlewerkzaamheden verricht ten aanzien van de        niet uit de balans blijkende verplichtingen van Imtech.

Met betrekking tot blok 4 verwijten klagers betrokkenen, samengevat en voor zover tuchtrechtelijk relevant, het volgende:

j.             Betrokkenen hebben bijgedragen aan de incompleetheid van en de onjuistheden in de [I]-rapportages inzake Imtech Polen, Imtech Duitsland en Imtech Nederland, terwijl zij wisten dat deze rapportages ten grondslag lagen aan het Report to Shareholders, waarin verantwoording werd afgelegd aan derden, en zij hebben bij de door hen uitgevoerde controlewerkzaamheden ten onrechte gebruik gemaakt van deze rapportages.

3.2.        Bij repliek hebben klagers in aanvulling op de in het klaagschrift naar voren gebrachte klachtonderdelen, het volgende klachtonderdeel aangevoerd:

k.            Betrokkenen hebben een goedkeurende accountantsverklaring in het maatschappelijk            verkeer gebracht waaraan een deugdelijke grondslag ontbreekt.

3.3.        Bij repliek hebben klagers de klachtonderdelen c en i, voor zover deze betrekking hebben op de niet uit de balans blijkende verplichtingen inzake de fiscale aspecten en de risico’s inzake [P], ingetrokken.

4.             De beoordeling

Het indienen van nadere stukken

4.1.         Betrokkenen hebben bezwaar gemaakt tegen het op 16 september 2020 door klagers ingediende memo van [advies[adviesbureau1] van 14 september 2020. De Accountantskamer overweegt dat artikel 14, derde lid, van het procesreglement van de Accountantskamer bepaalt dat tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen worden ingediend. De nadere stukken zijn twaalf dagen voor de zitting ingediend, wat gelet op deze bepaling tijdig is. Van een verkapte tweede repliek van klagers is geen sprake; het memo van [advies[adviesbureau1] bevat een inhoudelijk nader standpunt van de door klagers ingeschakelde deskundigen met betrekking tot een onderwerp dat tot hun specifieke deskundigheid behoort. Dit stuk kan dan ook niet worden geweigerd. Daarnaast is betrokkenen extra spreektijd ter zitting gegeven om op dat stuk te reageren. Daarmee is voldoende tegemoet gekomen aan de beginselen die zien op een eerlijk proces.

Ontvankelijkheid

4.2.        Betrokkenen hebben zich primair op het standpunt gesteld dat klagers in hun hoedanigheden van curatoren van Imtech en de 11 gefailleerde dochtermaatschappijen niet-ontvankelijk zijn in hun klachten, omdat Imtech in artikel 4.1.3 van de op 7 oktober 2014 met [F] gesloten Settlement Agreement is overeengekomen dat Imtech afstand doet van het recht tuchtrechtelijke acties tegen betrokkenen (die als derden in de zin van overweging (D) en artikel 4.1.1 van de Settlement Agreement hebben te gelden) te starten en dat klagers als curatoren bij de afwikkeling van de faillissementen aan deze afspraak gebonden zijn, omdat een faillissement volgens een hoofdbeginsel van het faillisementsrecht geen effect heeft op de inhoud en de geldigheid van afgesloten overeenkomsten, ook als die een verplichting tot nalaten behelzen. Betrokkenen hebben er tevens op gewezen dat artikel 4.1.3 van de Settlement Agreement voorziet in een garantie van Imtech dat de dochtermaatschappijen afstand doen van het recht om een tuchtklacht in te dienen. Betrokkenen stellen zich op het standpunt dat klagers in strijd met deze garantie handelen door in hun hoedanigheid van curatoren van de 11 gefailleerde dochtermaatschappijen deze tuchtklachten in te dienen. Klagers hebben de rechtsgeldigheid van de afspraak in de Settlement Agreement betwist en daarnaast ook hun gebondenheid daaraan als curatoren van Imtech.

4.3.        De Accountantskamer overweegt op de eerste plaats dat voor haar als tuchtrechter geen rol is weggelegd bij de beoordeling van (de nietigheid van) uit de Settlement Agreement voor Imtech voortspruitende verplichtingen, waaronder het verbod om een tuchtklacht tegen betrokkenen in te dienen, en of klagers als curatoren door de aan de orde zijnde tuchtklachten in te dienen, tekortgeschoten zijn in de nakoming van de Settlement Agreement. De beoordeling daarvan is voorbehouden aan de civiele rechter dan wel de arbiters in de procedure die [F] tegen klagers is gestart. Dit voorbehoud heeft niet tot gevolg dat de Accountantskamer de ontvankelijkheid van de klachten pas na een uitspraak van arbiters in deze procedure kan beoordelen of daarover kan beslissen, omdat die ontvankelijkheid niet wordt beïnvloed door welke beslissing dan ook van de civiele rechter of van de hiervoor bedoelde arbiters.

4.4.        De Accountantskamer heeft eerder beslist [1] , dat een in een overeenkomst vastgelegd verbod op of een afspraak over klagen, aan de bij de Wtra toegekende bevoegdheid tot klagen geen afbreuk doet. Deze beslissing van de Accountantskamer is in lijn met het oordeel van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) in rechtsoverweging 5.3 van zijn uitspraak van 9 februari 2017 [2] dat de accountant het klachtrecht “dat gezien het uitgangspunt dat het accountantstuchtrecht het algemene belang dient van een goede uitoefening van het accountantsberoep op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wtra aan een ieder toekomt,” niet contractueel opzij kan zetten. In dezelfde uitspraak heeft het CBb vervolgens geoordeeld dat niet valt in te zien dat de aard van de opdracht waarom het in die uitspraak ging, en/of de context waarin de betrokken accountant daaraan uitvoering heeft gegeven, omstandigheden zijn die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Betrokkenen leiden hieruit af dat er omstandigheden kunnen zijn waaronder het klachtrecht rechtsgeldig kan worden uitgesloten. De Accountantskamer overweegt dat de oordelen van het CBb de uitkomst zijn van de daaraan voorafgaande overwegingen die voor zover van belang als volgt luiden:

“5.2           [Accountant] betoogt dat in dit geval sprake is van advisering binnen het kader van contractvrijheid, waarmee partijen en hun advocaten bij de opdrachtverstrekking uitdrukkelijk hebben ingestemd en waarop zij niet achteraf eenzijdig kunnen terugkomen. (…)           

De omstandigheid dat [accountant] met instemming van zijn opdrachtgevers in het Reglement heeft opgenomen dat hij niet tuchtrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld “voor enig handelen of nalaten met betrekking tot de geschillenoplossing, daarin begrepen de inhoud van het advies” brengt niet mee dat de accountantskamer geen kennis zou mogen nemen van een door de opdrachtgever(s) ingediende klacht. Het klachtrecht, dat gezien het uitgangspunt dat het accountantstuchtrecht het algemene belang dient van een goede uitoefening van het accountantsberoep op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wtra aan een ieder toekomt, kan de accountant niet contractueel opzij zetten. Niet valt in te zien dat de aard van de hier aan de orde zijnde opdracht en/of de context waarin [accountant] aan deze opdracht uitvoering heeft gegeven, omstandigheden zijn die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.”

De Accountantskamer leest in de overwegingen van het CBb alleen dat het algemene belang dat klachten kunnen worden ingediend over het handelen en nalaten van een accountant zodanig zwaarwegend is dat de accountant over wiens handelen of nalaten wordt geklaagd, het recht van de opdrachtgever van de accountant om een klacht in te dienen tegen de accountant niet in een overeenkomst met zijn opdrachtgever kan uitsluiten, en dat de aard van de opdracht die de accountant in die zaak had uitgevoerd en de context waarin die opdracht is uitgevoerd, geen reden vormen om anders te oordelen. Een andere benadering van een contractuele uitsluiting van het recht om te klagen, die ruimte biedt voor een beoordeling van een overeengekomen uitsluiting van geval tot geval, zoals door betrokkenen wordt bepleit, doet naar het oordeel van de Accountantskamer te veel afbreuk aan het algemene belang dat het accountantstuchtrecht beoogt te dienen.

Mocht in de overwegingen van het CBb wel besloten liggen dat er omstandigheden kunnen zijn die meebrengen dat een accountant wel een afspraak kan maken over het recht om te klagen over (kort gezegd) zijn beroepsmatig handelen of nalaten en dat de tuchtrechter aan deze afspraak gevolgen zou dienen te verbinden door de klacht niet-ontvankelijk te verklaren, dan is niet gebleken dat van dergelijke omstandigheden hier sprake is.

4.5.        Wat er ook zij van de gebondenheid van het gefailleerde Imtech aan de afspraak om geen tuchtklacht in te dienen tegen betrokkenen, klagers kunnen in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van Royal Imtech en evenzeer in hun hoedanigheid van curatoren van de elf gefailleerde dochtermaatschappijen voor de uitoefening van het recht om te klagen op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wtra niet op één lijn worden gesteld met de contracterende partij  Imtech. Zij oefenen in die hoedanigheden immers een eigen recht uit, welk recht een uitvloeisel is van hun taak tot het beheer van de failliete boedels. Hieruit volgt dat de onderhavige klachten tegen betrokkenen ontvankelijk zijn.

4.6.1.     Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft moet worden getoetst aan de Verordening gedragscode (RA’s), hierna te noemen: VGC, en de Nadere voorschriften controle- en overige Standaarden (NV COS) zoals deze ten tijde van het afgeven van de goedkeurende controleverklaring, op 18 juni 2013, bij de (geconsolideerde en enkelvoudige) jaarrekening 2012 golden. De Accountantskamer zal in deze beslissing verwijzen naar deze Standaarden.

4.6.2.     Omdat bij de controle van de jaarrekeningen van Imtech sprake was van controle van financiële overzichten van een groep, is Standaard 600 voor deze controle in het bijzonder van belang. In Standaard 600.1 is het volgende bepaald:

“De Standaarden zijn van toepassing op groepscontroles. Deze Standaard heeft betrekking op speciale overwegingen die van toepassing zijn op groepscontroles, in het bijzonder die controles waarbij accountants van groepsonderdelen betrokken zijn.”

Uit de eerste volzin van Standaard 600.1 volgt dat Standaard 600 niet in de plaats komt van de overige Standaarden die van toepassing zijn op controles van historische financiële informatie, maar dat alle Standaarden onverkort van toepassing zijn op een dergelijke controle. Voor zover uit de overige Standaarden verdergaande verplichtingen voortvloeien dan uit Standaard 600 blijkt, blijven deze verdergaande verplichtingen onverkort van toepassing op de controlerend accountant op groepsniveau.

4.7.        Omdat [Y1], als de externe accountant, verantwoordelijk is voor de hele controle van de jaarrekening 2012, zal de Accountantskamer hierna de ingediende klachtonderdelen eerst ten aanzien van hem beoordelen. Vervolgens zal de Accountantskamer, omdat het bij tuchtrecht gaat om persoonlijke verwijtbaarheid, nagaan voor welke werkzaamheden [Y2] verantwoordelijk was of kan worden gehouden.

Klachtonderdeel a:

Betrokkenen hebben onvoldoende onderzoek gedaan naar (het bestaan, de opbouw en          de omvang van) de cash pool tussen Imtech Duitsland en Imtech Polen en zij hebben ten onrechte niet onderkend dat het oplopen van de schuldverhouding tussen Imtech Polen en Imtech Duitsland in belangrijke mate is veroorzaakt door frauduleuze betalingen ten behoeve van het [H]-project en andere aan [G] gelieerde entiteiten. Bovendien hebben zij ten onrechte niet onderkend dat tegenover de oplopende vordering van Imtech Duitsland op Imtech Polen een steeds negatievere stand van Imtech Duitsland in de cash pool bij de [bank1] stond.

4.8.1.     De Accountantskamer stelt voorop dat tussen Imtech Polen en Imtech Duitsland sprake was van een ‘zero balancing cash pool’ bij [bank4] waarbij een positief saldo op de bankrekening van Imtech Polen dagelijks werd overgemaakt naar de bankrekening van Imtech Duitsland, terwijl een negatief saldo dagelijks tot nihil werd aangezuiverd. Het kaskrediet dat Imtech Duitsland ter beschikking stelde aan Imtech Polen bedroeg € 110.000.000 en de garantiefaciliteit bedroeg € 200.000.000. In 2012 is de rekening-courantschuld van Imtech Polen aan Imtech Duitsland gestegen van € 33.772.357 tot € 102.635.694 ultimo 2012. Tijdens een bespreking inzake Imtech Duitsland, op 22 januari 2013, is [Y1] hiervan op de hoogte geraakt.

4.8.2.     De Accountantskamer stelt voorop dat de vordering van Imtech Duitsland op Imtech Polen uit hoofde van de cash pool een intercompany vordering was. In de geconsolideerde jaarrekening van Imtech viel deze vordering van Imtech Duitsland op Imtech Polen weg tegen de schuld van Imtech Polen aan Imtech Duitsland. Het oplopen van een dergelijke intercompany verhouding binnen een groep is als zodanig geen indicatie van fraude.

4.8.3.     Nadat [Y1] op 22 januari 2013 op de hoogte was geraakt van de intercompany schuld van Imtech Polen aan Imtech Duitsland uit hoofde van de cash pool, heeft hij nog dezelfde avond een e-mail gestuurd aan de accountant van Imtech Polen, inhoudende, voor zover hier van belang:

Today I was informed that in the bank balances and bank overdraft of Imtech Poland, an amount of EUR 102.636.000 was included as intercompany debt to Imtech Deutschland. Is this correct?

It seems odd to me.”

[Y1] heeft aan het oplopen van de intercompany schuld van Imtech Polen aan Imtech Duitsland uit hoofde van de cash pool wel degelijk aandacht geschonken. Niet gebleken is dat wat [Y1] op dat moment gedaan heeft onvoldoende was. In dit verband is van belang dat de onregelmatigheden bij Imtech Polen eerst eind januari 2013 zijn ontdekt. [Y1] hoefde er op 22 januari 2013 niet op voorhand van uit te gaan dat het oplopen van de intercompany schuld van Imtech Polen aan Imtech Duitsland uit hoofde van de cash pool (mede) veroorzaakt werd door frauduleuze betalingen ten behoeve van het [H]-project. Nadat de onregelmatigheden bij Imtech Polen ontdekt zijn, is de controle opgeschaald en hebben nadere onderzoeken plaatsgevonden, ondermeer door [L], [K] en door [I].

4.8.4.     Naast de cash pool bij [bank4] was sprake van een cash pool tussen verschillende entiteiten binnen Imtech, waaronder Imtech Duitsland, bij de [bank1]. Anders dan bij de cash pool tussen Imtech Duitsland en Imtech Polen bij [bank4], werden saldi van de deelnemende entiteiten binnen deze cash pool niet afgeroomd en aangezuiverd, maar was bij de [bank1] sprake van compensatie van debet- en creditsaldi van die deelnemende entiteiten. De stand van Imtech Duitsland in deze cash pool is in de loop van 2012 verslechterd.

4.8.5.     De Accountantskamer is van oordeel dat [Y1] niet op voorhand had hoeven te onderkennen dat een verband bestond tussen de verslechtering van de stand van Imtech Duitsland in de cash pool bij de [bank1], het oplopen van de intercompany schuld van Imtech Polen aan Imtech Duitsland uit hoofde van de cash pool bij [bank4] en frauduleuze betalingen ten behoeve van het [H]-project en andere aan [G] gelieerde entiteiten. Nadat hij bekend was geraakt met de hoge intercompany schuld van Imtech Polen aan Imtech Duitsland heeft [Y1] actie ondernomen. Niet is gebleken dat het onderzoek door [Y1] onvoldoende was.

4.8.6.     Klachtonderdeel a is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel b:

Betrokkenen hebben ten onrechte niet deugdelijk vastgelegd wat de consequenties waren van de schikkingsovereenkomst inzake het [H]-project en zij hebben hun overwegingen inzake het niet volwaardig achten van de uit de schikkingsovereenkomst voortvloeiende vordering van

€ 22.000.000 en andere relevante controle-informatie niet vastgelegd in het controledossier.

4.9.1.     Op 12 maart 2013 sloot Imtech met de (vennootschappen van)  [G] inzake  het [H]-project een schikkingsovereenkomst over het beëindigen van de opdracht voor dit project. Hiermee kwam een einde aan wat was aangemerkt als het grootste Imtech-project ooit. Met de schikking werden alle bestaande contracten en verplichtingen tussen partijen, waaronder bankgaranties die in januari 2013 waren verstrekt door Imtech aan [H] voor € 120.000.000, beëindigd. De resultante is een vordering van € 22.000.000 van Imtech Polen op de (voormalige) opdrachtgever, te betalen uiterlijk 30 september 2013.

Imtech heeft in haar jaarrekening 2012 alle posten die samenhingen met het [H]-project (met name geactiveerd onderhanden werk en vorderingen) op nihil gewaardeerd en de hieruit voortkomende afboekingen ten laste van het resultaat gebracht. De uit de schikking resulterende vordering op de opdrachtgever van het [H]-project is op nihil gewaardeerd. 

4.9.2.     Vanaf eind januari 2013 is onderzoek gedaan naar onregelmatigheden in Polen. Dat heeft geresulteerd in afboekingen van € 150.000.000 bij Imtech Polen. Uit de toelichting van de geconsolideerde jaarrekening 2012 blijkt dat de afboekingen ten laste van het resultaat 2012 voor het [H]-project circa € 50.000.000 bedroegen.

Het schikkingsbedrag van € 22.000.000 is gerelateerd aan drie posten van het [H]-project. Uit een onderzoek door [K] eind maart 2013 blijkt dat de genoemde drie posten zijn opgenomen in de Poolse afboeking van € 150.000.000 en dat de schikking van € 22.000.000 dus niet als vordering is opgenomen.

Op 6 mei 2013 brengt [I] een rapport uit over Imtech Polen. Daarin wordt onder meer melding gemaakt van onregelmatigheden inzake de drie genoemde posten. Daarnaar is door [I] geen nader onderzoek gedaan, gezien de dan al tot stand gekomen schikking met [H].

4.9.3.     De Poolse accountant heeft op verzoek van de groepsaccountant de controle op de schikking en de met het [H]-project samenhangende posten uitgevoerd en daarover aan de groepsaccountant gerapporteerd. Uit het Highlight Completion Memorandum (HCM), de rapportage van de accountant van het groepsonderdeel aan de groepsaccountant, van 31 mei 2013 van de Poolse accountant blijkt dat twee van de drie genoemde posten zijn afgeboekt ten laste van 2012 en dat de derde post, die pas na 31 december 2012 is ontstaan, ten laste van het resultaat 2013 zal worden verwerkt. Leden van het groepscontroleteam hebben het werk van de Poolse accountant gereviewd en geconcludeerd dat de werkzaamheden adequaat en voldoende waren. In het groepscontroledossier zijn de HCM van de Poolse accountant en het door het groepsopdrachtteam vervaardigde File review Memorandum Polen opgenomen. Uit het groepscontroledossier blijkt dat de groepsaccountant het File Review Memorandum heeft beoordeeld en instemt met de conclusies van de Poolse accountant.

In het groepscontroledossier is voorts een afzonderlijk onderdeel aangemaakt over het [H]-project. Hierin zijn opgenomen de schikkingsovereenkomst en het memo van [I] hierover. Als conclusie is opgenomen dat de groepsaccountant instemt met de verwerkingswijze van de schikking in de jaarrekening. De uit de schikking voortkomende vordering op de opdrachtgever van het [H]-project is hierbij op nihil gewaardeerd omdat, zoals betrokkenen stellen, geen enkele betalingsverplichting van [H]-zijde ooit is nagekomen en verhaalsmogelijkheden als nihil werden aangemerkt.   

4.9.4.     De schikkingsovereenkomst van 12 maart 2013 is een overeenkomst die is afgesloten na afloop van het boekjaar 2012 maar voordat de jaarrekening 2012 is opgemaakt. Dit is een gebeurtenis na balansdatum, waarop vanuit verslaggevingsoogpunt IAS 10 van toepassing is. In overeenstemming met IAS 10.3 sub a en 10.8 zijn de na de schikking blijkende noodzakelijke afboekingen van de eind 2012 bestaande [H]-posten onderhanden werk en vorderingen ten laste van het resultaat 2012 gebracht.

Voor zover de schikking leidt tot gebeurtenissen die geen nadere informatie geven over de feitelijke situatie op balansdatum (IAS 10.3 sub b, 10.10 en 10.21) moeten deze in de jaarrekening worden toegelicht indien sprake is van een materieel effect. Van dit laatste is geen sprake omdat de overige uit de schikkingsovereenkomst resulterende posten pas na 31 december 2012 zijn ontstaan en op nihil zijn gewaardeerd.

4.9.5.     De Accountantskamer is van oordeel dat de groepsaccountant de beoordeling van de effecten van de schikkingsovereenkomst door de Poolse component accountant kon laten uitvoeren. De groepsaccountant heeft deze werkzaamheden van de Poolse accountant gereviewd en heeft de hieruit voortkomende bevindingen in het groepscontroledossier vastgelegd. De groepsaccountant heeft daarbij aangegeven dat hij de conclusies van de Poolse accountant deelt. Daarbij is het niet nodig dat in het groepscontroledossier ook alle overwegingen van de Poolse accountant, zoals opgenomen in het Poolse controledossier, worden overgenomen. De groepsaccountant heeft op deze wijze gehandeld in lijn met de vereisten van Standaard 600.

Daarnaast is in het groepscontroledossier ter nadere duiding van de schikking een afzonderlijk onderdeel opgenomen met verschillende aspecten van de beëindiging van het [H]-project.

4.9.6.     Klachtonderdeel b is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel d:

Betrokkenen hebben onvoldoende controle-informatie verkregen met betrekking tot de            afboeking van € 370.000.000 door Imtech en zij hebben onvoldoende rekening gehouden met het gegeven dat het snel vol lopen van het bedrag van € 375.000.000 (dat in de financieringsafspraken met de kredietverstrekkers van Imtech als maximum van de te accepteren afboekingen was vastgelegd) ertoe kon leiden dat verstrekte leningen direct opeisbaar zouden worden.

4.10.1.  Op 5 maart 2013 is met het oog op de doelstellingen van Imtech ten aanzien van haar werkkapitaal een ‘Bridge Loan Agreement’ gesloten tussen Imtech en Imtech Capital B.V. enerzijds en [bank3] (hierna: [bank3]) en [bank2] (hierna: [bank2]) anderzijds, waarin de afspraken met betrekking tot de verstrekking van het overbruggingskrediet zijn vastgelegd. Uitgangspunt van deze overeenkomst was dat de leningen met de opbrengst van een aandelenemissie zouden worden afgelost. Deze aandelenemissie zou plaatsvinden nadat de geconsolideerde jaarrekening 2012 van Imtech was voorzien van een goedkeurende controleverklaring.

In Clause 23 van de Bridge Loan Agreement is het volgende bepaald:

“Notwithstanding the uncommitted nature of the Guarantee Bridge Facility as of the Equity Issue Settlement Date, each of the events of circumstances set out in Clause 23 is an Event of Default (save for Clause 23.16 (Acceleration)).”

In artikel 23.14 van deze overeenkomst is bepaald dat de volgende situatie geldt als een ‘Event of Default’ in de zin van Clause 23:

“23.14.1              

The Company is or becomes aware or has reasonable grounds to believe that the write-offs of the Group relating to the Current Situation, that are as at the date of this Agreement estimated by the Company at EUR 300,000,000, will be more than EUR 375,000,000 (excluding goodwill impairment).

23.14.2

The write-offs of the Group relating to the Current Situation, that are as at the date of this Agreement estimated by the Company to be EUR 300,000,000, will be, in the reasonable opinion of the Majority Lenders (which, for this purpose, has to include the Original Lenders in any event), more than EUR 375,000,000 (excluding goodwill impairment).”

In Clause 1.1 van de Bridge Loan Agreement is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

“Current Situation” means the situation relating to the circumstances set out in (i) the Company’s press releases of 4 February 2013 and 27 February 2013 and (ii) any other attachments to the Continuation Agreement.

De ontwikkelingen waarnaar in de hiervoor genoemde Clause 1.1 van de ‘Bridge Loan Agreement’ wordt verwezen, hadden betrekking op de onregelmatigheden bij Imtech Duitsland en Imtech Polen.

In Clause 23.16 van de ‘Bridge Loan Agreement’ is het volgende bepaald:

On and at any time after the occurrence of an Event of Default which is continuing the Agent may, and shall if so directed by the Majority Lenders, by notice to the Company:

23.16.1

cancel the Total Commitments and/or Ancillary Commitments at which time they shall immediately be cancelled;

23.16.2

declare that all or part of the Loans, together with accrued interest, and all other amounts accrued or outstanding under the Finance Documents be immediately due and payable, whereupon they shall become immediately due and payable;

23.16.3

declare that all or part of the Loans be payable on demand, whereupon they shall immediately become payable on demand by the Agent on the instructions of the Majority Lenders;

23.16.4

declare all or any part of the amounts (or cash cover in relation to those amounts) outstanding under the Ancillary Facilities to be immediately due and payable, at which time they shall become immediately due and payable; and/or

23.16.5

declare that all or any part of the amounts (or cash cover in relation to those amounts) outstanding under the Ancillary Facilities be payable on demand, at which time they shall immediately become payable on demand by the Agent on the instructions of the Majority Lenders.

Uit deze bepaling volgt dat het door [bank3] en [bank2] verstrekte overbruggingskrediet direct opeisbaar was in het geval de afboekingen ten gevolge van de onregelmatigheden bij Imtech Duitsland en Imtech Polen meer dan € 375.000.000 zouden bedragen.

Voorts heeft Imtech op 28 februari 2013 een ‘Continuation Agreement’ gesloten met de financiers van Imtech. Deze overeenkomst hield verband met de op 1 november 2010 afgesloten ‘Revolving Credit Facility’. De financiering uit hoofde van deze faciliteit was direct opeisbaar geworden omdat door de afboekingen in Duitsland en Polen niet meer voldaan werd aan de convenanten van deze lening.

Op 19 maart 2013 is een herziene ‘Continuation Agreement’ gesloten met de financiers. In artikel 5.2.1, sub xv, van deze overeenkomst is, op vergelijkbare wijze als in de ‘Bridge Loan Agreement’, bepaald dat de overeenkomst zou vervallen, en de financiering dus onmiddellijk opeisbaar zou worden, als Imtech wist of redelijke grond zou hebben om aan te nemen dat de afboekingen van de groep in verband met de eerder in de overeenkomst genoemde ontwikkelingen meer dan

€ 375.000.000 zouden bedragen.

Uit artikel 1.1 van de herziene ‘Continuation Agreement’ blijkt dat met de erin genoemde “Developments” gedoeld wordt op:

  “(A) the circumstances set out in Imtech’s press release dated 4 February 2013, the discussions we had with you since then and the further developments regarding our Polish business and (B) the matters that recently came to our attention regarding our German business.”

Op 15 juni 2013 zijn Imtech en de financiers overeengekomen om de ‘Revolving Credit Facility’ aan te passen. In een ‘Amendment Letter’ van die datum zijn op verschillende punten veranderingen in de voorwaarden van de oorspronkelijke overeenkomst aangegeven. Dit betreft onder meer aanpassingen in convenanten. Tevens geven de financiers in deze overeenkomst aan in elk geval tot en met 31 december 2013 geen beroep te doen op ontbindende voorwaarden in de overeenkomst (‘covenant holiday’).     

Ook op 15 juni 2013 zijn via een ‘Amendment Letter’ enkele bepalingen van de ‘Bridge Loan Agreement’ aangepast. Deze aanpassingen betroffen niet de bepalingen waarin de grens van

€ 375.000.000 aan afboekingen is genoemd.   

4.10.2.  Naar aanleiding van de onderzoeken vanwege de onregelmatigheden in Duitsland en Polen zijn aanpassingen verwerkt in de concept-jaarrekening 2012 van Imtech. In totaal is over het boekjaar 2012 en de periode daarvoor € 370.000.000 afgeboekt. Dit bedrag is verwerkt in de jaarrekening 2012 van Imtech.

4.10.3.  De Accountantskamer stelt voorop dat tot de opdracht om de jaarrekening 2012 van Imtech te controleren op zichzelf genomen niet de taak behoorde om te controleren of de afboekingen beneden de in de ‘Bridge Loan Agreement’ en de ‘Continuation Agreement’ genoemde grens van € 375.000.000 bleven. Omdat de onmiddellijke opeisbaarheid van leningen en de beëindiging van financiële faciliteiten bij overschrijding van deze grens van betekenis was voor de beoordeling van de continuïteit van de onderneming, was [Y1], als de controlerend groepsaccountant, echter wel gehouden om hieraan in het kader van de controle van de jaarrekening aandacht te besteden. Indien de financiers de leningen onmiddellijk zouden opeisen, zou voor Imtech immers een acuut liquiditeitsprobleem ontstaan met mogelijk grote gevolgen voor de continuïteit van de onderneming. In dit verband is van belang dat deze grens, in ieder geval voor wat betreft de door Imtech met de [bank3] en [bank2] gesloten ‘Bridge Loan Agreement’, ten tijde van de afgifte van de controleverklaring bij de jaarrekening zijn geldigheid had behouden. Dat [Y1], naar hij ter zitting heeft verklaard, meende dat niet voorstelbaar was dat de twee begeleidende banken “de stekker eruit zouden trekken”, doet er niet aan af dat hij met die mogelijkheid  wel degelijk rekening had moeten houden. De Accountantskamer wijst er in dit verband op dat IAS 39.39 - zakelijk weergegeven - bepaalt dat een entiteit een financiële verplichting (of een deel daarvan) alleen dan niet langer opneemt in de balans als de financiële verplichting tenietgaat, dat wil zeggen wanneer de in het contract vastgestelde verplichting nagekomen of ontbonden wordt, dan wel afloopt. Hieruit volgt dat de ingeschatte onwaarschijnlijkheid dat de financiers inzake de Bridge Loan de leningen bij overschrijding van de grens van € 375.000.000 zouden opeisen niet ter zake deed. Bij het voorgaande komt dat [Y1] niet heeft vastgelegd waarom hij meende dat niet voorstelbaar was dat de twee begeleidende banken bij overschrijding van de grens van

€ 375.000.000 “de stekker eruit zouden trekken”.

4.10.4.  In het kader van de controle van de jaarrekening is niet vastgelegd welk deel van de afboekingen van € 370.000.000 toe te rekenen valt aan de onregelmatigheden bij Imtech Duitsland en Imtech Polen. Onjuist is de gedachte dat, nu de afboekingen beneden de kritische grens van € 375.000.000 bleven, het niet nodig was om een onderscheid te maken tussen afboekingen die waren toe te rekenen aan de onregelmatigheden bij Imtech Duitsland en Imtech Polen enerzijds en de overige afboekingen anderzijds. Juist nu het bedrag aan afboekingen zeer dicht bij de kritische grens van € 375.000.000 lag, had in het kader van de controle extra aandacht moeten worden besteed aan de omvang en de volledigheid van de afboekingen en had moeten worden nagegaan welk bedrag aan afboekingen toe te rekenen viel aan de onregelmatigheden bij Imtech Duitsland en Imtech Polen. Nu dit niet in kaart is gebracht en in het controledossier is vastgelegd, kan niet worden uitgesloten dat (vrijwel) het gehele bedrag aan afboekingen verband hield met deze onregelmatigheden. In dit verband had het voor de hand gelegen om (in overeenstemming met Standaard 320.12 en 13) de bij de verrichte werkzaamheden inzake de volledigheid van de afboekingen te hanteren materialiteit, te herzien (in casu te verlagen). Overigens stelt de Accountantskamer vast dat [Y1] op 8 mei 2013 en op 17 juni 2013 wel de voor de controle van de jaarrekening 2012 als geheel te hanteren materialiteit nader heeft beoordeeld, maar in het licht van het vorenstaande is wat hij heeft gedaan onvoldoende.

4.10.5.  De Accountantskamer stelt tenslotte met betrekking tot dit klachtonderdeel vast dat de bepaling van het door Imtech afgeboekte bedrag van € 370.000.000 schattingselementen bevatte. Niet gebleken is dat [Y1] de controledocumentatie zo heeft opgesteld dat deze voldoende is om een accountant die voorheen niet bij de controle betrokken was in staat te stellen om inzicht te verwerven in de significante aangelegenheid van de omvang van de afboekingen die toe te rekenen vielen aan de onregelmatigheden bij Imtech Duitsland en Imtech Polen. In zoverre heeft [Y1] gehandeld in strijd met Standaard 230.8.

4.10.6.  Klachtonderdeel d is daarom gegrond.

4.10.7.  Geheel ten overvloede overweegt de Accountantskamer dat zij niet kan vaststellen dat de kritische grens van € 375.000.000 was overschreden. Dat na afgifte van de controleverklaring bij de jaarrekening 2012 van Imtech nog meer grote afboekingen hebben plaatsgevonden, betekent niet zonder meer dat deze in de jaarrekening 2012 hadden moeten worden verwerkt. 

Klachtonderdeel e:

Betrokkenen zijn ten onrechte akkoord gegaan met de op 18 juli 2013 door Imtech bekendgemaakte afboeking van € 40.000.000, waaronder € 25.000.000 op [J] en zij hebben onvoldoende controlewerkzaamheden verricht ten aanzien van de verwerking van de afboekingen in het boekjaar 2013.

4.11.1.  Op grond van de stukken in het dossier acht de Accountantskamer voldoende aannemelijk gemaakt dat [J] (hierna: [J]) weliswaar een in Duitsland gevestigde vennootschap naar Duits recht was, maar dat deze vennootschap in 2012 geen deel uitmaakte van de divisie Imtech Duitsland & Oost Europa en onderdeel was van de divisie Imtech Marine. In dit verband is van belang dat in het kader van de controle van de jaarrekening 2012 met de term ‘Imtech Duitsland’ gedoeld wordt op de organisatorische entiteit die onder leiding stond van de centrale Duitse directie en niet op de juridische entiteit Imtech Deutschland GmbH & CO KG (hierna: Imtech Deutschland). [J] was weliswaar juridisch onderdeel van Imtech Deutschland en maakte gebruik van het financiële systeem van Imtech Duitsland, maar [J] stond in 2012 los van het management van de divisie Duitsland & Oost Europa en was organisatorisch onderdeel van Imtech Marine. De cijfers van [J] werden opgenomen in de cijfers van Imtech Marine.

4.11.2.  Klagers hebben met het door hen overgelegde concept-rapport “Imtech-Germany carve out/in” van [K], opgesteld in december 2013, niet aannemelijk gemaakt dat [J] in 2012 in organisatorische zin wel deel uitmaakte van de divisie Duitsland & Oost Europa. Het in dit concept-rapport gedane voorstel om [J] uit de juridische structuur van Imtech Deutschland over te brengen naar de juridische structuur van Imtech Marine, doet er niet aan af dat [J] in 2012 in organisatorische zin al geen onderdeel meer uitmaakte van Imtech Duitsland.

4.11.3.  Op 3 juni 2013 heeft [Y2] een memo over [J] ontvangen van [F] Duitsland. Dit memo betrof de uitkomsten van verrichte nadere werkzaamheden naar aanleiding van de geconstateerde onregelmatigheden in Duitsland. Hieruit bleek dat ook [J] betrokken was bij het schuiven van kosten tussen projecten. Dit betrof de jaren 2010 en 2012. De onregelmatigheden zijn door betrokkenen nog dezelfde dag schriftelijk gemeld aan de Raad van Bestuur van Imtech, die de daaropvolgende dag besloten heeft om de beide managers van [J] te ontslaan. Betrokkenen hebben op basis van informatie die ontvangen was van [F] Duitsland geoordeeld dat het risico op een materiële fout in de jaarrekening met de al verrichte controlewerkzaamheden tot een aanvaardbaar laag niveau was teruggebracht en dat verdere werkzaamheden ten aanzien van [J] niet noodzakelijk waren.

4.11.4.  Op 14 juli 2013 heeft de nieuw aangetreden CFO van Imtech Marine, [Q], een groot aantal extra afboekingen bij Imtech Marine aan de CFO van Imtech gerapporteerd. Deze afboekingen hadden deels betrekking op [J]. Op 16 juli 2013 heeft Imtech [Y2] en [R] RA (hierna: [R]) van [F] op de hoogte gesteld van mogelijk (ten dele) af te waarderen posten bij de divisies Imtech Marine en Imtech Benelux en is een lijst daarvan ter hand gesteld aan [R]. Op 18 juli 2013 heeft Imtech in een persbericht bekendgemaakt dat het te verwachten resultaat over 2013 met ongeveer € 40.000.000 neerwaarts moest worden bijgesteld. Van deze afboekingen had ongeveer € 25.000.000 betrekking op Imtech Marine.

4.11.5.  De Accountantskamer stelt voorop dat de afboekingen waarvan in het persbericht van

18 juli 2013 melding is gemaakt, dateren van na de afgifte van de controleverklaring bij de jaarrekening 2012 en na de publicatie van de jaarrekening 2012 op 18 juni 2013. Op dat moment was [Y1] niet langer de externe accountant van Imtech. Die rol van externe accountant was voor de jaarrekening 2013 overgenomen door [T] RA (hierna: [T]). Wel houdt de Accountantskamer [Y1] verantwoordelijk voor zijn handelen tijdens de Bijzondere Algemene Vergadering van Aandeelhouders (BAVA) van Imtech die op 2 augustus 2013 heeft plaatsgevonden. [Y1] is aanwezig geweest bij deze BAVA waarin de jaarrekening 2012 en de nieuwe afboekingen bij de divisies Imtech Marine en Imtech Benelux ter sprake kwamen.

4.11.6.  Uit de overgelegde stukken in het dossier blijkt dat [Y1] naar aanleiding van de op 16 juli 2013 ontvangen mededeling over de mogelijke afboekingen bij de divisies Marine en Benelux op 17 juli 2013 een bespreking heeft gehad met de Raad van Bestuur en de groepscontroller van Imtech over deze kwestie. Vervolgens heeft hij die dag telefonisch overleg gevoerd met [T], [R] en enkele andere collega’s van [F]. [Y2] was vanwege haar vakantie niet aanwezig bij dit overleg. Daarna is onder verantwoordelijkheid van [T] onderzoek verricht naar aanleiding van de aan [R] ter hand gestelde lijst. Uit een memorandum van [R] van 26 juli 2013 bleek dat een aantal posten dat voorkwam op de lijst met mogelijke afboekingen geen materiële ‘prior period errors’ waren. In dit memorandum is, voor zover hier van belang, als volgt geconcludeerd:

“Evaluation of the additional errors does not result in uncorrected misstatements exceeding the materiality. Therefore comparative figures will not need to be adjusted.”

Op basis hiervan heeft [Y1] kunnen concluderen dat de feiten die aanleiding hadden gevormd tot het persbericht van 18 juli 2013 niet tot een wijziging van de controleverklaring zouden hebben geleid, wanneer deze hem op de datum van de controleverklaring bekend waren geweest. Hiermee heeft [Y1] in voldoende mate opvolging gegeven aan de nieuwe feiten die hem op of kort na 16 juli 2013 bekend waren geworden. Ook voor de door hem gedane mededeling tijdens de BAVA van 2 augustus 2013, dat de nieuwe afboekingen geen aanleiding vormden om anders aan te kijken tegen de jaarrekening 2012 en dat deze in de jaarrekening 2013 verwerkt moesten worden, had [Y1] dan ook voldoende deugdelijke grondslag.

4.11.7.  Voor zover klagers met dit klachtonderdeel ook klagen over de materialiteit, overweegt de Accountantskamer dat de materialiteit 2012 € 16.000.000 bedroeg en dat de uitvoeringsmaterialiteit € 8.000.000 bedroeg. Het onderzoek naar de afboekingen bij [J] kwam in 2013 uiteindelijk uit op, afhankelijk van de gekozen methode, € 2.000.000 of

€ 2.300.000 wegens ‘prior period errors’. Dit lag ruimschoots onder de materialiteitsgrens. Voor zover dit klachtonderdeel betrekking heeft op de gehanteerde materialiteit in relatie tot de afboekingen van € 370.000.000 verwijst de Accountantskamer naar rechtsoverweging 4.10.4.

4.11.8.  Klachtonderdeel e is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel f:

Betrokkenen hebben nagelaten om voldoende controlemaatregelen uit te (laten) voeren en zij hebben onvoldoende controle-informatie verkregen en in het controledossier vastgelegd in verband met het verantwoorde projectresultaat, de met het project samenhangende balansposten en de noodzakelijke afboeking inzake het [O]-project.

4.12.1.  Imtech Duitsland verrichtte in het kader van het [O]-project installatiewerkzaamheden ten behoeve van de bouw van een nieuw vliegveld bij Berlijn. De aanvankelijke waarde van dit project bedroeg € 114.000.000, maar mede door meerwerkopdrachten was hiervoor ultimo 2012 cumulatief ruim € 300.000.000 aan opbrengsten verantwoord.

4.12.2.  Ten aanzien van het verantwoorden van opbrengsten voor meerwerk is IAS 11 van toepassing. In IAS 11.13 is, voor zover hier van belang, bepaald dat een aanpassing van een contract deel uitmaakt van de opbrengsten uit hoofde van onderhanden projecten indien:

a.            het waarschijnlijk is dat de opdrachtgever de aanpassing zal goedkeuren, alsmede het              bedrag van de opbrengsten dat uit de wijziging zal voortkomen; en

b.            het bedrag van de opbrengsten betrouwbaar kan worden gewaardeerd.

Indien aan deze voorwaarden voldaan is, is het onder IFRS verplicht om de opbrengsten uit hoofde van meerwerk als zodanig te verwerken in de jaarrekening.

4.12.3.  Uit het HCM van de accountant van Imtech Duitsland met betrekking tot zijn werkzaamheden ter zake blijkt dat voor alle meerwerkopdrachten is nagegaan of deze daadwerkelijk waren verstrekt of geaccepteerd. Uit het controledossier blijkt in voldoende mate dat de waarschijnlijkheid dat niet geaccordeerde meerwerkopdrachten zouden worden goedgekeurd, wel degelijk aan de orde is gekomen in het kader van de controle van de meerwerkopdrachten van Imtech Duitsland, met inbegrip van de controle van dergelijke opdrachten die betrekking hadden op het [O]-project. Voor deze controle is mede gebruik gemaakt van werkzaamheden van [advies[adviesbureau2]. Uit het in het controledossier opgenomen ISA 600 File Review Memo met betrekking tot Imtech Duitsland blijkt dat en hoe deze controles zijn uitgevoerd. Niet gebleken is dat met betrekking tot het [O]-project onvoldoende controlewerkzaamheden zijn verricht.

4.12.4.  In het kader van het onderzoek naar onregelmatigheden bij Imtech, dat in de eerste helft van 2013 heeft plaatsgevonden, zijn onder meer onregelmatigheden met betrekking tot intercompany facturen bij Imtech Duitsland ontdekt. In een ‘Impairment analysis’ van Imtech van 3 mei 2013, die  onder meer is gecontroleerd door de Duitse accountant en is opgenomen in het controledossier, is aangegeven dat in verband hiermee sprake was van een ‘harde afboeking’ van € 18.000.000 op het [O]-project, welke afboeking in de jaarrekening 2012 is verwerkt. In een status update van 12 juni 2013 is dit bedrag teruggebracht tot € 4.400.000. De reden voor deze correctie was dat gebleken was dat een bedrag van € 13.600.000 aan intercompany facturen geen betrekking had op het [O]-project, maar op andere projecten. Dit is daarom op goede gronden gecorrigeerd in de status update. Voor de geconsolideerde jaarrekening maakte het niet uit op welk project van Imtech Duitsland een afboeking werd geboekt. Niet gebleken is dat [Y1] deze afboekingen onvoldoende zorgvuldig heeft gecontroleerd.

4.12.5.  De Accountantskamer verwerpt dit klachtonderdeel ook voor zover dit betrekking heeft op de vastlegging in het controledossier. De onderbouwing van de in het controledossier opgenomen ‘Impairment analysis’ ligt vast in het dossier van de Duitse accountant. Betrokkene hoefde dit niet in zijn eigen controledossier vast te leggen.

4.12.6.  Dat begin 2014 alsnog € 64.700.000 extra is afgeboekt op het [O]-project staat los van de controle van de jaarrekening 2012 van Imtech. Deze afboeking vond plaats ten laste van het boekjaar 2013. De Accountantskamer is niet gebleken dat deze extra afboeking reeds in de jaarrekening 2012 had moeten worden verwerkt.

4.12.7.  Klachtonderdeel f is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel g:

Betrokkenen hebben onvoldoende controlewerkzaamheden verricht ten aanzien van de in de jaarrekening 2012 verantwoorde goodwill.

4.13.1.  Ten aanzien van het door betrokkenen gedane beroep op de niet-ontvankelijkheid van dit klachtonderdeel overweegt de Accountantskamer als volgt. Met ingang van 1 januari 2019 geldt  een klachttermijn van tien jaar na het moment van de verweten gedraging. De klacht is binnen deze termijn ingediend. Op grond van de overgangswetgeving wordt een klacht echter niet in behandeling genomen als de oude klachttermijn (die drie of zes jaar was) al vóór 1 januari 2019 was verstreken. Voor wat betreft de zesjaarstermijn moet worden beoordeeld of de verweten gedraging van betrokkenen plaatsvond vóór 1 januari 2013. Ten aanzien van de driejaarstermijn moet worden beoordeeld of klagers vóór 1 januari 2016 zodanige feiten hebben geconstateerd of redelijkerwijs hebben kunnen constateren dat zij daarop een vermoeden van (mogelijk) tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten konden baseren. Daarbij is niet vereist dat een klager volledig op de hoogte is van de regelgeving voor accountants waarmee het handelen of nalaten (mogelijk) in strijd is.

4.13.2.  Aangezien het handelen waarover in dit klachtonderdeel geklaagd wordt, heeft plaatsgevonden in 2013, was de zesjaartermijn op het moment waarop de klacht is ingediend niet verstreken. De zesjaarstermijn staat dan ook niet in de weg aan de beoordeling van de klacht.

4.13.3.  Ten aanzien van de vraag of klagers voor wat betreft de in de jaarrekening 2012 verantwoorde goodwill vóór 1 januari 2016 zodanige feiten hebben geconstateerd of redelijkerwijs hebben kunnen constateren dat zij daarop een vermoeden van (mogelijk) tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten konden baseren, stelt de Accountantskamer voorop dat de faillissementen van de vennootschappen waarin klagers tot curatoren zijn benoemd op 13 augustus 2015 en kort daarna zijn uitgesproken. De Accountantskamer volgt de stelling van klagers  dat op dat moment nog geen sprake is geweest van het redelijkerwijs hebben kunnen constateren van zodanige feiten dat klagers daarop een vermoeden van (mogelijk) tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten konden baseren. Klagers beschikten op dat moment bijvoorbeeld niet over de relevante stukken uit het controledossier op grond waarvan zij zich hierover een oordeel konden vormen. Dat divisies van Imtech, waaronder de divisies Nordic en Marine, al vóór 14 september 2015, toen het eerste faillissementsverslag werd uitgebracht, verkocht waren en dat klagers toen reeds constateerden dat de verkoopopbrengst van die onderdelen aanzienlijk lager was dan de boekwaarde daarvan, was op zichzelf genomen onvoldoende om een vermoeden van mogelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen voor wat betreft de controlewerkzaamheden inzake de goodwill in de jaarrekening 2012 van Imtech op te baseren. De verkoop van deze divisies vond immers plaats ruim twee jaar na afronding van de controle van de jaarrekening 2012 en na het faillissement van Imtech. Om goed te kunnen inschatten of daadwerkelijk sprake was van (mogelijk) tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door betrokkenen was hier van belang dat klagers de beschikking kregen over de in het controledossier aanwezige stukken. Deze hebben zij eerst in december 2016 ontvangen. Hieruit volgt dat de driejaarstermijn op 1 januari 2019 niet was verstreken. De driejaarstermijn staat dan ook niet in de weg aan de beoordeling van dit klachtonderdeel.

4.13.4.  Uit het voorgaande volgt dat dit klachtonderdeel tijdig is ingediend. Klachtonderdeel g is ontvankelijk.

4.13.5.  Klagers hebben zich op het standpunt gesteld dat betrokkenen tekort zijn geschoten bij de controle van de in de jaarrekening verantwoorde goodwill (Goodwill Impairment Test; hierna: GIT) die was toegerekend aan Imtech Nordic, te weten € 428.100.000, en aan Imtech Marine, te weten € 100.300.000). Zij hebben in dit verband onder meer gewezen op de bepaling van de kasstroomgenererende eenheden binnen Imtech, op de bepaling van de peer group van Imtech, op de bepaling van de ‘implied EBITDA-multiple’, op de bepaling van de Weighted Average Cost of Capital (WACC), op de toerekening van ‘holding costs’ aan de verschillende kasstroomgenererende eenheden van Imtech, op de bepaling of en, zo ja, welk bedrag aan ‘excess cash’ moet worden toegerekend aan de verschillende kasstroomgenererende eenheden, op ‘backtesting’ en op het niet in de waardering betrekken van (financiële) ontwikkelingen van na 31 december 2012 en van de onzekerheid over de gehanteerde forecast. Klagers hebben hun standpunt ten aanzien van dit klachtonderdeel onderbouwd met rapporten van [advies[adviesbureau1], van 14 juni 2019 inzake Imtech Nordic, van 14 juni 2019 inzake Imtech Marine, van 16 april 2020 inzake Imtech Nordic en Imtech Marine, en van 14 september 2020 (“Aanvullend Memo Repliek”).

4.13.6.  Betrokkenen hebben zich op het standpunt gesteld dat zij niet tekort zijn geschoten bij de controle van de in de jaarrekening verantwoorde goodwill en de in dit verband door klagers genoemde punten. Zij hebben dit standpunt onderbouwd met rapporten van Value Insights, van 2 maart 2020 en van 3 juni 2020, beide inzake Imtech Nordic en Imtech Marine. Tevens is een tweetal opinies van prof. dr. [S] RA, van 2 maart 2020 en van 25 mei 2020, overgelegd.

4.13.7.  De Accountantskamer stelt voorop dat zij niet zelf beoordeelt of de goodwill in de jaarrekening 2012 van Imtech op juiste wijze is verantwoord. Evenmin beoordeelt de Accountantskamer welke werkwijze met betrekking tot het testen van de boekwaarde van de goodwill, zoals weergegeven in de rapporten van de door partijen ingeschakelde deskundigen, de juiste is. De Accountantskamer beoordeelt of de accountant bij de controle van de in de jaarrekening verantwoorde goodwill heeft gehandeld in strijd met enig fundamenteel beginsel.

4.13.8.  Uit het dossier blijkt dat [Y1] zich bij de controle van de in de jaarrekening verantwoorde goodwill heeft laten bijstaan door [F] Corporate Finance, als deskundige voor wat betreft de bepaling van de boekwaarde van de goodwill. [F] Corporate Finance beschikte volgens betrokkenen over gespecialiseerde kennis met betrekking tot plausibiliteitsbeoordelingen, zoals deze in het kader van het uitvoeren van goodwill impairment tests plaatsvinden. Op het gebruik maken van de werkzaamheden van een dergelijke deskundige is Standaard 620 van toepassing.

4.13.9.  Standaard 620.3 bepaalt dat de accountant de ongedeelde verantwoordelijkheid heeft voor het controleoordeel dat tot uitdrukking wordt gebracht en dat die verantwoordelijkheid niet wordt verminderd door het gebruikmaken van de werkzaamheden van een door de accountant ingeschakelde deskundige. Desalniettemin kan de accountant, indien hij, gebruikmakend van de werkzaamheden van een door hem ingeschakelde deskundige, overeenkomstig deze Standaard, tot de conclusie komt dat de werkzaamheden van die deskundige adequaat zijn voor zijn doeleinden, de bevindingen of conclusies van die deskundige op diens deskundigheidsgebied aanvaarden als geschikte controle-informatie.

4.13.10. Uit het memorandum van [F] Corporate Finance van 4 juni 2013, dat deel uitmaakt van het controledossier, blijkt dat aspecten die van belang zijn voor de controle van de post goodwill in de jaarrekening door [F] Corporate Finance zijn beoordeeld. Dergelijke beoordelingen kenmerken zich naar hun aard door een grote mate van onzekerheid. Dat [adviesbureau1] in de rapporten uit 2019 en 2020 tot andere conclusies komt, betekent op zichzelf genomen niet dat de in 2013 door [F] Corporate Finance uitgevoerde beoordeling daarmee onjuist was en dat [Y1] daarom niet op deze beoordeling had mogen afgaan. Nagegaan zal moeten worden of [Y1] bij de beoordeling van het memorandum van [F] Corporate Finance Standaard 620 op correcte wijze heeft toegepast.

4.13.11. Standaard 620.12 bepaalt dat de accountant het adequaat zijn van de werkzaamheden van de door de accountant ingeschakelde deskundige voor de doeleinden van de accountant dient te evalueren, met inbegrip van:

a.            de relevantie en redelijkheid van de bevindingen of conclusies van die deskundige,    alsmede de consistentie ervan met overige controle-informatie;

b.            indien de werkzaamheden van die deskundige het gebruikmaken van significante       veronderstellingen en methoden omvatten, de relevantie en redelijkheid van die      veronderstellingen en methoden in de omstandigheden; en

c.            indien de werkzaamheden van die deskundige het gebruikmaken omvatten van          brongegevens die significant zijn voor de werkzaamheden van die deskundige, de             relevantie, de volledigheid en het accuraat zijn van die brongegevens.

4.13.12. De Accountantskamer stelt vast dat het memorandum van [F] Corporate Finance van 4 juni 2013 voor wat betreft de brongegevens waarop dit gebaseerd is een overzicht van stukken bevat en dat hierin tevens het volgende is vermeld:

[F] Co rporate Finance has relied upon the quality of th e Information s upplied and has not undertaken an independent verification as to the accuracy, comp l eteness and reliability thereof, wh i ch we under sta nd will be part of the procedure s performed by [F] Audit. In addition, we have relied upon informati o n from public so urce s, includin g, among others, [adviesbureaus].

Uit het dossier blijkt dat [Y1] de bevindingen en conclusies van [F] Corporate Finance heeft beoordeeld. Uit het dossier blijkt echter niet dat [Y1] de aanvaardbaarheid van de brongegevens waar [F] Corporate Finance zich op gebaseerd heeft, is nagegaan. [Y1] heeft hierdoor gehandeld in strijd met Standaard 620.12.

4.13.13. Klachtonderdeel g is daarom in zoverre gegrond.

4.13.14. Geheel ten overvloede overweegt de Accountantskamer dat zij niet kan vaststellen dat op de boekwaarde van de goodwill die is toegerekend aan de divisies Nordic en Marine, een bijzondere waardevermindering had moeten worden verwerkt. 

Klachtonderdeel h:

Betrokkenen hebben onvoldoende controlewerkzaamheden verricht ten aanzien van de continuïteitsveronderstelling in de geconsolideerde jaarrekening van Imtech.

4.14.1.  De jaarrekening 2012 van Imtech, waarbij [Y1] een goedkeurende controleverklaring heeft afgegeven, is opgesteld in de veronderstelling dat de onderneming geacht wordt haar activiteiten in de voorzienbare toekomst voort te zetten. In zijn controleverklaring heeft [Y1] de volgende paragraaf ter benadrukking van aangelegenheden opgenomen:

Emphasis of uncertainties with respect to the going concern assumption

We draw attention to note 4 to the consolidated financial statements which indicates the existence of material uncertainties which may cast significant doubt about the entity’s ability to continue as a going concern. Our opinion is not qualified in respect of this matter.”

Noot 4 van de toelichting van de geconsolideerde jaarrekening, waarnaar in bovenstaand citaat wordt verwezen, vermeldt in dit verband onder meer het volgende:

“In light of the above, the Group has assessed the going concern assumption on the basis of which the financial statements 2012 have been prepared. Going concern is mainly dependent on the successful finalisation of the rights issue and meeting budgets and forecasts within the boundaries set by the covenant requirements from the Group’s lenders. For the latter the timely recovery of the Group’s operational and cash flow performance is of high importance.

This situation indicates the existence of uncertainties which may cast significant doubt about the Company’s ability to continue operating as a going concern. Management is of the opinion though that the application of the going concern assumption for the 2012 financial statements is appropriate, based on the following facts and circumstances:

-- The Group is planning on executing a rights issue for an amount of 500 million euro;

-- Current business forecasts indicate sufficient liquidity and covenant headroom under the  amended agreements with our financiers. In a scenario that future performance and cash flow developments are adverse to current business forecasts, management believes the Group has various options available that if realised are sufficient to address such adverse circumstances and remedy covenant breaches in this scenario. These options include but are not limited to improvements in working capital management, renegotiating creditor terms and conditions, accessing the capital markets and disposal of assets, business units or even divisions. Some of the options available to the Group are subject to approval of the financiers.”

Uit deze vermelding in noot 4 blijkt dat voor wat betreft de continuïteitsveronderstelling sprake was van onzekerheden van materieel belang. Tevens is aangegeven dat er mogelijkheden waren om te ontkomen aan discontinuïteit.

4.14.2.  De Accountantskamer stelt voorop dat bij een jaarrekening die met toepassing van IFRS wordt opgesteld, zoals de jaarrekening 2012 van Imtech, voor wat betreft de continuïteit van de onderneming het uitgangspunt geldt dat is neergelegd in IAS 1.25, waar het volgende is bepaald:

“Bij het opstellen van de jaarrekening moet het management zich een oordeel vormen over het vermogen van de entiteit om haar continuïteit te waarborgen. Een entiteit moet haar jaarrekening opstellen in de veronderstelling dat de continuïteit van de entiteit gewaarborgd is, tenzij het management voornemens is om de entiteit te vereffenen of om haar activiteiten stop te zetten, of als er geen realistisch alternatief bestaat. Als het management tijdens zijn beoordeling weet heeft van materiële onzekerheden die verband houden met gebeurtenissen of omstandigheden die aanzienlijke twijfel doen rijzen over het vermogen van de entiteit om haar continuïteit te waarborgen, moet de entiteit die onzekerheden vermelden. Als een entiteit haar jaarrekening niet opstelt in de veronderstelling dat de continuïteit van de entiteit gewaarborgd is, moet dit feit in de toelichting worden opgenomen, samen met de gehanteerde grondslag voor de opstelling van de jaarrekening en de reden waarom de continuïteit van de entiteit niet gewaarborgd zou zijn.”

Dit uitgangspunt geldt ook bij de controle van de jaarrekening door de accountant en is neergelegd in Standaard 570.2 waar het volgende is bepaald:

“Onder de continuïteitsveronderstelling wordt een entiteit geacht haar bedrijfsactiviteiten in de voorzienbare toekomst voort te zetten. Financiële overzichten voor algemene doeleinden worden opgesteld op basis van continuïteit tenzij het management voornemens is de entiteit te liquideren of de activiteiten te staken dan wel hiervoor geen realistisch alternatief heeft. Financiële overzichten voor bijzondere doeleinden kunnen al dan niet worden opgesteld in overeenstemming met een stelsel inzake financiële verslaggeving waarvoor de continuïteitsbasis relevant is (bijvoorbeeld in bepaalde rechtsgebieden is de continuïteitsbasis niet van belang voor bepaalde financiële overzichten die zijn opgesteld op basis van een fiscale grondslag). Wanneer het hanteren van de continuïteitsveronderstelling passend is, worden activa en passiva opgenomen onder de veronderstelling dat de entiteit in staat zal zijn haar activa te realiseren en haar verplichtingen af te wikkelen bij een normaal verloop van haar bedrijfsactiviteiten.”

4.14.3.  De Accountantskamer zal nagaan of [Y1] voldoende en geschikte controle-informatie heeft vergaard om tot zijn oordeel te kunnen komen dat er geen reden was om de jaarrekening op grondslag van discontinuïteit op te stellen, maar dat wel sprake was van onzekerheden van materieel belang.

4.14.4.  [Y1] heeft bij de beoordeling van de continuïteitsveronderstelling gebruik gemaakt van een memorandum van [F] Restructuring van 14 juni 2013. [F] Restructuring heeft in dit memorandum gebruik gemaakt van een Forecast Model van [K], van 12 juni 2013, en  Independant Business Reviews (IBR’s) van [L] ([L]). In het memorandum van [F] Restructuring, dat deel uitmaakt van het controledossier, wordt als volgt geconcludeerd:

•          The forecast for 2013/ 2014 as prepared by group management (adjusted Bank Case 12 June 2013 -> 2013 EBITDA: €135m; 2014 EBITDA: €265m) shows sufficient liquidity and covenant headroom under the current draft waiver documentation.

•          However, certain significant risks regarding this forecast are present, especially around underlying and forecast performance 2013/ 2014 of Germany, seasonality and timing of EBITDA/ NWC movements and the strong step-up trom 2013 to 2014 EBITDA.

•          Based on our work, indicative sensitivities on the latest Bank Case Forecast for 2013/ 2014 (version 12 June 2013) show that mitigating actions are required to prevent covenant breach in 2014.

•          Certain mitigating actions are identified by management. The indicative impact of these mitigating actions on our sensitized forecast for 2013/ 2014 however still shows a risk in meeting the ICR during 2014, in addition to the general uncertainty regarding the realization and timing of these mitigating actions.

•          From the meetings we have had with group management (i.e. [M]/ [N]), we understand group management is aware of these risks/ uncertainties in adhering to the covenants in 2014.

•          [K]'s working capital statement team shared their view on the forecast 2013/ 2014, including the mitigating actions, during a meeting at 14 June together with Group Management. Although they have not finalized their work, their findings and view to date are in line with our view as mentioned above, including the remaining uncertainties. [K] indicated that as a result, they intend to issue a 'qualified' working capital statement.

•          lt should be noted that the actual 2013 May performance is not available at this moment. However, [M] indicated at 14 June 2013 during our meeting with him and [K], that he has no indication at this moment that the actual 2013 May performance will significantly differ from their latest forecast for May 2013.

•          Furthermore, please note the following:

•       Successful realization of the rights issue is a key assumption in the forecast 2013/ 2014, which however is still to be finalized and as such causes a general risk, although we understand the rights issue is underwritten by [bank2]/ [baml3] (taking into account certain conditions precedent);

•       We have used the draft waiver document dated 11 June 2013 in our analyses. After that date, we have not received an update nor have we received the final waiver document . lt should be considered that the final waiver document could impact the latest Forecast Model of 11 June 2013 (including the forecast covenants) and our analyses;

Uit het dossier blijkt dat [Y1] de relevantie en de redelijkheid van de bevindingen en de conclusies van [F] Restructuring voor wat betreft het bestaan van een onzekerheid van materieel belang op basis van de aangeleverde brongegevens op deugdelijke wijze heeft geëvalueerd.

Voor wat betreft de brongegevens waarop de conclusie van [F] Restructuring is gebaseerd dat sprake was van een onzekerheid van materieel belang, maar dat geen aanleiding bestond om de jaarrekening op te maken op grondslag van discontinuïteit, geldt het volgende.

[Y1] heeft bij de beoordeling van de continuïteitsveronderstelling ook gebruik gemaakt van een notitie van [F] Advisory van 13 juni 2013. Daarin is met betrekking tot het cash flow model van Imtech het volgende geconcludeerd:

“Based on these procedures, we did not identify any technical inconsistencies.

However, we did note that certain methodological assumptions may be inconsistent with the underlying business reality of Imtech. Any conclusion as to the appropriateness of these assumptions is not within the scope of our procedures.”

Een nagenoeg gelijke constatering is opgenomen in het memorandum van [F] Restructuring van 14 juni 2013.

Niet duidelijk is wat [Y1] heeft gedaan  met de vermelding in de conclusies van [F] Advisory en [F] Restructuring dat sommige methodologische aannames mogelijk niet overeenstemmen met de onderliggende zakelijke realiteit van Imtech. Ook overigens is niet gebleken dat [Y1] de juistheid en volledigheid van de brongegevens waaronder de gegevens waarop [F] Restructuring en [F] Advisory zich gebaseerd hebben, deugdelijk heeft geëvalueerd. [Y1] heeft hierdoor gehandeld in strijd met Standaard 620.12.

4.14.5.  In noot 4 van de toelichting van de geconsolideerde jaarrekening is vermeld, dat indien de onzekerheden van materieel belang zich daadwerkelijk voordoen, ‘mitigating actions’ mogelijk zijn. Enkele ‘mitigating actions’ zijn in de toelichting op de jaarrekening genoemd.

De Accountantskamer stelt voorop dat de vermelding dat indien de onzekerheden van materieel belang zich daadwerkelijk voordoen, enkele ‘mitigating actions’ mogelijk zijn, gebaseerd dient te zijn op deugdelijke controle-informatie. Het behoorde tot de taak van [Y1] om de haalbaarheid van de ‘mitigating actions’ te evalueren. In de aan [Y1] gerichte notitie van [F] Restructuring van 14 juni 2013, die deel uitmaakt van het controledossier, wordt ingegaan op de mogelijkheden om tegenvallende resultaten op te vangen.

De Accountantskamer stelt vast dat uit het controledossier niet blijkt hoe [Y1] de haalbaarheid van de ‘mitigating actions’ heeft geëvalueerd. In dit verband is het volgende van belang:

-          Niet duidelijk is hoe de haalbaarheid van de genoemde mogelijkheid om het werkkapitaal te verbeteren door vorderingen eerder betaald te krijgen is geëvalueerd. Dit klemt te meer nu in 2012 en in de eerste maanden van 2013 de betalingstermijnen van debiteuren in (in ieder geval) Duitsland opliepen.

-          Niet duidelijk is hoe de haalbaarheid van de genoemde mogelijkheid om de betaaltermijn voor crediteuren te verlengen is geëvalueerd. Dit klemt te meer nu deze termijn al was opgerekt met vier weken. Hierbij komt dat [F] Restructuring had aangegeven dat de realisatie hiervan onzeker is en in de Independent Business Review (IBR) Duitsland van [L] was aangegeven dat hiermee een hoog risico gemoeid was.

-          Niet duidelijk is hoe de haalbaarheid van de genoemde additionele 9,9% aandelenplaatsing, die € 80.000.000 tot € 90.000.000 zou moeten opleveren, is geëvalueerd. Dit klemt te meer nu [F] Restructuring met betrekking tot deze additionele aandelenplaatsing had aangegeven dat realisatie en timing onzeker is.

-          Niet duidelijk is hoe de haalbaarheid van de genoemde mogelijkheid om bedrijfsonderdelen te verkopen is geëvalueerd. Dit klemt te meer nu [F] Restructuring heeft aangegeven dat verkoop kan leiden tot een risico in de Interest Coverage Rate in 2014.

De Accountantskamer is daarom van oordeel dat onvoldoende beoordeeld is of de ‘mitigating actions’ haalbaar zijn. Hierdoor kan niet vastgesteld worden of de in de jaarrekening gegeven toelichting voor wat betreft de going concern-veronderstelling voldoende is. [Y1] heeft hierdoor gehandeld in strijd met Standaard 620.12.

4.14.6.  Klachtonderdeel h is daarom gegrond.

4.14.7.  Geheel ten overvloede overweegt de Accountantskamer dat zij niet kan vaststellen dat de jaarrekening op grondslag van discontinuïteit had moeten worden opgesteld. Dat het oordeel van [Y1] dat weliswaar sprake is van onzekerheden van materieel belang, maar dat geen aanleiding bestond om de jaarrekening niet op grondslag van continuïteit op te maken, niet voldoende deugdelijk is onderbouwd, betekent niet dat hiermee vaststaat dat de jaarrekening op grondslag van discontinuïteit had moeten worden opgesteld.

Klachtonderdeel i:

Betrokkenen hebben onvoldoende controlewerkzaamheden verricht ten aanzien van de niet uit de balans blijkende verplichtingen van Imtech.

4.15.1.  Bij repliek hebben klagers dit klachtonderdeel voor wat betreft de controle van de toelichting van de geconsolideerde jaarrekening 2012 ingetrokken. Dit klachtonderdeel heeft enkel nog betrekking op de controle van de toelichting van de enkelvoudige jaarrekening 2012. Blijkens de door klagers gegeven toelichting op dit klachtonderdeel ziet dit niet op de toelichting met betrekking tot de door Imtech verstrekte 403-verklaringen, maar op de toelichting met betrekking tot de overige niet uit de balans blijkende verplichtingen.

4.15.2.  Naar aanleiding van het standpunt van betrokkenen dat dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk is omdat dit nauw verweven is met klachtonderdeel m van de klacht die betrekking had op de controle van de jaarrekening 2011 van Imtech overweegt de Accountantskamer als volgt.

Klachtonderdeel m van de eerdere tuchtklacht, waarover de Accountantskamer bij uitspraak van 16 december 2019 (18/276 en 18/277) een oordeel heeft gegeven, had enkel betrekking op de controle van de niet uit balans blijkende verplichtingen in de jaarrekening 2011 van Imtech. Over de controle van de niet uit de balans blijkende verplichtingen in de jaarrekening 2012 is toen niet geklaagd. Niet valt in te zien waarom klagers dit klachtonderdeel, dat betrekking heeft op een ander boekjaar dan de eerdere klacht, los van de rest van de klacht met betrekking tot de controle van de jaarrekening 2012, reeds toen hadden kunnen en moeten aanvoeren. Hieruit volgt dat dit klachtonderdeel ontvankelijk is.

4.15.3.  Voor de beoordeling van hoe is omgegaan met de niet uit de balans blijkende verplichtingen zijn de artikelen 2:376 en 2:392, eerste lid, aanhef en onder g (oud) BW van belang. Artikel 2:376 BW luidt als volgt:

“Heeft de rechtspersoon zich aansprakelijk gesteld voor schulden van anderen of loopt hij nog risico voor verdisconteerde wissels of chèques, dan worden de daaruit voortvloeiende verplichtingen, voor zover daarvoor op de balans geen voorzieningen zijn opgenomen, vermeld en ingedeeld naar de vorm der geboden zekerheid. Afzonderlijk worden vermeld de verplichtingen die ten behoeve van groepsmaatschappijen zijn aangegaan.”  

De tekst van artikel 2:392, eerste lid, aanhef en onder g, BW luidde ten tijde van deze controle als volgt:

“Het bestuur voegt de volgende gegevens toe aan de jaarrekening en het jaarverslag:

g. een opgave van de gebeurtenissen na de balansdatum met belangrijke financiële gevolgen voor de rechtspersoon en de in zijn geconsolideerde jaarrekening betrokken maatschappijen tezamen, onder mededeling van de omvang van die gevolgen.”

De externe accountant dient te onderzoeken of de enkelvoudige jaarrekening voldoet aan deze bepalingen.

4.15.4.  Dit klachtonderdeel richt zich met name op hetgeen niet in note 14 van de toelichting van de enkelvoudige jaarrekening is opgenomen, namelijk de risico’s met betrekking tot Duitsland en Polen. Het gaat volgens klagers om:

a.       de ‘Letter of Comfort’ die op 26 april 2013 ten behoeve van Duitsland is afgegeven;

b.      de mogelijke gevolgen van het negatieve eigen vermogen bij Polen, namelijk dat (aanzienlijke) bijstortingen nodig zijn om een faillissement te voorkomen;

c.       mogelijke dividendterugbetaling aan Duitsland ter grootte van € 70.000.000, welke dividenden over 2010 en 2011 zijn uitgekeerd, maar waarvoor nu blijkt door de onregelmatigheden geen ruimte te zijn, en

d.      de overige aan Duitsland verstrekte garanties die nodig waren gezien de zwakke financiële positie van Duitsland.

De Letter of Comfort is na balansdatum afgegeven door Royal Imtech aan haar 100% dochtermaatschappij Imtech Duitsland. In deze overeenkomst is aangegeven dat Royal Imtech financiering tot een maximumbedrag van € 150.000.000 zal verstrekken indien dat nodig is voor het voortbestaan van Imtech Duitsland. Ook is aangegeven dat deze ‘internal comfort letter’ niet leidt tot claims of verplichtingen tegenover crediteuren van Imtech Duitsland. 

De Accountantskamer is van oordeel dat, waar artikel 2:392, eerste lid, aanhef en onder g BW sprak over het in de overige gegevens bij de jaarrekening en het jaarverslag opnemen van gebeurtenissen voor de gezamenlijkheid van de rechtspersoon en de in de consolidatie betrokken maatschappijen, de ‘internal comfort letter’ niet leidt tot belangrijke financiële gevolgen voor deze entiteiten tezamen. In de consolidatie vallen immers eventuele vorderingen en schulden die voortvloeien uit deze letter of comfort tegen elkaar weg. 

Voor de andere drie onderdelen van dit klachtonderdeel hebben klagers, tegenover het verweer van betrokkenen, onvoldoende onderbouwd dat de toelichting van de enkelvoudige jaarrekening voor wat betreft de niet uit de balans blijkende verplichtingen van Imtech niet voldeed aan de daarvoor geldende wettelijke voorschriften.

4.15.5.  Klachtonderdeel i is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel j:

Betrokkenen hebben bijgedragen aan de incompleetheid van en de onjuistheden in de [I]-rapportages inzake Imtech Polen, Imtech Duitsland en Imtech Nederland, terwijl zij wisten dat deze rapportages ten grondslag lagen aan het Report to Shareholders, waarin verantwoording werd afgelegd aan derden, en zij hebben bij de door hen uitgevoerde controlewerkzaamheden ten onrechte gebruik gemaakt van deze rapportages.

4.16.1.  Naar aanleiding van het standpunt van betrokkenen dat dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk is omdat dit nauw verweven is met de klacht die betrekking had op de controle van de jaarrekening 2011 van Imtech (18/276 en 18/277) en met de klacht die betrekking had op de werkzaamheden die in het najaar van 2012 en in januari 2013 zijn verricht (18/1193 en 18/1194) overweegt de Accountantskamer als volgt.

De eerdere door klagers ingediende klachten hebben geen betrekking op het door betrokkenen bijdragen aan en gebruik maken van door [I] opgestelde rapportages. Niet valt in te zien waarom klagers dit klachtonderdeel, dat betrekking heeft op het handelen van betrokkenen in de eerste helft van 2013, los van de overige klachtonderdelen met betrekking tot het handelen van betrokkenen in die periode, eerder hadden kunnen en moeten aanvoeren. Hieruit volgt dat dit klachtonderdeel ontvankelijk is.

4.16.2.  Naar aanleiding van de berichten over onregelmatigheden heeft Imtech begin 2013 [I] benaderd om onderzoek te doen. [I] heeft verscheidene onderzoeksrapporten uitgebracht, op 6 mei 2013 met betrekking tot Imtech Polen, op 6 juni 2013 met betrekking tot Imtech Duitsland en op 14 juni 2013 met betrekking tot Imtech Nederland. Delen van deze onderzoeksrapporten maken deel uit van het controledossier. Op 18 juni 2013 heeft Imtech een ‘Report to Shareholders’ uitgebracht dat grotendeels geschreven is door [I].

4.16.3.  De Accountantskamer stelt vast dat op zichzelf genomen juist is dat [Y1] delen van de door [I] opgestelde rapportages in zijn controledossier heeft opgenomen. Er is geen regel die zich hiertegen verzet. Niet gebleken is dat [Y1] ten aanzien van de inhoud van deze rapportages onvoldoende professioneel kritisch is geweest. Uit het controledossier blijkt dat [Y1] naast de door [I] opgestelde rapportages primair gebruik heeft gemaakt van diverse andere informatiebronnen, waaronder informatie die afkomstig was van accountants van groepsonderdelen. Niet is gebleken dat de van [I] afkomstige informatie beslissend is geweest voor de professionele oordeelsvorming door [Y1].

4.16.4.  Uit de overgelegde dossierstukken blijkt dat [Y1] op bepaalde momenten vragen heeft beantwoord van medewerkers van [I] die werkten aan rapportages en/of aan het ‘Report to Shareholders’. Gesteld noch gebleken is dat [Y1] niet gerechtigd was om de in deze antwoorden verschafte informatie met [I] te delen. Niet aannemelijk is gemaakt dat [Y1] door de beantwoording van aan hem gestelde vragen heeft bijgedragen aan de door klagers gestelde incompleetheid en onjuistheid van de door [I] opgestelde rapportages.

4.16.5.  Voor wat betreft het niet corrigeren van evidente onjuistheden in het ‘Report to Shareholders’, overweegt de Accountantskamer dat dit rapport niet onder verantwoordelijkheid van [Y1], maar onder verantwoordelijkheid van de Raad van Bestuur en de Raad van Commissarissen van Imtech was opgesteld. Het behoorde ook niet tot de opdracht van [Y1] om de inhoud van dit rapport, dat geen deel uitmaakt van de jaarrekening 2012 van Imtech, te controleren.

4.16.6.  Voor zover al moet worden aangenomen dat [Y1] medeverantwoordelijk moet worden gehouden voor de inhoud van het ‘Report to Shareholders’, stelt de Accountantskamer vast dat klagers hun stelling dat dit rapport evidente onjuistheden bevat slechts met één voorbeeld hebben onderbouwd. De desbetreffende passage luidt als volgt:

“6.1.6    Future of Imtech Poland

During the course of the Corrective Actions, we have put considerable efforts into stabilising Imtech Poland and its business. Although further work needs to be done, we intend to continue the operations of Imtech Poland in the attractive market for technical service solutions in Poland.”

Anders dan klagers menen wordt in deze passage niet gesteld dat de Poolse markt in het jaar 2012 lucratief was. Zoals blijkt uit het kopje boven deze passage ziet deze passage op de toekomst van Imtech Polen, zoals de Raad van Bestuur en de Raad van Commissarissen van Imtech die destijds zagen.

4.16.7.  Klachtonderdeel j is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel k:

Betrokkenen hebben een goedkeurende accountantsverklaring in het maatschappelijk verkeer gebracht waaraan een deugdelijke grondslag ontbreekt.

4.17.1.  De Accountantskamer stelt vast dat klagers voor dit bij repliek aangevoerde klachtonderdeel enkel verwijzen naar wat ter onderbouwing van de overige klachtonderdelen is aangevoerd. De Accountantskamer is daarom van oordeel dat aan dit klachtonderdeel geen zelfstandige betekenis toekomt.

4.17.2.  Klachtonderdeel k wordt daarom buiten verdere behandeling gelaten.

Conclusie ten aanzien van [Y1]

4.18.1    De klacht zal ten aanzien van [Y1] voor wat betreft de klachtonderdelen d, g en h gegrond worden verklaard.

4.18.2.  De klacht zal ten aanzien van [Y1] voor wat betreft de klachtonderdelen a, b, e, f, i en j ongegrond worden verklaard.

Beoordeling klacht ten aanzien van [Y2]

4.19.1.  De Accountantskamer stelt voorop dat [Y2] voor de controle van de jaarrekening 2012 van Imtech ‘engagement partner’ was, waar [Y1] optrad als de externe accountant/groepsaccountant. Na de ontdekking van onregelmatigheden is het opdrachtteam begin 2013 fors uitgebreid en versterkt, onder meer met vijf andere partners naast [Y2]. De taken van de partners zijn verdeeld, waarbij [Y2] met name verantwoordelijk was voor de divisies Nordic en Marine. [Y2] kan niet op een wijze die vergelijkbaar is met [Y1], als de externe accountant, verantwoordelijk worden gehouden voor de hele controle. Dat zij heeft deelgenomen aan belangrijke vergaderingen met de Raad van Bestuur, de Raad van Commissarissen en de Audit Commissie van Imtech maakt dit niet anders. Wel kan [Y2] verantwoordelijk worden gehouden voor de bij de controle door haar uitgevoerde werkzaamheden.

4.19.2.  De Accountantskamer zal hierna voor wat betreft de klachtonderdelen a, b, d, e, f, g, h, i en j nagaan in hoeverre [Y2] verantwoordelijk kan worden gehouden voor de gedragingen waarover geklaagd wordt:

Klachtonderdeel a:

Uit de stukken in het dossier blijkt dat [Y2] op 18 juni 2013 documenten heeft gereviewed in verband met Imtech Polen. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat zij meer dan slechts marginaal betrokken is geweest bij het onderzoek naar de cash pool tussen Imtech Polen en Imtech Duitsland. Zij kan dan ook verantwoordelijk worden gehouden voor haar gedragingen waar dit klachtonderdeel op ziet.

Klachtonderdeel b:

Dat [Y2] in november 2012 een ‘Early warning memorandum draft Poland’ voor review heeft afgetekend, is onvoldoende om haar - zoals klagers menen - mede verantwoordelijk te houden voor wat is gebeurd in het kader van de controle met betrekking tot de in maart 2013 gesloten schikkingsovereenkomst in verband met het [H]-project. Dat zij per e-mail kopieën van enkele stukken heeft gehad, maakt dit niet anders.

Klachtonderdeel d:

Dat [Y2] enkele stukken die betrekking hebben op afboekingen heeft gereviewd, is op zichzelf genomen onvoldoende om voor aannemelijk te houden dat [Y2] medeverantwoordelijk was voor de gehele controle van de hoogte van de afboekingen tot een bedrag van € 370.000.000. Klagers hebben niet concreet aangegeven wat zij [Y2] voor wat betreft de door haar gereviewde afboekingen verwijten. Het door [Y2] gereviewde document “Memo overwegingen controle aanpak na ontdekking van onregelmatigheden” dateert van na afgifte van de controleverklaring. Dit memo is slechts een overzichtsmemo en bevat geen nadere controle-informatie.

Klachtonderdeel e:

[Y2] was verantwoordelijk voor de controle van [J], als onderdeel van Imtech Marine. Zij kan daarom in beginsel verantwoordelijk worden gehouden voor haar gedragingen waar dit klachtonderdeel op ziet. Omdat [Y2] met ingang van 17 juli 2013 op vakantie was en niet betrokken was bij de onderzoeken die leidden tot de mededeling in de BAVA van 2 augustus 2013, kan zij niet verantwoordelijk worden gehouden voor wat  op 17 juli 2013 en daarna is gebeurd.

Klachtonderdeel f:

Dat [Y2] enkele stukken die betrekking hebben op het [O]-project heeft gereviewed, is op zichzelf genomen onvoldoende om voor aannemelijk te houden dat [Y2] medeverantwoordelijk was voor dit onderdeel van de controle van Imtech Duitsland. Klagers hebben niet concreet aangegeven wat zij [Y2] voor wat betreft de door haar gereviewde stukken verwijten.

Klachtonderdeel g:

[Y2] heeft gemotiveerd aangegeven dat zij weliswaar verantwoordelijk was voor het toezicht op de controles van de divisies Imtech Nordic en Imtech Marine, maar dat de controle van de aan deze divisies toegerekende goodwill door anderen plaatsvond. Klagers hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Dat [Y2] per e-mail kopieën van enkele stukken heeft gehad die betrekking hebben op het testen van de toegerekende goodwill, maakt dit zonder nadere onderbouwing van haar handelen op dit punt niet anders. Zij kan hiervoor dan ook niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden.

Klachtonderdeel h:

Vast staat dat [Y2] aanwezig is geweest bij enkele besprekingen over de continuïteit van Imtech. Hiermee is aannemelijk dat zij betrokken is geweest bij werkzaamheden in verband met dit onderwerp. Hoe ver deze betrokkenheid ging, wordt uit de overgelegde dossierstukken echter niet duidelijk. Anders dan klagers menen, blijkt uit het door [Y2] opgestelde Memo review IBR rapporten, van 15 mei 2013, niet dat sprake is geweest van een intensieve betrokkenheid van [Y2] bij dit onderwerp. Dit memo heeft niet specifiek betrekking op het onderwerp continuïteit. Niet is aangetoond dat [Y2] tuchtrechtelijk medeverantwoordelijk kan en moet worden gehouden voor de gedragingen waarover in dit klachtonderdeel wordt geklaagd. Klagers hebben niet concreet aangegeven wat zij [Y2] voor wat betreft de werkzaamheden waarvan vaststaat dat zij deze wel heeft verricht, verwijten.

Klachtonderdeel i:

[Y2] heeft niet bestreden dat zij medeverantwoordelijk kan worden gehouden voor de gedragingen waar dit klachtonderdeel betrekking op heeft. Zij heeft controlestap 4.6.2.C.28.0010 inzake de controle van de niet uit de balans blijkende verplichtingen in het controledossier afgetekend.

Klachtonderdeel j:

[Y2] heeft gemotiveerd aangegeven dat zij de door [I] geschreven rapporten en concept-versies van het ‘Report to Shareholders’ weliswaar heeft ontvangen, maar dat zij deze stukken niet heeft beoordeeld. Het enkele ontvangen van kopieën van deze stukken is onvoldoende om haar verantwoordelijk te houden voor de gedragingen waar dit klachtonderdeel betrekking op heeft.

4.19.3.  [Y2] kan gelet op wat hiervoor is overwogen niet verantwoordelijk worden gehouden voor de gedragingen waar de klachtonderdelen b, d, e (voor wat betreft de periode vanaf 17 juli 2013), f, g, h en j betrekking op hebben. Deze klachtonderdelen zijn daarom ongegrond.

4.19.4.  [Y2] kan gelet op wat hiervoor is overwogen wel verantwoordelijk worden gehouden voor de gedragingen waar de klachtonderdelen a, e (voor wat betreft de periode tot en met 16 juli 2013) en i betrekking op hebben. Er is geen reden om voor wat betreft [Y2] ten aanzien deze klachtonderdelen anders te oordelen dan ten aanzien van [Y1] is geoordeeld, namelijk dat de verwijten ongegrond zijn. Deze klachtonderdelen zijn daarom ook ten aanzien van [Y2] ongegrond.

4.20.      De tegen [Y2] ingediende klacht is daarom op alle onderdelen ongegrond.

5.             De maatregel

5.1.         Omdat de tegen [Y1] ingediende klacht (gedeeltelijk) gegrond is, kan een tuchtrechtelijke maatregel worden opgelegd. De maatregel van berisping is hier passend en geboden. Daarbij is in aanmerking genomen dat betrokkene deels niet zorgvuldig heeft  gehandeld bij het uitvoeren van de controle. Hij heeft op onderdelen niet in overeenstemming gehandeld met de voor hem geldende vaktechnische en overige beroepsvoorschriften en daarmee niet aan de voor hem relevante wet- en regelgeving voldaan. Betrokkene heeft dan ook gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en van professioneel gedrag, als bedoeld in artikel A-100.4, onder c en e, van de VGC. Betrokkene is tekortgeschoten in het vastleggen van controledocumentatie. Het voorgaande klemt te meer nu Imtech een beursgenoteerde onderneming was met vele aandeelhouders, obligatiehouders, andere schuldeisers en werknemers. Dit gegeven bracht voor betrokkene een bijzondere verantwoordelijkheid mee.

5.2.        Voor fouten als waarvan hier sprake is, is een tijdelijke doorhaling van de inschrijving als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d, Wtra in beginsel aangewezen. De Accountantskamer ziet in de bijzondere omstandigheden van deze klacht aanleiding om in dit geval te volstaan met oplegging van de maatregel van berisping. Hiertoe is van belang dat sprake is van verschillende, met elkaar samenhangende en elkaar opvolgende, zeer omvangrijke klachten met betrekking tot controles van dezelfde onderneming.

6.             De beslissing

De Accountantskamer:

·         laat klachtonderdeel k buiten behandeling;

·         verklaart de tegen [Y2] ingediende klacht ongegrond;

·         verklaart de klachtonderdelen a, b, e, f, i en j ten aanzien van [Y1] ongegrond;

·         verklaart de klachtonderdelen d, g en h ten aanzien van [Y1] gegrond;

·         legt aan [Y1] op de maatregel van

- berisping;

·         verstaat dat de AFM en de voorzitter van de Nba na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven;

·         verstaat dat, op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra, [Y1] het door klagers betaalde griffierecht ten bedrage van € 70,-- (zeventig euro) aan klagers vergoedt.

Aldus beslist door mr. A.A.A.M. Schreuder, voorzitter, mr. A.D.R.M. Boumans en mr. C.H. de Haan (rechterlijke leden) en P. Mansvelder RA en mr. drs. J.B. Backhuijs RA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2021.

_________                                                                                                                     __________

secretaris                                                                                                                          voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.


[1] ECLI:NL:TACAKN:2015:83 en ECLI:NL:TACAKN:2015:101

[2] ECLI:NL:CBB:2017:54