Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TNORSHE:2020:12 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2019/50

ECLI: ECLI:NL:TNORSHE:2020:12
Datum uitspraak: 20-04-2020
Datum publicatie: 05-06-2020
Zaaknummer(s): SHE/2019/50
Onderwerp:
  • Personen- en Familierecht
  • Personen- en Familierecht
Beslissingen:
  • Klacht niet-ontvankelijk
  • Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Samengevat verwijten klagers de notaris dat hij onjuist en klachtwaardig heeft gehandeld door aan hen geen afschrift of uittreksel te verstrekken van het dossier met betrekking tot de notariële volmacht van erflaatster, meer specifiek door aan hen geen afschrift of uittreksel te verstrekken van de aantekeningen van de bespreking tussen de oud-notaris, erflaatster en [klager 6] in april 2011. De notaris heeft volgens klagers gehandeld in strijd met zijn zorgplicht ten opzichte van de gezamenlijke erfgenamen van erflaatster en daarmee een voedingsbodem gegeven voor een geschil tussen de erfgenamen. De notaris heeft met een beroep op de notariële geheimhoudingsplicht geweigerd inzage te geven in het betreffende dossier en de van dat dossier deel uitmakende gespreksaantekeningen. De kamer volgt de notaris in zijn verweer. De kamer heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat de notaris - die het protocol van de oud-notaris heeft overgenomen en ook met betrekking tot hetgeen vóór zijn ambtsperiode werd toevertrouwd en aan de bij zijn protocol behorende archieven werd toegevoegd een geheimhoudingsplicht heeft - zich in de gegeven omstandigheden ten onrechte op zijn geheimhoudingsplicht jegens klagers beroept. Bij dit oordeel weegt mee dat het ambtsgeheim niet beperkt is tot datgene wat zijn weerslag in een akte vindt. Ook hetgeen aan de oud-notaris schriftelijk of mondeling door erflaatster en/of [klager 6] is meegedeeld, valt in beginsel onder de geheimhouding, evenals de door de oud-notaris zelfgemaakte aantekeningen van gedachtewisselingen met erflaatster en [klager 6]. Nader onderzoek in het kader van deze klachtprocedure acht de kamer daarom niet noodzakelijk.        De klacht wordt niet-ontvankelijk verklaard voor zover deze ziet op het verzoek om het overleggen van stukken en de klacht wordt voor het overige ongegrond verklaard.

Klachtnummer    : SHE/2019/50

Datum uitspraak : 20 april 2020

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH

De kamer voor het notariaat neemt de volgende beslissing naar aanleiding van de klacht van:

1. [klaagster 1] ,

2. [klager 2] ,

3. [klaagster 3] ,

4. [klager 4] ,

5. [klager 5] ,

6. [klager 6] ,

7. [klaagster 7] (hierna samen ook: klagers),

gemachtigde: [naam],

tegen

[de notaris] (hierna: de notaris),

gevestigd in [vestigingsplaats].

1.          De procedure

 1.1.       Bij e-mailbericht van 15 augustus 2019 hebben klagers een klacht geformuleerd tegen de notaris. Dit e-mailbericht (met bijlagen) is op dezelfde datum door de kamer voor het notariaat (de kamer) ontvangen. Op verzoek van de kamer heeft de gemachtigde van klagers daarna nog stukken aan de kamer gestuurd, waaruit blijkt dat klagers hem hebben gemachtigd om deze procedure namens hen te voeren.

1.2.       Bij brief van 18 september 2019 heeft de kamer een kopie van de klacht aan de notaris gezonden en hem verzocht om zijn standpunt binnen drie weken kenbaar te maken.

1.3.       De notaris heeft verzocht uitstel te verlenen voor het indienen van een inhoudelijk verweer. De plaatsvervangend voorzitter van de kamer heeft het verzochte uitstel verleend.  

1.4.       De notaris heeft bij brief van 28 oktober 2019 een verweerschrift ingediend.

1.5.       De klacht is behandeld tijdens de openbare zitting van de kamer van 17 februari 2020, waarbij namens klagers [klaagster 3], [klager 5], [klager 6], [klaagster 7] en de gemachtigde van klagers zijn verschenen. Ook de notaris en de bij hem werkzame kandidaat-notaris, mevrouw mr. [naam] (hierna: de kandidaat-notaris), zijn verschenen. Partijen hebben hun visie op de klacht over en weer toegelicht. De gemachtigde van klagers heeft dat mede aan de hand van pleitnotities en ter zitting overgelegde bijlagen gedaan, welke stukken hij aan de kamer heeft overhandigd.

2.          De feiten

2.1.       Klagers zijn de gezamenlijke erfgenamen in de nalatenschap van hun (groot)moeder, mevrouw [naam], die op [datum] 2018 is overleden. Hun (groot)vader was al eerder, op [datum] 2002, overleden.

Klagers 1 tot en met 6 zijn geboren uit het huwelijk van vader en moeder. Hun zus, mevrouw [naam], is op [datum] 2011 overleden met achterlating van een zoon en een dochter. Deze  zoon is later ook overleden. De dochter (klaagster 7) is in plaats van haar moeder erfgename in de  nalatenschap van haar grootmoeder.

2.2.       (Groot)moeder (hierna: erflaatster) heeft voor het laatst bij testament van 12 september 2000 over haar nalatenschap beschikt. Dat testament, dat is gepasseerd door een andere notaris, bevat een ouderlijke boedelverdeling als bedoeld in artikel 4:1167 Burgerlijk Wetboek (oud). Verder heeft erflaatster daarbij - voor zover van belang voor deze procedure - onder andere bepaald:

“Voor het geval ik de langstlevende ben van mij en mijn echtgenoot en ingeval van ons gelijktijdig

overlijden maak ik de volgende beschikkingen:

Ik legateer vooraf en vrij van successierechten welke uit mijn nalatenschap dienen te worden voldaan:

-          aan mijn zoon [klager 5] , een bedrag in contanten ad tweehonderd duizend gulden (fl. 200.000,--,) (…)

-          aan mijn zoon [klager 6] , een bedrag in contanten ad eenhonderd tachtig duizend gulden (fl. 180.000,--) (…)

Onder bezwaar van vorenstaande wens ik dat mijn nalatenschap overigens volgens de wet vererft.

                VRIJSTELLING INBRENG

Ik bepaald uitdrukkelijk dat mijn erfgenamen zijn vrijgesteld van inbreng van schenkingen in mijn

nalatenschap.”

2.3.       In een brief aan erflaatster van 22 maart 2011 hebben de kinderen (klagers 1 tot en met 6 en  hun later overleden zus) naar voren gebracht dat hun vader de kinderen allemaal in één of andere vorm  een schenking had gegeven of toegezegd, maar dat [klager 5] en [klager 6] deze, behalve een aantal jaarlijkse schenkingen, nog niet hadden gekregen. Daarbij hebben de kinderen meegedeeld dat erflaatster zich geen zorgen hoeft te maken over haar financiële situatie en hebben zij haar onder andere als volgt bericht:

“(…) In het testament van Pap heeft hij destijds bepaald dat [klager 5] en [klager 6] na het overlijden van jou uitbetaald zouden worden. Het schenkingsbedrag voor [klager 5] en [klager 6] is in 2000 in het testament aangepast t.o.v. de schenkingen van de andere kinderen in verband met de inflatie enz. Doordat die bedragen gefixeerd zijn, zijn zij (en mogelijk ook [klager 4] enigszins) achteraf gezien wel wat onderbedeeld ten opzichte van de kinderen die wel in contanten zijn uitbetaald.

(…)

Wij willen je vragen om de situatie van [klager 5] en [klager 6] (en [klager 4] ) te herzien door een aanpassing van jouw testament aan te laten brengen. Daarnaast willen wij je vragen om [klager 6] te machtigen om een hypotheek op het huis te nemen. Dan kan er voor jou altijd voldoende bestedingsruimte gecreëerd worden en kan [klager 5] deels eerder uitbetaald worden.

In de bijlage staat precies omschreven welke wijzigingen en machtigingen wij voorstellen.

(…)”

2.4.       In april 2011 hebben erflaatster en [klager 6] een gesprek gehad met (inmiddels oud-)notaris de heer mr. [naam] (hierna: de oud-notaris), destijds kantoorgenoot van de notaris. Naar aanleiding van die bespreking heeft erflaatster een (notariële) algemene volmacht verstrekt aan [klager 6]. Haar testament is niet aangepast.

2.5.       Nadat erflaatster in de ochtend van [datum] 2018 was overleden, heeft de kandidaat-notaris in de middag een gesprek gehad met [klager 6], klager 4 en de gemachtigde van klagers. Op dat moment was het echter nog niet mogelijk om inzage te doen in het Centraal Testamenten Register.

2.6.       Klagers hebben op 27 september 2018 opdracht gegeven aan de notaris voor het opstellen van  een verklaring van erfrecht als gevolg van het overtijden van erflaatster en voor het begeleiden van de  afwikkeling van de nalatenschap.

2.7.       In verband met de verdeling van de nalatenschap is bij klagers de vraag gerezen of de bedragen die erflaatster aan [klager 5] en [klager 6] had gelegateerd, al dan niet moesten worden geïndexeerd vanaf het moment van overlijden van (groot)vader. Op 12 oktober 2018 heeft de kandidaat-notaris een bespreking gehad met [klager 5], [klager 6] en de gemachtigde van klagers, waarbij de kandidaat-notaris duidelijk heeft gemaakt dat op grond van het testament van erflaatster geen sprake is van indexering van de legaten aan [klager 5] en [klager 6]. Bij die bespreking hebben [klager 5], [klager 6] en de gemachtigde van klagers de kandidaat-notaris gevraagd naar de inhoud van het dossier van de oud-notaris uit 2011 in verband met het opstellen van de algemene volmacht van erflaatster.

2.8.       Namens de notaris heeft de kandidaat-notaris klagers bij e-mailbericht van 2 november 2018 bericht dat er in het dossier uit 2011 alleen summiere aantekeningen zitten en dat zij desgewenst met de notaris zal overleggen of deze aantekeningen aan klagers kunnen worden verstrekt. Klagers hebben

haar bij e-mailbericht van diezelfde dag gevraagd om deze aantekeningen aan hen te geven. Vervolgens heeft de kandidaat-notaris klagers bij e-mailbericht van 23 november 2018 onder andere als volgt bericht:

“Inmiddels heb ik overleg gehad met [de notaris] en kan ik u als volgt berichten.

Ook [de notaris] is van menig dat wij het dossier aangaande de notariële volmacht van uw moeder niet kunnen verstrekken gelet op onze geheimhoudingsplicht. Wij zullen dan ook niet overgaan tot het geven van inzage in het dossier. (…)”

2.9.       Klagers hebben de nalatenschap van erflaatster beneficiair aanvaard. De notaris heeft op 11 december 2018 een verklaring van erfrecht opgesteld.

2.10.      In verband met de weigering van de notaris om inzage te verlenen in het dossier van de oud-notaris heeft de gemachtigde van klagers advies gevraagd aan een advocaat. Bij brief van 15 januari  2019 heeft deze advocaat de notaris gewezen op de bespreking die erflaatster en [klager 6] in april 2011 met de oud-notaris hadden gehad. Daarover heeft de advocaat het volgende meegedeeld:

[klager 6] heeft de gezamenlijke erfgenamen bericht dat tijdens deze bespreking met [de oud-notaris] ook  het punt van (het ontbreken van) de indexatieclausule door hem ter sprake is gebracht. [De oud-notaris] zou vervolgens hebben aangegeven dat op deze legaten wel een indexatieclausule van toepassing zou zijn en dat er derhalve geen noodzaak was om het testament op dit punt aan te passen.

Na het overlijden van erflaatster bleek dat de legaten op grond van het testament van erflaatster toch  niet werden geïndexeerd.”

Namens alle erfgenamen heeft de advocaat de notaris gevraagd alsnog een afschrift te verstrekken van de gespreksaantekeningen van de oud-notaris.

2.11.      Namens de notaris heeft de kandidaat-notaris de advocaat van klagers bij brief van 25 januari 2019 bericht dat het beroep op de geheimhoudingsplicht wordt gehandhaafd. In verband met de legaten heeft de kandidaat-notaris onder andere het volgende meegedeeld:

“Pas op het moment van overlijden van [erflaatster] is er aldus een vorderingsrecht tot afgifte van het gelegateerde geldbedrag ontstaan. Een oprenting die in zou gaan ten tijde van het overlijden van hun vader (…) is aldus zonder meer niet aan de orde, in tegenstelling tot de vorderingen van de kinderen uit hoofde van de nalatenschap van [vader] als gevolg van de werking van de ouderlijke boedelverdeling. Deze vorderingen dragen op grond van het testament een rente gelijk aan de wettelijke rente vanaf de dag van zijn overlijden tot aan die van voldoening van het verschuldigde. Wij verwachten dan ook dat daar wellicht destijds de verwarring over is ontstaan, maar dat doet niet af aan de werking van het testament zoals hiervoor omschreven. (…)”

2.12.      Daarna is er contact geweest tussen de advocaat van klagers en de notaris en heeft de advocaat de notaris bij e-mailbericht van 15 februari 2019 bericht dat inzage in de gespreksaantekeningen van de oud-notaris noodzakelijk is voor een harmonieuze afwikkeling van de nalatenschap. In reactie op dat bericht heeft de notaris de advocaat van klagers bij e-mailbericht van diezelfde dag meegedeeld geen reden te zien om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen, waarbij hij heeft toegevoegd:

“Wel kunnen wij mededelen dat uit de aantekeningen van [de oud-notaris] niets blijkt van over “oprenting van legaten”. Nu het testament duidelijk is, komen we aan uitleg niet toe.”

3.          De klacht

3.1.       Samengevat verwijten klagers de notaris dat hij onjuist en klachtwaardig heeft gehandeld door  aan hen geen afschrift of uittreksel te verstrekken van het dossier met betrekking tot de notariële volmacht van erflaatster, meer specifiek door aan hen geen afschrift of uittreksel te verstrekken van de aantekeningen van de bespreking tussen de oud-notaris, erflaatster en [klager 6] in april 2011. De notaris heeft gehandeld in strijd met zijn zorgplicht ten opzichte van de gezamenlijke erfgenamen van erflaatster en daarmee een voedingsbodem gegeven voor een geschil tussen de erfgenamen.

3.2.       De notaris heeft verweer gevoerd tegen de klacht. Voor zover dit verweer van belang is voor  de beoordeling, zal dit hierna worden besproken.

4.          De beoordeling

Reikwijdte van het tuchtrecht

4.1.       Op grond van artikel 93 lid 1 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan het tuchtrecht onderworpen. De tuchtrechter toetst of hun handelen of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en andere toepasselijke bepalingen. Ook kan de tuchtrechter toetsen of zij voldoende zorg in acht hebben genomen ten opzichte van de (rechts)personen voor wie zij optreden en of zij daarbij hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar behoort te doen.

4.2.       Voor zover klagers de kamer verzoeken om de notaris te veroordelen tot het overleggen van stukken, overweegt de kamer dat de Wna niet in deze mogelijkheden voorziet. Klagers zullen dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in deze verzoeken.

Geheimhoudingsplicht

4.3.       Aan de orde is de vraag of de notaris met een beroep op de notariële geheimhoudingsplicht  terecht heeft geweigerd inzage te geven in het dossier met betrekking tot de notariële volmacht van erflaatster en de van dat dossier deel uitmaken gespreksaantekeningen die de oud-notaris heeft gemaakt van het gesprek met erflaatster en [klager 6] in april 2011.

4.4.       Naar aanleiding van dit beroep op de notariële geheimhoudingsplicht overweegt de kamer als  volgt. Op grond van artikel 22 lid 1 Wna is een notaris in beginsel verplicht tot geheimhouding van  alle informatie waarvan hij/zij uit hoofde van zijn/haar werkzaamheden als zodanig kennis neemt.  Deze geheimhoudingsplicht staat in dienst van de vertrouwensrelatie tussen de notaris en zijn/haar  cliënt en hangt samen met de bijzondere positie van de notaris in het rechtsbestel; bij verschillende  (privaatrechtelijke) rechtshandelingen is de formele tussenkomst van de notaris voorgeschreven. Om  een vrije toegang tot de rechtsbedeling te waarborgen, is het noodzakelijk dat iedereen zich vrijelijk tot  een notaris kan wenden voor juridische bijstand of advies en daarbij verzekerd is van het vertrouwelijk  karakter van de informatie die aan de notaris wordt toevertrouwd. Dit uitgangspunt vormt de  grondslag voor de geheimhoudingsplicht en deze plicht is door de Hoge Raad erkend als algemeen  rechtsbeginsel. Het grote belang van de geheimhoudingsplicht komt onder meer tot uiting in de

strafbaarstelling van de schending van het ambts- of beroepsgeheim in artikel 272 van het Wetboek  van Strafrecht. De geheimhoudingsplicht kan alleen in uitzonderlijke omstandigheden door de  geheimhouder of door de rechter worden doorbroken.

4.5.       De vraag hoe ver de geheimhoudingsplicht van een notaris zich uitstrekt, wordt in beginsel door de betrokken notaris zelf beantwoord. Een notaris kan zich op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 van de Verordening beroeps- en gedragsregels 2011 niet door de opdrachtgever of door andere bij de rechtshandeling betrokkenen van zijn geheimhoudingsplicht laten ontslaan.

De kamer heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat de notaris - die het protocol van de oud-notaris heeft overgenomen en ook met betrekking tot hetgeen vóór zijn ambtsperiode werd toevertrouwd en aan de bij zijn protocol behorende archieven werd toegevoegd een geheimhoudingsplicht heeft - zich in de gegeven omstandigheden ten onrechte op zijn geheimhoudingsplicht jegens (de advocaat/de gemachtigde van) klagers beroept. Bij dit oordeel weegt mee dat het ambtsgeheim niet beperkt is tot datgene wat zijn weerslag in een akte vindt. Ook hetgeen aan de oud-notaris schriftelijk of mondeling door erflaatster en/of [klager 6] is meegedeeld, valt in beginsel onder de geheimhouding, evenals de door de oud-notaris zelfgemaakte aantekeningen van gedachtewisselingen met erflaatster en [klager 6]. Nader onderzoek in het kader van deze klachtprocedure acht de kamer daarom niet noodzakelijk.        

4.6.       Nu de notaris naar het oordeel van de kamer niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door zich op zijn geheimhoudingsplicht te beroepen, zal de kamer de klacht ongegrond verklaren.

5.          De beslissing

De kamer:

5.1.       verklaart de klacht niet-ontvankelijk voor zover deze ziet op het verzoek om het overleggen van stukken;

5.2.       verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. J.H.L.M. Snijders, plaatsvervangend voorzitter, mr. P.M. Knaapen, rechterlijk lid en mr. S. Lettinga, plaatsvervangend notarislid.

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2020 door mr. T. Zuidema, plaatsvervangend voorzitter.

mr. A.R. Jansen-Castelein, secretaris                           mr. T. Zuidema, plaatsvervangend voorzitter

buiten staat

Hoger beroep tegen deze beslissing is mogelijk door indiening van een verzoekschrift - binnen dertig dagen na dagtekening van de aangetekende brief waarbij van deze beslissing kennis is gegeven - bij het gerechtshof in Amsterdam, postadres: Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.