Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TNORARL:2020:25 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/364616 KL RK 20-5

ECLI: ECLI:NL:TNORARL:2020:25
Datum uitspraak: 22-07-2020
Datum publicatie: 23-10-2020
Zaaknummer(s): C/05/364616 KL RK 20-5
Onderwerp:
  • Personen- en Familierecht
  • Personen- en Familierecht
Beslissingen: Klacht gegrond met ontzegging van het waarnemerschap
Inhoudsindicatie: Zonder rechtvaardigingsgrond aan te kunnen voeren heeft de kandidaat-notaris, klaagster als erfgenaam meer dan acht jaren in onwetendheid gelaten over het bestaan en de omvang van haar erfenis. Toen klaagster eenmaal op de hoogte was van de nalatenschap, was de kandidaat-notaris traag en/of onvolledig met het verstrekken van informatie. Door deze gang van zaken zijn fundamentele ambtsbeginselen ernstig verwaarloosd en is het aanzien van en het maatschappelijk vertrouwen in het notariaat ernstig beschadigd. De kamer is van oordeel dat de kandidaat-notaris het zelfstandig werken als kandidaat-notaris niet langer kan worden toevertrouwd en dat de maatregel van ontzegging van de waarnemingsbevoegdheid voor onbepaalde duur als bedoeld in artikel 103 lid 3 Wna passend en geboden is.

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN

Kenmerk:        C/05/364616 / KL RK 20-5

beslissing van de kamer voor het notariaat

op de klacht van

de stichting Stichting Koningin Wilhelmina Fonds voor de Nederlandse Kankerbestrijding

KWF,

wonende te Amsterdam,

klaagster,

gemachtigde: mr. J.Th.M. Diks,

tegen

[N.],

kandidaat-notaris […],

gemachtigde: mr. H.F. Wolgen.

Partijen worden hierna respectievelijk klaagster dan wel KWF en de kandidaat-notaris genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit

-          de klacht, met bijlagen, van 3 januari 2020

-          het verweer van de notaris van 5 maart 2020

-          de repliek van klaagster met bijlagen van 8 mei 2020

-          de dupliek van de kandidaat-notaris van 27 mei 2020

1.2 De klachtzaak stond voor mondelinge behandeling gepland op 8 april 2020. In verband met de maatregelen rondom het corona-virus is deze zitting geannuleerd. Partijen hebben ermee ingestemd deze zaak verder schriftelijk te behandelen . Klager en de kandidaat-notaris zijn in de gelegenheid gesteld tot re- en dupliek.

2. De feiten

2.1 Op 7 november 2009 is overleden [E.] (hierna: erflater).

2.2 Erflater heeft bij testament over zijn vermogen beschikt. Dit testament is op

16 februari 2007 gepasseerd door de kandidaat-notaris, die destijds nog als notaris werkzaam was.

2.3 In het testament is bepaald: “Ik benoem de te [P.] standplaats hebbende notaris dan wel de bewaarder van diens protocol tot executeur”.

2.4 Klaagster is bij bedoeld testament onder bezwaar van een legaat samen met vier andere erfgenamen tot erfgenaam benoemd. Alle erfgenamen hebben althans namens hen is de nalatenschap van erflater beneficiair aanvaard.

2.5 Bij verklaring van executele van 18 november 2009 heeft de kandidaat-notaris, ook op dat moment nog notaris, de benoeming tot executeur aanvaard.

2.6 Per 1 maart 2010 heeft de kandidaat-notaris, destijds nog notaris in een maatschapsverband met een andere notaris, de maatschap en zijn werkzaamheden in het notariaat beëindigd. In de tweede helft van 2015 heeft de kandidaat-notaris zijn werkzaamheden in het notariaat hervat.

2.7 Klaagster is door een informeel contact met een buurtbewoner op de hoogte geraakt van het feit dat zij een van de erfgenamen van erflater was. Klaagster heeft toen contact opgenomen met de kandidaat-notaris. Op 16 januari 2018 heeft op het hoofdkantoor van klaagster een bespreking plaatsgevonden met de kandidaat-notaris.

2.8 Begin februari 2018 hebben de erfgenamen een verklaring ondertekend als bedoeld in artikel 4:150 lid 2b BW, waarbij zij hebben verklaard de bevoegdheid van de executeur tot beheer van de nalatenschap te hebben beëindigd. Hierdoor is de bevoegdheid tot beheer van de nalatenschap - die door de erfgenamen beneficiair was aanvaard - komen te liggen bij de gezamenlijke erfgenamen-vereffenaars. Laatstgenoemden hebben dit beheer door een boedelvolmacht opgedragen aan de medewerkers van de besloten vennootschap [B.W.V.] B.V..

2.9 Bij brief van 29 januari 2018 heeft klaagster na diverse eerdere verzoeken de kandidaat-notaris onder meer gesommeerd haar alle informatie over de nalatenschap ter beschikking te stellen alsmede rekening en verantwoording af te leggen.

2.10 Bij e-mail van 5 februari 2018 bericht een kantoorgenoot van de advocaat van klaagster de kandidaat-notaris dat de hierboven bedoelde informatie nog niet is ontvangen. Namens klaagster wordt de kandidaat-notaris gesommeerd de gevraagde informatie alsnog te verstrekken voor 12 februari 2018.

2.11 In genoemde e-mail van 5 februari 2018 wordt de kandidaat-notaris bovendien gesommeerd een verzoek om ontslag als executeur in te dienen bij de kantonrechter.

2.12 Op 30 juli 2018 heeft de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland de kandidaat-notaris als executeur ontslag verleend voor zover de executele nog niet zou zijn geëindigd.

3. De klacht en het verweer

3.1 Klaagster verwijt de kandidaat-notaris dat hij zijn werkzaamheden als executeur in de nalatenschap onzorgvuldig heeft verricht.

De klacht valt uiteen in de volgende klachtonderdelen.

1) Verzwijgen nalatenschap

2) Benoeming en aanvaarding daarvan door executeur niet gecommuniceerd

3) Geen of te weinig informatie over de nalatenschap verstrekt

4) Geen tijdige en deugdelijke boedelbeschrijving verstrekt en opgesteld

5) Geen deugdelijke rekening en verantwoording afgelegd

6) Vertrouwen erflater beschaamd

7) Schending van het algemeen belang door trage afhandeling nalatenschap

3.2 Op de toelichting van de klachtonderdelen en het verweer van de kandidaat-notaris zal de kamer hierna, voor zover het verweer van belang is voor de beoordeling, nader ingaan.

4. De beoordeling

Norm

4.1.1 Ingevolge artikel 93 lid 1 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan het tuchtrecht onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris niet betaamt. De kamer dient derhalve te onderzoeken of de handelwijze van de kandidaat-notaris een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

4.1.2 De hierboven beschreven norm wordt onder meer nader ingevuld door de bepaling van artikel 17 lid 1 Wna waarin wordt bepaald dat de notaris zijn ambt in onafhankelijkheid uitoefent en de belangen behartigt van alle bij de rechtshandeling betrokken partijen, op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid.

Ontvankelijkheid

4.2.1 Uit het bovenstaande volgt dat iedere (kandidaat- of toegevoegd) notaris aansprakelijk is voor zijn eigen doen en laten. De mogelijkheid dat in voorkomend geval een (andere) notaris tuchtrechtelijk (mede-)aansprakelijk kan zijn voor het handelen of nalaten van een (kandidaat- of toegevoegd) notaris, neemt niet weg dat de (kandidaat- of toegevoegd) notaris in de eerste plaats zelf tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid draagt voor zijn doen en laten. Deze verantwoordelijkheid heeft na-werking, dat wil zeggen volgt de persoon, ook wanneer deze op enig moment geen (kandidaat- of toegevoegd) notaris meer zou zijn.

4.2.2 Bovendien is niet gesteld of gebleken dat de kandidaat-notaris bij zijn vertrek uit het notariaat per 1 maart 2010 zijn ontslag als executeur heeft ingediend. Uit de stukken volgt voorts dat de kandidaat-notaris vanaf zijn vertrek als notaris zijn werkzaamheden als executeur ook gewoon heeft voortgezet, tot 2013 vanuit het kantoor van zijn opvolger en nadien vanuit zijn eigen woning. Onder deze omstandigheden moet het ervoor gehouden worden dat de kandidaat-notaris vanaf de aanvaarding van de executele steeds de executeur is gebleven.

4.2.3 Een en ander betekent dat het gegeven dat de kandidaat-notaris inmiddels niet meer als notaris werkzaam is en zelfs enige tijd helemaal niet in het notariaat werkzaam geweest is, niet afdoet aan de tuchtrechtelijke aansprakelijkheid van de kandidaat-notaris voor zijn doen en nalaten. Deze aansprakelijkheid geldt niet alleen voor het doen en laten van de kandidaat-notaris destijds als notaris-executeur, maar ook voor zijn doen en laten als executeur toen hij per 1 maart 2010 niet langer als notaris werkzaam was. Hetzelfde tenslotte geldt voor hetgeen de kandidaat-notaris vanaf de tweede helft van 2015 in zijn hoedanigheid van kandidaat-notaris als executeur heeft gedaan en nagelaten.

4.2.3 Klaagster kan daarom in haar klacht worden ontvangen.

Inhoudelijk

4.3.0 De kamer is van oordeel dat het verwijt van klaagster aan het adres van de kandidaat-notaris in een aantal opzichten terecht is. De notaris heeft zijn werkzaamheden niet naar behoren verricht. De redenen voor dit oordeel worden hierna per klachtonderdeel toegelicht.

 4.3.1) Verzwijgen nalatenschap

Vaststaat dat de kandidaat-notaris klaagster gedurende een groot aantal jaren niet heeft benaderd, terwijl klaagster erfgename is. De kandidaat-notaris had klaagster met bekwame spoed moeten berichten dat hij tot executeur was benoemd en die benoeming had aanvaard en dat klaagster erfgename was. In zoverre is er sprake van verzwijgen en dit valt de kandidaat-notaris te verwijten. De klacht wordt daarom op dit onderdeel gegrond verklaard.

4.3.2) Benoeming en aanvaarding daarvan door executeur niet gecommuniceerd

Uit de bespreking van het voorgaande klachtonderdeel volgt dat ook dit klachtonderdeel - voor zover het naast klachtonderdeel 1) zelfstandige betekenis heeft - gegrond verklaard moet worden.

4.3.3) Geen of te weinig informatie over de nalatenschap verstrekt

Uit de bespreking van de voorgaande klachtonderdelen volgt reeds dat de kandidaat-notaris klaagster in de periode van eind 2009 tot begin 2018 inderdaad geen informatie over de nalatenschap heeft verstrekt.

Uit de stukken volgt bovendien dat de kandidaat-notaris ook nadat klaagster bekend was geraakt met het feit dat erflater haar tot mede-erfgenaam had benoemd zeer traag is geweest met het verstrekken van informatie aan klaagster. Klaagster heeft de kandidaat-notaris herhaalde malen verzocht en gesommeerd de informatie, tot verstrekking waarvan de kandidaat-notaris als executeur gehouden was, ook daadwerkelijk aan klaagster te verstrekken. De kandidaat-notaris heeft aan deze verzoeken en sommaties geen althans onvoldoende gehoor gegeven. Dit klachtonderdeel wordt daarom terecht voorgesteld.

4.3.4) Geen tijdige en deugdelijke boedelbeschrijving verstrekt en opgesteld

Ook op het punt van de boedelbeschrijving is de kandidaat-notaris in gebreke gebleven.

De kandidaat-notaris heeft zodoende in strijd gehandeld onder meer met de bepaling van artikel 4:162 lid 2 BW waarin wordt bepaald dat de executeur met bekwame spoed een boedelbeschrijving moet opmaken. Deze verplichting is hij niet nagekomen . Ook dit klachtonderdeel wordt dus gegrond verklaard.

4.3.5) Geen deugdelijke rekening en verantwoording afgelegd

Vast is komen te staan dat de kandidaat-notaris na de beëindiging van zijn beheer als executeur van de nalatenschap (uiteindelijk) het dossier van de nalatenschap aan de vereffenaars ter beschikking heeft gesteld. Daarmee heeft de kandidaat-notaris echter nog niet de rekening en verantwoording afgelegd als in dit geval verplicht op grond van artikel 4:151 BW. De klacht is daarom dus ook op dit punt gegrond.

4.3.6) Vertrouwen erflater beschaamd

Ook dit klachtonderdeel is gegrond. Het spreekt immers voor zichzelf dat de kandidaat-notaris niet heeft gehandeld als van hem, ook door destijds de erflater, mocht worden verwacht.

4.3.7) Schending van het algemeen belang door trage afhandeling nalatenschap

Het rechtsverkeer moet erop kunnen vertrouwen dat een (kandidaat- of toegevoegd)notaris de bij of krachtens wet aan hem opgedragen taken zorgvuldig vervult. Terecht stelt klaagster zich op het standpunt dat de kandidaat-notaris door zijn handelwijze in deze zaak dit vertrouwen en daarmee het algemeen belang ernstig heeft geschonden. Ook op dit onderdeel dient deze klacht gegrond te worden verklaard.

4.4) Maatregel

4.4.1 De kamer is van oordeel dat de kandidaat-notaris zijn werkzaamheden in deze zaak zodanig onzorgvuldig heeft verricht, dat oplegging van een maatregel passend en geboden is. Bij de bepaling van de zwaarte van de maatregel weegt de kamer het volgende mee.

Zonder ook maar één enkele geldige rechtvaardigingsgrond aan te kunnen voeren heeft de kandidaat-notaris, klaagster als erfgenaam gedurende ruim 8 jaren in onwetendheid gelaten over het bestaan en de omvang van haar erfenis. Ook nadien, toen klaagster eenmaal op de hoogte was van de nalatenschap, was de kandidaat-notaris traag en/of onvolledig met het verstrekken van informatie. Door deze nalatigheden zijn de fundamentele ambtsbeginselen van integriteit, zorgvuldigheid en onpartijdigheid in ernstige mate verwaarloosd en is het aanzien van en het maatschappelijk vertrouwen in het notariaat grote schade berokkend. De kamer is van oordeel dat de kandidaat-notaris door zijn aanhoudende nalatigheden het zelfstandig werken als kandidaat-notaris niet langer kan worden toevertrouwd en dat de  maatregel van ontzegging van de waarnemingsbevoegdheid voor onbepaalde duur als bedoeld in artikel 103 lid 3 Wna passend en geboden is.

4.5 Griffierecht

Omdat de kamer de klacht gegrond verklaart, dient de kandidaat-notaris op grond van

artikel 99 lid 5 Wna het door klagers betaalde griffierecht van € 50,- aan hen te vergoeden.

4.6.Kostenveroordeling

4.6.1 De kamer ziet aanleiding om de kandidaat-notaris, gelet op artikel 103b lid 1 sub a Wna en de tijdelijke richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat (hierna: tijdelijke richtlijn), te veroordelen in de kosten die klagers in verband met de behandeling van de klacht redelijkerwijs hebben moeten maken, forfaitair vastgesteld op een bedrag van € 50,-.

4.6.2 De kamer ziet voorts aanleiding om de kandidaat-notaris, gelet op artikel 103b lid 1 sub b Wna en de tijdelijke richtlijn, te veroordelen in de advocaatkosten in dit geval vastgesteld op een punt voor het voeren van verweer een punt het indienen van dupliek, of te wel op 2 x € 500,00 = € 1.000,00.

De kandidaat-notaris dient deze kosten en het griffierecht genoemd in alinea 4.5 binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan klaagster te vergoeden. Klagers dienen daarvoor tijdig hun rekeningnummer schriftelijk door te geven aan de kandidaat-notaris.

4.6.3 Verder ziet de kamer aanleiding om de kandidaat-notaris, gelet op artikel 103b lid 1 sub b Wna en de tijdelijke richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat, te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Deze kosten worden vastgesteld op € 3.500,-. De kamer bepaalt dat deze kosten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing moeten worden betaald aan de kamer. De kandidaat-notaris ontvangt hiervoor een nota van het LDCR te Utrecht.

4.7 Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. De beslissing

De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden

- verklaart alle klachtonderdelen gegrond;

- legt de kandidaat-notaris op de maatregel van ontzegging van de waarnemingsbevoegdheid    voor onbepaalde duur als bedoeld in artikel 103 lid 3 Wna;

- veroordeelt de kandidaat-notaris tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klagers op de wijze en binnen de termijn als hierboven onder alinea 4.6 bepaald;

- veroordeelt de kandidaat-notaris tot betaling van de kosten van klagers, vastgesteld op een bedrag van € 50,-, op de wijze en binnen de termijn als hierboven onder alinea 4.6 bepaald;

- veroordeelt de kandidaat-notaris tot betaling van de kosten van rechtsbijstand van klagers, vastgesteld op een bedrag van € 1.000,00 op de wijze en binnen de termijn als hierboven onder alinea 4.6 bepaald;

- veroordeelt de kandidaat-notaris tot betaling van de kosten in verband met de behandeling van de zaak, vastgesteld op € 3.500,- , op de wijze en binnen de termijn als hiervóór onder alinea 4.6 bepaald.

Deze beslissing is gegeven door mr. D. Vergunst, voorzitter, mr. O. Nijhuis,

mr. A.W. Drijver, leden, en in tegenwoordigheid van mr. M.J. Derksen, secretaris, door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2020.

De secretaris

De voorzitter

Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.