Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TNORARL:2020:13 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/367817/KL RK 20-36 C/05/363629/KL RK 19-166a C/05/367817/KL RK 20-36a

ECLI: ECLI:NL:TNORARL:2020:13
Datum uitspraak: 02-04-2020
Datum publicatie: 17-04-2020
Zaaknummer(s):
  • C/05/367817/KL RK 20-36
  • C/05/363629/KL RK 19-166a
  • C/05/367817/KL RK 20-36a
Onderwerp: Overig
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Voorzittersbeslissing ordemaatregel o.g.v. artikel 106 lid 1 Wna      In de beslissing van 19 februari 2020 heeft de kamer aan de notaris opgelegd de maatregel van ontzetting uit het notarisambt. Tegen die beslissing is hoger beroep ingesteld. Uit de beslissing van de kamer van 19 februari 2020 volgt naar het oordeel van de voorzitter dat onverminderd sprake is van een situatie in de zin van artikel 106 lid 1 Wna. Het gaat immers om een klacht van zeer ernstige aard. Bovendien is de voorzitter van oordeel dat er kennelijk gevaar bestaat voor benadeling van derden. Dit gevaar ontstaat door de combinatie van de zorgwekkende financiële situatie bij de notaris, eerdere en recente negatieve bewaringsposities, achterstanden in de afwikkeling van boedeldossiers en personele onderbezetting. De voorzitter heeft een ernstig vermoeden dat cliënten van het kantoor van de notaris benadeeld worden door de huidige situatie. Structurele oplossingen lijken niet voor handen, waardoor de problemen alleen maar ernstiger worden. De benoeming van een stille bewindvoerder voor een periode van 6 maanden heeft bij de notaris geen verbeteringen gebracht.   Gelet op het voorgaande heeft de voorzitter de notaris, aansluitend op de thans lopende schorsing op grond van artikel 103 Wna, met ingang van 10 april 2020 op grond van artikel 106 lid 1 Wna bij wijze van ordemaatregel in de uitoefening van het ambt geschorst voor de duur van de nog volgende rechtsgang tegen de beslissing van de kamer van 19 februari 2020.   De kamer dient deze ordemaatregel binnen vier weken na de datum van de beslissing van de voorzitter te bekrachtigen.

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN

Kenmerk: C/05/367817/KL RK 20-36

Beslissing van de voorzitter van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden ex artikel 106 Wet op het notarisambt (hierna: Wna)

inzake (de waarneming van) het protocol van

[ naam notaris ] ,

notaris te [ vestigingsplaats notaris ],

hierna te noemen: de notaris.

1.          Het verloop van de procedure

1.1.       Het verloop van de procedure blijkt uit:

-        de brief van (de secretaris van) de kamer aan de notaris van 23 maart 2020;

-        de brief, met bijlagen, van het Bureau Financieel Toezicht (hierna: het BFT) van 25 maart 2020;

-        de reactie van de notaris van 30 maart 2020.

2.          De feiten

2.1.       Op 4 juli 2019 heeft de voorzitter van de kamer mevrouw [ naam bewindvoerder ], kandidaat-notaris te [ vestigingsplaats bewindvoerder ], met ingang van 8 juli 2019 voor de duur van zes maanden tot stille bewindvoerder naast de notaris benoemd (ECLI:NL:TNORARL:2019:50). De kamer heeft deze benoeming bij beslissing van 12 juli 2019 bekrachtigd (ECLI:NL:TNORARL:2019:49). De notaris heeft hoger beroep aangetekend tegen de beslissing van de voorzitter, welke appelprocedure nog aanhangig is ten tijde van onderhavige beslissing.

2.2.       Het gerechtshof Amsterdam heeft bij beslissing van 17 december 2019 aan de notaris de maatregel van schorsing in de uitoefening van het notarisambt opgelegd voor de duur van twee maanden (ECLI:NL:GHAMS:2019:4353). Die schorsing is van kracht geworden met ingang van 10 februari 2020. De laatste dag van de schorsing zal zijn donderdag 9 april 2020.

2.3.       De voorzitter van de kamer heeft bij beslissing van 29 januari 2020 [ naam kandidaat-notaris ], kandidaat-notaris in [ vestigingsplaats kandidaat-notaris ] (hierna: de kandidaat-notaris), benoemd tot waarnemer van het notarisambt van de notaris voor de periode van 10 februari 2020 tot en met 9 april 2020.

2.4.       Bij beslissing van 19 februari 2020 heeft de kamer aan de notaris opgelegd de maatregel van ontzetting uit het ambt (ECLI:NL:TNORARL:2020:7). De notaris heeft hoger beroep ingesteld tegen die beslissing bij het gerechtshof Amsterdam.

2.5.       Op 23 maart 2020 heeft de (secretaris van de) kamer de notaris op de hoogte gesteld van het voornemen van de voorzitter om, aansluitend op de thans lopende schorsing, de notaris met ingang van

10 april 2020 op grond van artikel 106 Wna bij wijze van ordemaatregel in de uitoefening van het ambt te schorsen voor de duur van de nog volgende rechtsgang. In dezelfde brief heeft de secretaris van de kamer aan de notaris medegedeeld dat de voorzitter voornemens is om voor de duur van de voorgenomen schorsing een waarnemer te benoemen en aan die waarnemer een honorarium tot te kennen.

2.6.       Op 25 maart 2020 heeft het BFT aan de voorzitter van de kamer voorgesteld dat hij gebruik maakt van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 106 Wna de onmiddellijke schorsing van de notaris in de uitoefening van het ambt te gelasten dan wel een andere voorlopige voorziening te treffen waarmee de belangen van derden worden veiliggesteld.

2.7.       Op 30 maart 2020 heeft de notaris een reactie bij de kamer ingediend, waarbij hij zowel heeft gereageerd op de brief van de (secretaris van de) kamer als op de brief van het BFT.

3.          De beoordeling

3.1.       Artikel 106 lid 1 Wna bepaalt dat indien sprake is van een klacht tegen een notaris van zeer ernstige aard, dan wel indien er kennelijk gevaar bestaat voor benadeling van derden, en de voorzitter van de kamer voor het notariaat een ernstig vermoeden heeft ten aanzien van de gegrondheid van de klacht of van de benadeling, hij bij wijze van ordemaatregel de onmiddellijke schorsing in de uitoefening van het ambt kan gelasten of een andere voorlopige voorziening kan treffen, ten hoogste voor de duur van de behandeling van de klacht.

3.2.       De notaris heeft aangevoerd dat de voorzitter zijn voornemen om tot schorsing over te gaan, heeft gebaseerd op de uitspraak van de kamer van 19 februari 2020. De notaris heeft hoger beroep ingesteld tegen die beslissing. Volgens de notaris is het daarom niet juist dat de voorzitter de ordemaatregel op de kamerbeslissing van 19 februari 2020 baseert.

3.3.       De voorzitter overweegt dat de behandeling van de tuchtklacht in hoger beroep en het treffen van een ordemaatregel twee aparte, zelfstandige procedures zijn. Omdat voor de beoordeling op grond van artikel 106 Wna een ander toetsingskader geldt dan voor de beoordeling van de tuchtklacht in hoger beroep, kan de voorzitter los van de appelprocedure overwegen om een ordemaatregel op te leggen.

3.4.       Uit de beslissing van de kamer van 19 februari 2020 volgt dat onverminderd sprake is van een situatie in de zin van artikel 106 lid 1 Wna. Het gaat immers om een klacht van zeer ernstige aard. Bovendien is de voorzitter van oordeel dat er kennelijk gevaar bestaat voor benadeling van derden. Dit gevaar ontstaat door de combinatie van de zorgwekkende financiële situatie bij de notaris, eerdere negatieve bewaringsposities, achterstanden in de afwikkeling van boedeldossiers en personele onderbezetting. De voorzitter heeft een ernstig vermoeden dat cliënten van het kantoor van de notaris benadeeld worden door de huidige situatie. Structurele oplossingen lijken niet voor handen, waardoor de problemen alleen maar ernstiger worden. De benoeming van een stille bewindvoerder voor een periode van 6 maanden heeft bij de notaris geen verbeteringen gebracht.

3.5.       Het vermoeden van de voorzitter dat als gevolg van de huidige (financiële) situatie op het kantoor van de notaris er gevaar ontstaat voor benadeling van derden wordt versterkt door de brief van 25 maart 2020 va het BFT.

een onderzoek is ingesteld naar de ontwikkelingen in de derdengeld- en kantoorbankrekeningen in de periode 1 januari tot en met 10 februari 2020 en de ontwikkelingen in de bewaringspositie in de periode 1 januari tot en met 10 februari 2020. De bewaringspositie bedroeg per 31 december 2019 € 3.349,- positief. Op dezelfde dag is door de notaris € 3.000,- afgeroomd, zodat hierna nog een bewaringspositie van € 349,- resteerde. In de periode 1 januari tot en met 7 februari 2020 zijn door de notaris 21 overboekingen gedaan van de derdengeldenrekening Rabobank naar de kantoorrekening Rabobank voor totaal

€ 26.200,-. Deze overboekingen varieerden van € 500,- tot € 3000,- en zijn gedaan zónder dat vooraf is bepaald dat de bewaringspositie na deze overboekingen nog positief zou zijn. Vervolgens zijn vanaf de kantoorrekening kantoorkosten en overboekingen naar privé betaald. Deze betalingen konden niet worden verricht zonder de genoemde onttrekkingen vanaf de derdengeldenrekening. Er was immers niet voldoende financiële ruimte op de kantoorrekening voor deze overboekingen naar privé.

Omdat in de periode tot 7 februari 2020 voor € 26.200,- aan de derdengeldrekening is onttrokken en slechts circa € 7.000,- aan honoraria is ontvangen is een negatieve bewaringsposit De negatieve bewaringspositie is niet (ex artikel 25a Wna) door de notaris aan het BFT gemeld.

3.7.       De notaris stelt dat volgens zijn eigen berekeningen in de betreffende periode sprake was van een positieve bewaringspositie. De notaris heeft zijn eigen berekeningen niet aan de voorzitter overgelegd, zodat de voorzitter deze stelling van de notaris niet kan toetsen.

Deze door het BFT beschreven gang van zaken is door de notaris niet betwist, zodat de voorzitter er bij de beoordeling die nu wordt gemaakt vanuit gaat dat deze weergave juist is.

3.9.       Op grond van voorgaande stelt de voorzitter vast dat in ieder geval per 25 januari 2020 sprake was een negatieve bewaringspositie van € 14.500,-. Een negatieve bewaringspositie brengt zonder meer een gevaar voor de benadeling van derden met zich. Derden moeten er te allen tijde op kunnen vertrouwen dat het saldo op de derdengeldenrekening toereikend is.

3.10.     Gelet op het voorgaande zal de voorzitter de notaris, aansluitend op de thans lopende schorsing op grond van artikel 103 Wna, met ingang van 10 april 2020 op grond van artikel 106 lid 1 Wna bij wijze van ordemaatregel in de uitoefening van het ambt schorsen voor de duur van de nog volgende rechtsgang tegen de beslissing van de kamer van 19 februari 2020.

4.          Reikwijdte van de schorsing

4.1.       Bij de aanvang van de thans lopende schorsing heeft de voorzitter voor de reikwijdte van de schorsing verwezen naar de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 14 januari 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:137). De notaris heeft in zijn reactie van 30 maart 2020 aangevoerd dat gelet op de strekking van die uitspraak het hem feitelijk onmogelijk wordt gemaakt om gedurende zijn schorsing op zijn kantoor nog werkzaamheden, niet zijnde die van notaris, te verrichten. Dit heeft het kantoor volgens de notaris bijzonder geschaad. Daarom heeft de notaris de voorzitter in zijn brief van 30 maart 2020 verzocht om, als de voorzitter besluit een ordemaatregel op te nemen, te bepalen dat de notaris gedurende de periode van schorsing nog wel werkzaamheden kan verrichten, niet zijnde de notariële werkzaamheden, dus de werkzaamheden als ware de notaris een notarieel medewerker.

4.2.       De voorzitter overweegt dat een schorsing gevolgen heeft voor de bevoegdheden van de notaris en kosten met zich brengt. De beperkingen qua bevoegdheden volgen uit de wettelijke bepalingen alsmede de jurisprudentie op dit punt. De voorzitter ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken. De door de notaris aangedragen omstandigheden gelden immers voor iedere notaris die geschorst is.

5.          Waarneming tijdens de schorsing

5.1.       De voorzitter heeft de notaris bij brief van 23 maart 2020 geïnformeerd over het voornemen om een waarnemer te benoemen, de waarnemer de bevoegdheid te verlenen om voor zijn werkzaamheden derden in te schakelen alsmede over de honoraria voor de werkzaamheden tijdens de waarneming. Ook heeft de voorzitter de notaris gewezen op het feit dat op grond van artikel 29a sub b Wna zijn notarispraktijk gedurende de periode van schorsing voor rekening en risico van de notaris wordt voortgezet. De voorzitter heeft de notaris in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze op voorgaande kenbaar te maken. De notaris heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt in zijn brief van 30 maart 2020, welke zienswijze de voorzitter heeft meegewogen in zijn beslissing.

5.2.       Bij de kamer hebben zich meerdere potentiële waarnemers gemeld. Bij de keuze voor een waarnemer is voor de voorzitter van belang geweest dat de dienstverlening aan cliënten van de notaris zoveel mogelijk kan worden gecontinueerd. Hierbij is van belang dat de waarnemer in voldoende mate kan samenwerken met de notaris, omdat de notaris de protocolhouder is. De notaris heeft aangegeven dat de onderlinge verhoudingen met de huidige waarnemer, de kandidaat-notaris, goed zijn. De kandidaat-notaris heeft aangegeven bereid te zijn de waarneming ook na 9 april 2020 te continueren.

Daarom zal de kandidaat-notaris met ingang van 10 april 2020 worden benoemd tot waarnemer van het notarisambt van de notaris. Hierbij is gelet op artikel 29 lid 1 en lid 2 Wna. Het honorarium van de kandidaat-notaris wordt bepaald op € 150,- per uur, exclusief omzetbelasting.

5.3.       Gelet op de reikwijdte van de schorsing en de personele bezetting op het kantoor van de notaris zal aan de kandidaat-notaris de bevoegdheid worden verleend om voor zijn werkzaamheden een notarieel jurist en/of een administratief medewerker in te schakelen. Het honorarium van de notarieel jurist wordt forfaitair vastgesteld op € 100,- per uur exclusief omzetbelasting en het honorarium van de administratief medewerker wordt forfaitair vastgesteld op € 50,- per uur exclusief omzetbelasting.

5.4.       Met toepassing van artikel 11 van de Verordening overdracht protocol zal worden bepaald dat de kandidaat-notaris is ontheven van de verplichtingen als vermeld in de artikelen 2 tot en met 4 van de genoemde Verordening.

5.5.       Gelet op het voorgaande zal als volgt worden beslist.

6.          Beslissing

De voorzitter van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden:

-        schorst de notaris met ingang van 10 april 2020 in zijn ambt van notaris voor de duur van de nog volgende rechtsgang tegen de beslissing van de kamer van 19 februari 2020;

-        benoemt de kandidaat-notaris met ingang van 10 april 2020 tot waarnemer van het notarisambt van de notaris voor de duur van diens schorsing;

-        stelt het honorarium van de kandidaat-notaris voor zijn werkzaamheden als waarnemer van het notarisambt van de notaris vast op een bedrag van € 150,- exclusief omzetbelasting;

-        verleent aan de kandidaat-notaris de bevoegdheid voor zijn werkzaamheden als waarnemer van het notarisambt van de notaris een notarieel jurist en/of een administratief medewerker in te schakelen;

-        stelt het honorarium voor de notarieel jurist vast op € 100,- per uur, exclusief omzetbelasting en het honorarium voor de administratief medewerker op € 50,- per uur, exclusief omzetbelasting;

-        ontheft de kandidaat-notaris van de verplichtingen zoals vermeld in artikel 2 tot en met 4 van de Verordening overdracht protocol.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.J.C. van Leeuwen, voorzitter van de kamer voor het notariaat in het ressort-Arnhem-Leeuwarden, op 2 april 2020.

Deze beslissing dient uiterlijk binnen vier weken door de kamer voor het notariaat te worden bekrachtigd.

Tegen deze beslissing kan de notaris binnen 6 weken na verzending na de dag van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN

Kenmerk:         C/05/363629/KL RK 19-166a

C/05/367817/KL RK 20-36a

Beslissing van de voorzitter van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden.

1.          Overwegingen

1.1.       De voorzitter van de kamer voor het notariaat verwijst naar zijn beslissing van 29 januari 2020 met kenmerk C/05/363629/KL RK 19-166 en naar zijn beslissing van 2 april 2020 met kenmerk C/05/367817/KL RK 20-36.

1.2.       In die beslissingen heeft de voorzitter [ naam kandidaat-notaris ], kandidaat-notaris in [ vestigingsplaats kandidaat-notaris ] (hierna: de kandidaat-notaris) benoemd tot waarnemer van het notarisambt van [ naam notaris ], notaris te [ vestigingsplaats notaris ] (hierna: de notaris).

1.3.       De voorzitter constateert dat die beslissingen een onjuistheid bevatten, in die zin dat het honorarium van de kandidaat-notaris voor zijn werkzaamheden als waarnemer van het notarisambt van de notaris is vastgesteld op een bedrag van € 150,- exclusief omzetbelasting, terwijl het honorarium vastgesteld had moeten worden op een bedrag van € 150,- per uur exclusief omzetbelasting.

1.4.       Het voorgaande brengt mee dat de beslissing van de voorzitter van 29 januari 2020 respectievelijk

2 april 2020 moet worden hersteld.

2.          Beslissing

De voorzitter van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden

bepaalt dat in de beslissing van 29 januari 2020 met kenmerk C/05/363629/KL RK 19-166 respectievelijk de beslissing van 2 april 2020 met kenmerk C/05/367817/KL RK 20-36 met betrekking tot het honorarium van de kandidaat-notaris voor zijn werkzaamheden als waarnemer van het notarisambt van de notaris voor ‘€ 150,- exclusief omzetbelasting’ moet worden gelezen ‘€ 150,- per uur exclusief omzetbelasting’.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.J.C van Leeuwen, voorzitter van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden op 8 april 2020.