ECLI:NL:TGZRZWO:2020:95 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 282/2019
ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2020:95 |
---|---|
Datum uitspraak: | 07-09-2020 |
Datum publicatie: | 07-09-2020 |
Zaaknummer(s): | 282/2019 |
Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
Beslissingen: | |
Inhoudsindicatie: | Klacht tegen verpleegkundige kennelijk ongegrond. Overleden patiënt wordt tijdelijk van zaal naar artsenkamer verplaatst. Dit is niet ongepast en niet klachtwaardig. De persoonlijke ervaring daarvan door klaagster is niet doorslaggevend. Het ontbreken van een ‘fysieke handtekening’ bij aantekening niet-reanimeren doet aan de geldigheid daarvan niet af. De verantwoordelijke arts heeft de behandelbeperking handmatig aangetekend en voorzien van haar initialen en naam. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE
Beslissing in raadkamer d.d. 7 september 2020 naar aanleiding van de op 3 december
2019 bij het Regionaal Tuchtcollege Zwolle binnengekomen klacht van
A , wonende te B,
k l a a g s t e r
-tegen-
L , verpleegkundige,
werkzaam te D,
bijgestaan door mr. S.J. Berkhoff-Muntinga, verbonden aan VvAA-rechtsbijstand te Utrecht,
b e k l a a g d e
1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:
- het klaagschrift;
- het aanvullend klaagschrift;
- het verweerschrift met de bijlagen.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.
Klaagster heeft met deze klacht verband houdende klachten ingediend tegen de internist-infectioloog, tegen de basisarts in opleiding tot specialist en tegen een andere verpleegkundige. Deze klachten zijn bekend onder de nummers 279, onderscheidenlijk 280 en 281/2019. In de zaken 279/2019 en 281/2019 is eveneens heden uitspraak gedaan.
2. DE FEITEN
Op grond van de stukken (waaronder de als bijlagen bij het verweerschrift overgelegde relevante delen uit het medisch dossier) dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
De klacht betreft de behandeling van de moeder van klaagster, mevrouw E, geboren in 1932 en overleden op 2 december 2010, verder patiënte te noemen.
Patiënte is onder behandeling geweest in het ziekenhuis F te D van
21 november 2010 tot 2 december 2010. Patiënte werd opgenomen wegens een facialisparese en krachtverlies links. Zij had een gezwollen rechter onderbeen en was toenemend kortademig.
Er werd gestart met fraxiparine in therapeutische dosering bij verdenking van een diep veneuze trombose en mogelijk ook een longembolie. In verband met een infiltraat op de X-thorax en verhoogde infectieparameters werden antibiotica gestart bij verdenking op pneunomie. Er werd tevens gestart met digoxine vanwege atriumfibrilleren.
Patiënte werd met een verdenking CVA/TIA opgenomen op de afdeling neurologie. Er werden geen aanwijzingen gevonden voor een centrale oorzaak van ademdepressie. Na opname ter observatie op de intensive care werd patiënte overgeplaatst naar de afdeling interne geneeskunde voor de behandeling van een longontsteking. Zij werd daarvoor behandeld met de antibiotica amoxicilline en ciprofloxacine. Na een negatieve legionella sneltest werd dit versmald naar augmentin. In verband met leverfunctieafwijkingen werd overgegaan op doxycycline.
Vanwege het gezwollen onderbeen bij opname kreeg patiënte fraxiparine en acenocoumarol. De acetylsalicylzuur en dipyridamol werden gestaakt. Het vermoeden dat sprake was van een longembolie kon niet worden bevestigd omdat op verzoek van patiënte geen CT-scan werd gemaakt.
Patiënte was bij opname tevens gezien door de cardioloog. Naast de acenocoumarol werden de door de cardioloog ingestelde adviezen gehandhaafd, te weten bumetanide, digoxine en metoprolol en tevens werd spironolacton als diureticum en hartfalenbehandeling gestart.
Op 30 november 2010 vond een gesprek met de familie plaats. Op die dag was besloten toe te werken naar ontslag. De controle- en laboratoriumwaarden van patiënte waren stabiel en zij had geen zuurstof meer nodig. De behandeling met antibiotica was afgerond. Wel waren er op dat moment nog aandachtspunten. Patiënte had nog dyspnoe d’effort waarvoor ze diuretica en hartfalenmedicatie kreeg. Wel werd er nog eenzijdig verminderd ademgeruis gehoord. Er waren nog leverfunctieafwijkingen, mogelijk ten gevolge van de antibiotica, maar deze lieten een dalende trend zien. Er was sprake van slikstoornissen en samenhangende moeite met eten. Patiënte had moeite met mobiliseren. In het gesprek met de familie is steun thuis van een fysiotherapeut, ergotherapeut en diëtist besproken. Bij patiënte was in verband met urineretenties een verblijfskatheter geplaatst, waarmee zij naar huis zou gaan.
Op 1 december 2010 bleek thuis nog geen bed beneden beschikbaar te zijn. De opname is toen nog met een dag verlengd.
In de nacht van 1 op 2 december 2010 is patiënte onverwacht overleden. Een doodsoorzaak is niet bekend.
3. HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT
Klaagster voert het navolgende ter onderbouwing aan, zakelijk weergegeven. Toen klaagster in de nacht van 1 op 2 december 2010 naar het ziekenhuis kwam, bleek patiënte reeds te zijn weggereden van haar kamer. Het bed met haar moeder stond in een kantoorruimte. Klaagster heeft dit ervaren als oneervol en afschuwelijk. Zij heeft beklaagde ervaren als kil en niet-meelevend. Als storend heeft zij ervaren dat beklaagde liet weten dat men het bed nodig had voor een andere patiënt. Op klaagsters vraag wat er met haar moeder was gebeurd, gaf beklaagde geen antwoord. Wel vertelde hij dat hij patiënte vanwege een behandelbeperking niet mocht reanimeren en dat hij dat ook niet had gedaan. Dit ondanks dat een handtekening bij de status ontbrak. De behandelbeperking was door de AIOS op 29 november 2010 in het dossier doorgevoerd.
4. HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE
Beklaagde voert -zakelijk weergegeven- aan op gronden genoemd in het verweerschrift dat de tegen hem ingediende klacht als ongegrond dient te worden afgewezen. Hij kan zich na bijna 10 jaar de contacten en gesprekken met klaagster niet meer herinneren. Hij herkent zich echter niet in de beschrijving zoals klaagster van hem geeft. Deze blijken ook niet uit het medisch dossier.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard. Verder wijst het college erop dat die beoordeling dient plaats te vinden in het licht van wat beklaagde op het moment van handelen wist of kon weten en dat het onverwachte overlijden van patiënte daarbij buiten beschouwing dient te blijven.
5.2
Klaagster heeft het als bijzonder onaangenaam en oneervol ervaren dat haar moeder, na haar overlijden, naar een kantoorruimte is gereden. Beklaagde heeft hieraan geen herinnering. Wel schetst hij de algemene gang van zaken. Als een patiënt op een meer-persoonskamer overlijdt, halen de verpleegkundigen de patiënt van de kamer af om alleen te leggen. Als alle eenpersoonskamers bezet zijn, kan het zijn dat er wordt gekozen de overledene op een artsenkamer te leggen waar een bureau en computer staan. Dat is volgens beklaagde mogelijk wat er met patiënte is gebeurd.
5.3
Het college overweegt als volgt. Allereerst merkt het college op dat het oordeel of beklaagde verwijtbaar heeft gehandeld niet alleen afhangt van hoe een betrokkene het handelen persoonlijk ervaart. De vraag is of dit handelen naar de maatstaf van hetgeen onder 5.1 werd overwogen door de beugel kan. Dat een overleden patiënt wordt verplaatst van een kamer waar ook andere patiënten aanwezig zijn, acht het college op zichzelf beschouwd gepast. Het tijdelijk overbrengen van een overleden patiënt naar een artsenkamer, acht het college als zodanig niet verwijtbaar. Dit is niet in zijn algemeenheid onrespectvol of anderszins onethisch. Dat klaagster daardoor onaangenaam werd getroffen, is gelet op het onverwachte overlijden van haar moeder invoelbaar, maar maakt de handeling als zodanig niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het college acht dit klachtonderdeel ongegrond.
5.4
Wat betreft de bejegeningsklachten oordeelt het college als volgt. Klaagster heeft beklaagde als kil en niet-meelevend ervaren. Ook hier geldt dat beklaagde geen herinnering heeft aan de communicatie met klaagster. Het college merkt op dat ook wat betreft dit klachtonderdeel de persoonlijke beleving door klaagster niet doorslaggevend kan zijn voor het antwoord op de vraag of beklaagde tuchtrechtelijk iets te verwijten valt. Aan dit onderdeel van de klacht heeft klaagster één feitelijkheid ten grondslag gelegd, namelijk dat beklaagde zou hebben gezegd dat het bed nodig was voor een andere patiënt. Beklaagde meent dat hij zoiets nooit zou zeggen. Daarmee staan de stellingen van klaagster en beklaagde tegenover elkaar. Nu ander bewijsmateriaal ontbreekt, komt het college tot de slotsom dat de klacht in zoverre niet kan slagen.
5.5
Voor zover klaagster beklaagde verwijt dat hij haar niet heeft ingelicht over de doodsoorzaak of over omstandigheden die het onverwachte overlijden zouden kunnen verklaren, faalt de klacht eveneens. Er is immers niet gebleken dat beklaagde hier iets over wist of had kunnen vertellen.
5.6
Voor zover klaagster beklaagde verwijt dat hij niet is overgegaan tot reanimatie faalt de klacht eveneens. De aantekening dat patiënte om medische reden niet gereanimeerd zou worden is - zoals klaagster ook erkent - door een arts handgeschreven in het medisch dossier aangetekend. De arts heeft bij deze aantekening niet alleen haar initialen maar haar naam voluit genoteerd. Een fysieke handtekening is daarbij niet nodig. Dat een fysieke handtekening van de arts ontbrak doet dan ook aan de geldigheid van de behandelbeperking niet af. Beklaagde heeft daarnaar gehandeld. Hij heeft dat ook mogen doen omdat er voor hem geen indicaties waren desondanks toch te reanimeren. Dit kan hem niet met succes worden verweten.
5.7
Gelet op het voorgaande dient als volgt te worden beslist.
6. DE BESLISSING
Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Aldus gegeven door P.A.H. Lemaire, voorzitter, B. Nijhuis-Prigge en C.E.B. Driessen, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van H. van der Poel-Berkovits, secretaris.
voorzitter
secretaris
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
a. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring
kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
b. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
c. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.