Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRZWO:2020:64 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 297/2019

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2020:64
Datum uitspraak: 14-05-2020
Datum publicatie: 14-05-2020
Zaaknummer(s): 297/2019
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: De klacht betreft de zorg in de huisartsenpraktijk voor een complexe psychiatrische patiënte in een crisissituatie. Het beleid van beklaagde is te billijken. Klacht kennelijk onggegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing in raadkamer d.d. 14 mei 2020 naar aanleiding van de op 17 december 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A en B , beide wonende te C,

k l a a g s t e r

-tegen-

D , huisarts, werkzaam te C,

bijgestaan door mr. M.J. de Groot, verbonden aan VvAA Rechtsbijstand te Utrecht,

b e k l a a g d e

1.    HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

- het klaagschrift en het aanvullende klaagschrift;

- het verweerschrift met de bijlagen.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.

Klaagsters hebben een met de onderhavige klacht verband houdende klacht ingediend tegen de huisarts E. Deze klacht is bekend onder nummer 298/2019. In beide klachten is op dezelfde dag uitspraak gedaan.

2.    DE FEITEN

Op grond van de stukken (waaronder relevante stukken uit het huisartsenjournaal) dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

De zeven huisartsen in C werken samen vanuit één pand onder de naam huisartsenpraktijk F (verder de praktijk te noemen). Iedere huisarts heeft zijn eigen patiënten en de huisartsen nemen voor elkaar waar bij afwezigheid. De huisartsen hebben bij de waarneming voor elkaars patiënten toegang tot de medische dossiers van die patiënten in het huisartseninformatiesysteem.

Klaagsters hebben zich op 6 december 2018 in verband met een verhuizing vanuit G in laten inschrijven in de praktijk van beklaagde. Op 22 januari 2019 vond een kennismakingsgesprek plaats van klaagsters met beklaagde. Moeder is geboren in 1967 en B is geboren in 1997.

B was op het moment van inschrijving onder behandeling bij het gendercentrum van de H in verband met een transitie van man naar vrouw. Zij was bekend met Asperger en ADD. Zij was een periode depressief geweest en gebruikte antidepressiva. Het ging nu langzaam beter. Begeleiding vanuit het wijkteam was opgestart. Afgesproken werd om driemaandelijks een spreekuurcontact te hebben om een vinger aan de pols te houden en voor de herhaling van de medicatie (Fluoxetine).

Op 22 mei 2019 ontving beklaagde bericht van de behandelend psychiater van B. Hij schreef onder meer:

“Al met al loopt B wat betreft angsten en vermijdende trekken nog steeds vast, ook nu transitie verder vordert en dag- en nachtritme verder genormaliseerd is. Moeder vraagt zich af of ADD-kenmerken die eerder gesteld zijn een belemmering vormen voor de activering. Op dit moment is klacht zoals deze gepresenteerd wordt echter te breed om te kiezen voor medicatieswitch. De angstige, vermijdende houding van B lijkt eerder veroorzaakt door haar ASS-kenmerken in combinatie met haar persoonlijkheidskenmerken en deze kunnen uiteraard versterkt worden door de bestaande ADD-klachten, maar zijn hierin niet te verhelpen door inzet van medicatie alleen.(…)”

B heeft zich na het kennismakinggesprek enkele maanden niet tot de praktijk gewend. Op 20 juni 2019 werd er op initiatief van beklaagde een spreekuurafspraak met B gemaakt in verband met de herhaalmedicatie Fluoxetine. Op 3 juli 2019 heeft dit consult plaatsgevonden bij de vaste waarnemer van beklaagde. Deze noteerde dat het met ups en downs gaat. Er werd een controle over drie maanden afgesproken.

Op 19 augustus 2019 is B met haar ambulant begeleider op het spreekuur geweest bij beklaagde. Zij noteerde:

“S (…) gaat niet goed, slaapt veel, komt niet in actie, geen sociale contacten, op zich loopt gendertraject goed, plan volgend jaar start studie maar zoals het nu is zal dat helemaal niet gaan lukken.

O weinig oogcontact

E Depressie?

P gesprek, labco; verwijzing I voor verdere begeleiding.”

Beklaagde heeft dezelfde dag de verwijzing naar I met een verwijsbrief in orde gemaakt.

Op 29 augustus 2019 nam een medewerker van het sociaal gebiedsteam van de gemeente telefonisch contact op met de praktijk en sprak met beklaagde. Zij berichtte dat het de ambulant begeleider van B niet lukte om B in actie te laten komen en dat I een wachttijd heeft. Beklaagde adviseerde om I te bellen om perspectief te hebben op een intake-afspraak en besproken werd om ook een jeugdwerker in te schakelen.

Op 18 september 2019 nam de ambulant begeleider telefonisch contact op met de praktijk. Zij maakte zich zorgen omdat het slechter leek te gaan met B ondanks de Fluoxetine en de ingeschakelde ervaringsdeskundige uit het jongerennetwerk. De ambulant begeleider vroeg zich af of aanpassing van de medicatie zou kunnen helpen. Na overleg met de waarnemend huisarts werd een spreekuurafspraak voor het spreekuur van beklaagde gemaakt op 23 september 2019.

Op 23 september 2019 bezocht B samen met haar ambulant begeleider het spreekuur van beklaagde.

Beklaagde noteerde:

“S(…) gaat niet goed, veel moeite om uit bed te komen en in actie te komen, wil wel maar lukt niet, huidige AD medicatie langere tijd, nog geen bericht of perspectief op afspraak I, kan er iets in de tussentijd?

O stilletjes

E Verdenking depressie

P gesprek ter overbrugging gesprekken met POH-GGZ mogelijk. pte wil dit proberen; evt omzetting medicatie ter beoordeling psychiater tzt.”

Een afspraak voor een gesprek met de POH-GGZ werd gemaakt voor 26 september 2019. Deze afspraak werd door de ambulant begeleider namens B verzet naar

3 oktober 2019.

Moeder belde op 30 september 2019 met beklaagde omdat B de Fluoxetine een week niet had genomen en niet had opgehaald bij de apotheek. Besproken werd dat de medicatie werd nageleverd en dat B er direct weer mee kon beginnen.

Vanuit I werd op 1 en 3 oktober 2019 informatie opgevraagd over B. Deze informatie is door de praktijk verzonden. Verder vond telefonisch overleg plaats tussen de aanmeldfunctionaris van I en werd meegedeeld aan beklaagde dat B zou worden toegewezen aan het team Stemmingsstoornissen.

Op 3 oktober 2019 vond het eerste consult plaats van B bij de POH-GGZ in aanwezigheid van haar ambulant begeleider. De POH-GGZ adviseerde I te benaderen en eventueel spoed te bespreken. Volgens de POH-GGZ zat B ‘tegen een opname aan’, omdat haar situatie ambulant lastig vlot te trekken was. De POH-GGZ heeft vervolgens op 7 oktober 2019 zelf telefonisch overlegd met de aanmeldfunctionaris van I over de status van de verwijzing van 19 augustus 2019. I berichtte dat de verwachting was dat B in 2019 niet meer in behandeling zou komen. De wachttijd was niet exact te noemen, maar waarschijnlijk lang.

Op 9 oktober 2019 kwam er toch bericht van I met een uitnodiging voor een intakegesprek op 16 oktober 2019.

Op 10 oktober 2019 heeft de POH-GGZ telefonisch contact gehad met een medewerker van de gemeente. Besproken werd dat als B verder af zou glijden en bijvoorbeeld suïcidaal zou worden de acute dienst van I kon worden gebeld.

Op 17 oktober 2019 heeft de POH-GGZ telefonisch overlegd met de ambulant begeleider van B. Het lukte B niet om naar de afspraak te komen bij de POH-GGZ. Het intakegesprek bij I had de vorige dag plaatsgevonden. Geïndiceerd werd cognitieve gedragstherapie bij het team Stemmingsstoornissen. Hiervoor was een wachttijd van vier maanden. De ambulant begeleider concludeerde dat de ernstige depressie van B ambulant slecht te behandelen was, omdat zij niet therapietrouw was wat betreft medicatie en gesprekken. Er was sprake van wisselende suïcidale gedachten maar ‘niet acuut, geen plannen’. De ambulant begeleider kon niet meer doen dan ze al deed. Moeder werd geadviseerd hulp, in overleg met beklaagde, voor zichzelf te regelen.

Op 18 oktober 2019 is moeder op het spreekuur bij beklaagde geweest. Besproken zijn de zorgen over B en de belasting van moeder. Beklaagde heeft met moeder gesproken over het negeren van negatief gedrag van B. Beklaagde heeft moeder in verband met de spanningsklachten gesprekken aangeboden met de POH-GGZ, een andere dan die B begeleidde.

Op 23 oktober 2019 had moeder haar eerste gesprek met de POH-GGZ. De suïcidaliteit van B is besproken. De volgende dag heeft overleg plaatsgevonden tussen de beide POH-GGZ. Besproken is het beleid niet te veranderen in ander beleid. De POH-GGZ van moeder heeft dit teruggekoppeld aan moeder, die instemde met dit beleid.

Op 31 oktober 2019 lukte het B weer niet om naar het gesprek met de POH-GGZ te komen. De POH-GGZ heeft telefonisch contact gehad met de ambulant begeleider van B. Zoals in overleg met beklaagde was besloten, adviseerde de POH-GGZ de basiszorg te waarborgen (eten/drinken, medicatie, observatie en stimulering).

Op 7 november 2019 vond het tweede gesprek plaats van moeder met haar POH-GGZ. Moeder voelde zich oververmoeid, labiel en overbelast door de zorg voor B. Moeder gaf aan dat B eigenlijk uit huis moet. Afgesproken werd dat moeder de ‘stofzuigermethode’ toe zou passen door drie dagen te gaan werken en de zorgen voor B bewust los gaat laten. Overwogen werd het sociaal gebiedsteam in te schakelen en over beleid na te denken om B uit huis te laten gaan wonen. 

Op 12 november 2019 belde moeder om 08.00 uur op de spoedlijn van de praktijk met de assistente. Moeder gaf aan dat B in bed lag, niets meer wilde en aangaf dat ze zichtzelf van het leven wilde beroven. Moeder gaf aan dat zij B niet alleen durfde te laten om naar haar werk te gaan.

In overleg met beklaagde heeft de assistente moeder uitgenodigd om met B op het spreekuur te komen. Moeder gaf echter aan dat B haar bed niet uitkwam en absoluut geen hulp wilde. De assistente heeft daarop uitgelegd dat de praktijk dan niet zoveel voor haar en B konden doen.

Op 18 november 2019 heeft moeder haar afspraak met haar POH-GGZ afgezegd omdat ze liever met de huisarts sprak.

Op 19 november 2019 ontving beklaagde een brief van de crisisdienst van I:

“Suicidaliteit is chronisch en lijkt gerelateerd aan onmacht rondom identiteitsproblematiek en omgaan met emoties, inschatting is dat deze niet acuut verhoogd is. Aanleiding voor huidige crisis is mogelijk ook dat moeder sinds vorige week is gaan werken terwijl ze het jaar ervoor veel met zijn 2-en waren. Vervolg afspraken invoegen IHT om ondersteunen richting behandelcontact bij stemming, intake aldaar staat gepland op 25-11-2019 medicatieswitch overwegen. Ze wil geen verhoging van prozac.”

Op 21 november 2019 is B op het spreekuur van de POH-GGZ gekomen. Ze gaf aan dat ze afgelopen week in crisis was geweest maar dat het op dat moment weer ging en dat ze open stond voor hulp van IHT en ambulant begeleider. Er werd een vervolgafspraak gemaakt over drie weken.

Op 22 november 2019 kwam moeder op het spreekuur bij beklaagde. Beklaagde noteerde:

“S komt vertellen dat ze klacht gaat indienen, gebeld voor spoedvisite dochter B omdat zij dreigde met zelfmoord als pte naar werk zou vertrekken, dit heb ik niet gehonoreerd maar wel spreekuurcontact aangeboden, pte vindt dit niet kunnen

P heel vervelende situatie anders ingeschat gezien eerder gedrag van dochter; pte hier niet mee eens, wil direct uitgeschreven, uitleg plicht tot zorg, wil naam nieuwe huisarts niet zeggen, loopt boos weg en slaat zeer hard met alle deuren in gebouw.”

Later die dag belde moeder om te zeggen dat ze samen met dochter naar de huisarts E wilde.

Op 2 december 2019 vond een kennismakingsgesprek plaats van moeder met E. Deze noteerde:

“S Kennismakingsgesprek, mevr is nog erg boos op collega D en verwacht van huisarts eigenlijk meer kennis van adhd, asperger, depressie en genderdysforie. In crisissituaie is I uiteindelijk geweest toen dochter aangaf niet verder te willen leven. Teleurgesteld dat op dat moment collega D niet wilde komen.

O mevr is erg nog ongerust over de voorgevallen situatie en bij het bespreken daarvan en mijn beperkingen als huisarts tav de kennis van en de omgang met deze combinatie aan aandoeningen geeft mevrouw aan dat zij geen vertrouwen voelt in een huisarts-patient relatie met mij.

P ik heb mevrouw voorgesteld op de website kennis te nemen van de collegae en zich te orienteren op een andere huisarts. wel zal ik in waarneemsituaties mij inspannen voor mevrouw en deze toezegging wordt gewaardeerd.” 

De afspraak bij de POH-GGZ op 12 december 2019 werd door B afgezegd.

Moeder en B staan tot op heden nog als patiënt ingeschreven bij beklaagde.

3.    HET STANDPUNT VAN KLAAGSTERS EN DE KLACHT

Klaagsters verwijten beklaagde -zakelijk weergegeven- dat:

1.    zij op 12 november 2019, toen moeder voor hulp belde in verband met een crisissituatie van B, heeft aangeboden dat zij met B langs kon komen terwijl moeder daarop niet kon ingaan omdat zij dan dwang op B had moeten uitoefenen en beklaagde vervolgens geen enkele actie heeft ondernomen waardoor moeder aan haar lot is overgelaten;

2.    zij haar standpunt met betrekking tot haar handelen op 12 november 2019 in het gesprek op 22 november 2019 niet heeft gewijzigd;

3.    zij haar beroepsgeheim heeft geschonden door een aantekening in het dossier te maken en dit dossier over te dragen aan de opvolgende huisarts;

4.    zij niets heeft gedaan voor B toen zij ernstige tekenen van depressie toonde en zelfs aangaf een einde aan haar leven te willen maken en de ongepaste opmerking te maken ‘er is helaas niets aan te doen’ terwijl de GGZ-instelling wel een crisissituatie zag en hulp heeft verleend.

4.    HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE

Beklaagde voert -zakelijk weergegeven- aan dat zij van mening is dat zij heeft gehandeld binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening zoals bedoeld in artikel 47 lid 1 aanhef onder a van de Wet BIG.

5.    DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1          

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Allereerst merkt het college op dat beklaagde in de korte tijd dat moeder en B bij haar in de praktijk zijn ingeschreven veel zorg heeft geboden aan moeder en B en dat de problematiek van B complex is en specialistische zorg behoeft die beklaagde op adequate wijze heeft proberen in te zetten. Voor deze hulp bestaat echter helaas een wachttijd.

5.3

Het eerste, tweede en vierde klachtonderdeel bespreekt het college vanwege de samenhang gezamenlijk.

Op 12 november 2019 belde moeder beklaagde om 08.00 uur met het verzoek om te komen. Moeder vertelde dat ze niet naar haar werk durfde te gaan omdat B in bed lag, niets meer wilde en aangaf dat ze zichtzelf van het leven wilde beroven. Beklaagde moest op dat moment een inschatting maken van de ernst van de situatie. Het was beklaagde bekend dat B zich eerder suïcidaal had geuit en dat er nieuw beleid was ingezet (de ‘stofzuigermethode’). De inschatting van beklaagde dat geen sprake was van een acute crisissituatie maar van manipulerend gedrag van B ten opzichte van klaagster kan het college dan ook volgen en billijken. Beklaagde heeft dat vervolgd met een uitnodiging om op het spreekuur te verschijnen. Dat is - gegeven de omstandigheden - nog voldoende adequaat te noemen, al had beklaagde bij voorkeur op dat moment zelf met B (aan de telefoon) gesproken. Gelet op het in 5.1 weergegeven toetsingscriterium leidt dit echter niet tot een tuchtrechtelijk verwijt.

5.4

Moeder heeft blijkbaar vervolgens contact opgenomen met I. De crisisdienst van I heeft een visite afgelegd. De notitie van dat contact is hierboven weergegeven. Blijkens die notitie was ook de crisisdienst van I van oordeel dat de suïcidaliteit van B niet acuut verhoogd was. Gegeven de aanmelding van B bij die instelling was het adequaat dat zij contact hebben gehad. Mogelijk heeft dat contact ertoe geleid dat I B eerder zorg heeft geboden dan aanvankelijk was aangegeven.

5.5

Dat beklaagde in het gesprek op 22 november 2019 haar standpunt met betrekking tot haar handelen op 12 november 2019 niet heeft gewijzigd valt haar dan ook niet te verwijten.

5.6

Met betrekking tot de opmerking ‘er is helaas niets aan te doen’ verschillen partijen van mening. Bij de ontkenning van beklaagde dat zij die opmerking heeft gemaakt kan het college achteraf niet vaststellen aan wiens kant het gelijk ligt. Bij die stand van zaken dient ook dit onderdeel van de klacht te worden afgewezen. 

5.7

Het college deelt het oordeel van beklaagde dat zij beter later die dag nog even telefonisch contact had kunnen hebben om te horen hoe het ging en om af te stemmen over vervolg. Het college verwijst in dit verband naar hetgeen is overwogen onder 5.3 van deze beslissing. Beklaagde heeft [MK1]   daarvoor ook haar verontschuldigingen aangeboden aan klaagster en aan B. Gelet op het hierboven weergegeven toetsingscriterium en gelet op alle omstandigheden van de casus is het college van oordeel dat dit van onvoldoende gewicht is en dat een tuchtrechtelijk verwijt op dit punt daarom niet op zijn plaats is.

5.8

Met betrekking tot het derde klachtonderdeel overweegt het college het volgende.

Dossiervorming is als verplichting vastgelegd in artikel 454 van de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst. In de huisartsenpraktijk hebben de huisartsen die voor elkaar waarnemen toegang tot de dossiers van elkaars patiënten. Dat is een, in de praktijk van beklaagde, gebruikelijke gang van zaken. Het college houdt het ervoor dat de patiënten van deze gang van zaken op de hoogte zijn. Ook dit laatste klachtonderdeel kan daarom niet slagen.

Gelet op het voorgaande is het college van oordeel dat beklaagde zeker niet heeft gehandeld in strijd met de zorg die zij ten opzichte van klagers behoorde te betrachten en dat als volgt dient te worden beslist.

6.    DE BESLISSING

Het college verklaart dat de klacht kennelijk ongegrond is.

Aldus gegeven door P.A.H. Lemaire, voorzitter, M.D. Klein Leugemors en M. van Bergeijk, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van H. van der Poel-Berkovits, secretaris.

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.         Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.         Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.         Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.


 [MK1] A, het siert haar, maar het was mooier geweest als ze dezelfde dag telefonisch contact had opgenomen.