Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRZWO:2020:33 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 212/2019

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2020:33
Datum uitspraak: 16-03-2020
Datum publicatie: 16-03-2020
Zaaknummer(s): 212/2019
Onderwerp: Schending beroepsgeheim
Beslissingen: Gegrond, geen maatregel
Inhoudsindicatie: Klacht tegen psychiater. Klachtonderdeel mbt het delen van informatie met de moeder van klager bij heteroanamnese ongegrond. Het tweede klachtonderdeel is gegrond. Het verstrekken van relevante medische informatie aan een derde (zorgprofessional) op verzoek en in het belang van een betrokkene kan in zijn algemeenheid de tuchtrechtelijke toetsing doorstaan. In dit geval was er echter slechts een voorwaardelijke toestemming, in die zin dat beklaagde had toegezegd dat hij de te verstrekken informatie nog aan klager zou laten lezen. Dit is niet gebeurd en daarvan kan beklaagde, ook in tuchtrechtelijke zin, een verwijt worden gemaakt. In verband met specifieke omstandigheden geen maatregel. Proceskostenveroordeling (reiskosten).  

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 16 maart 2020 naar aanleiding van de op 17 september 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A , wonende te B,

k l a g e r

-tegen-

C , psychiater, werkzaam te D,

bijgestaan door prof. mr. J.G. Sijmons, advocaat te Zwolle,

b e k l a a g d e

1.    HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

-      het klaagschrift met de bijlagen;

-      het verweerschrift met de bijlagen;

-      de e-mails van klager van 27 november 2019;

-      de brief van de secretaris van 2 december 2019;

-      de reactie van de raadsman van beklaagde van 12 december 2019;

-      het proces-verbaal van het op 19 december 2019 gehouden gehoor in het kader van het vooronderzoek;

-      de e-mails van klager van 11 januari 2020;

-      de e-mails van klager van 20 januari 2020;

-      de op 4 februari 2020 gegeven beslissing over te gaan tot een behandeling van de zaak met gesloten deuren.

De zaak is met gesloten deuren behandeld ter zitting van 4 februari 2020, waar zowel klager als beklaagde zijn verschenen, de laatste bijgestaan door zijn raadsman,

mr. Sijmons, voornoemd.

2.    DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klager is onder behandeling bij het E van F. Klager is op 27 februari 2019 voor een second opinion aangemeld bij het G van F ter beoordeling door beklaagde. In de voortgangsrapportage staat hierover bij 13 maart 2019 de volgende toelichting:

“Vraag vanuit E team mee te denken over diagnostiek en behandeling. Graag inplannen bij [beklaagde] met als vraag mee beoordelen hoe sterk de diagnose autisme is die in het verleden gesteld is en verhelderen van de vraag van cliënt naar diagnostiek en behandeling. Daarna plannen wat er aan onderzoek gedaan moet worden om duidelijkheid te krijgen over diagnose en behandelmogelijkheden.”

Als onderdeel van het psychiatrisch onderzoek heeft beklaagde op 3 juni 2019 een hetero-anamnestisch gesprek gevoerd met de moeder van klager. Klager was ook bij dit gesprek aanwezig.

Beklaagde heeft in zijn brief van 4 juli 2019 aan de behandelend klinisch psycholoog verslag gedaan van zijn bevindingen. In deze brief is onder meer een verslag opgenomen van de heteroanamnese met moeder. Daarnaast staat in de brief dat klager voldoet aan de criteria van een autismespectrumstoornis en ook van ADD (ADHD, aandacht tekort type) en daarnaast aan de criteria voor een depressieve stoornis, licht tot matig ernstig. Beklaagde heeft voorts aanbevelingen gedaan voor het gebruik van medicatie en coaching.

Om extra tijd te kunnen krijgen bij toetsen en/of examens voor school wilde klager een verklaring inhoudende de vaststelling van zijn beperking (door klager ADHD-verklaring genoemd).  Na een door klager gedaan verzoek heeft beklaagde bij aan klager gerichte brief van 24 juli 2019 - kort gezegd - geschreven dat bij klager sprake is van een combinatie van ADHD (aandacht tekort type), een autismespectrumstoornis en een depressieve stoornis.

Klager heeft in reactie op deze verklaring gevraagd om een verklaring waarin (alleen) staat dat sprake is van ADHD. In een e-mail van 3 september 2018 heeft klager geschreven:

“[…] ik heb dringend een verklaring nodig waarin staat dat er sprake is van ADHD. Niets meer en niets minder. Desnoods maakt u hem specifiek op voor een schoolinstelling. Ik heb hem nodig! […]”

Beklaagde heeft dezelfde dag gereageerd. In zijn reactie heeft beklaagde geschreven dat er terughoudend moet worden omgegaan met het geven van verklaringen. Voorts heeft beklaagde geschreven:

“Ik werk onafhankelijk, uiteraard moet ik jouw belang dienen, wat ik verklaar moet dus ook in jouw belang zijn. Het kan zijn dat dit betekent dat ik bepaalde dingen die wel waar zijn, maar die niet relevant zijn, moet weglaten. Maar het kan ook zijn dat je mij vraagt dingen weg te laten die voor de school wel belangrijk zijn om te weten. Dat weet ik op dit moment niet. Dus wil ik weten wat voor informatie de school nodig heeft.

Ik wil het volgende voorstellen: dat jij vraagt of de medisch adviseur van de school mij belt en dat die mij duidelijk maakt wat voor informatie de school nodig heeft en waarom. Ik vraag dan aan jou of je akkoord bent met de informatie die ik wil gaan geven, ten slotte gaat het om jouw privacy. Als de school zo’n adviseur niet heeft, dan kan de dekaan of directeur van de opleiding mij zelf bellen of een schriftelijk verzoek doen waarin precies wordt aangegeven waarover er informatie wordt gegeven. Mijn antwoord leg ik dan eerst aan jou voor.”

In een e-mail van 3 september 2019 heeft klager geschreven:

“Heel duidelijk. Erg bedankt voor de zeer uitgebreide toelichting.”

Op 4 september 2019 heeft klager per e-mail meegedeeld dat er geen medicus verbonden is aan de school en dat de persoon die over ‘verlenging’ gaat heeft voorgesteld dat de orthopedagoog contact op neemt. Beklaagde heeft nog dezelfde dag, per e-mail, laten weten dat een orthopedagoog ook goed was en dat deze per e-mail of telefonisch contact op kon nemen.

Op 6 september 2019 heeft de orthopedagoog van school beklaagde (met een cc naar klager) gemaild met de mededeling dat klager gebruik wil maken van de faciliteit ‘extra tijd bij toetsen en examens’ en dat hij hiervoor in aanmerking kan komen als er sprake is van een beperking en dat hiervoor een deskundigenverklaring nodig is door een ‘ter zake deskundige psycholoog of orthopedagoog’. Zij heeft voorts geschreven:

“Voor de onderbouwing van de deskundigenverklaring waarin staat dat er sprake is van een beperking, heb ik een verklaring nodig van een behandelaar of arts waarin staat wat er is vastgesteld (diagnose), wanneer deze is vastgesteld (datum) en door wie (naam en functie).”

Beklaagde heeft de e-mail van de orthopedagoog dezelfde dag beantwoord (met een kopie aan klager). In de e-mail staat:

“Ik ken [klager] vanuit mijn rol als psychiater en heb hem in het voorjaar van dit jaar uitvoerig psychiatrisch onderzocht.

Ik heb bij hem vast gesteld dat er sprake is van een autisme spectrum stoornis en van ADHD (aandachttekort type). Deze conclusie is getrokken op 3 juni 2019. Uit deze diagnoses vloeien beperkingen voort qua tempo van leren en organisatie van werkzaamheden. […]”

Beklaagde heeft bij e-mail van 9 september 2019 aan klager excuses aangeboden voor het sturen van informatie naar de orthopedagoog zonder deze eerst door klager te laten lezen.

Na ontvangst van het verweerschrift heeft klager bezwaar gemaakt tegen opname van bepaalde informatie/gegevens in het dossier, namelijk:

-      notities van 20 september 2019 tot en met 16 oktober 2019;

-      notities van 26 oktober 2018 tot en met 15 februari 2019 (dan wel tot en met

21 oktober 2019);

-      de brief van 4 juli 2019 aan zijn behandelaar, p. 1, 2 en 3 het tekstgedeelte ‘speciale anamnese’ en ‘heteroanamnese moeder’.

Bij brief van 2 december 2019 heeft de secretaris van het college klager laten weten niet over te zullen gaan tot het vernietigen van de door hem genoemde stukken. Beklaagde is bij brief van dezelfde dag in de gelegenheid gesteld te bekijken of hij aanleiding ziet een aantal producties alsnog uit het dossier te laten verwijderen of een nadere toelichting te geven op de relevantie van de producties voor het verweer.

Bij brief van 12 december 2019 heeft de raadsman van beklaagde het volgende geschreven:

“[…] Client ziet geen aanleiding om het reeds ingediende verweerschrift aan te passen, maar bijgaand zend ik u wel een nieuwe productie 1 toe waarbij de vermeldingen na

23 september 2019 zijn afgeschermd (laatste contact tussen klager en cliënt).

Mag ik u verzoeken de reeds ingediende productie 1 te vernietigen en hiervoor in de plaats de aangepaste productie 1 te voegen.”

3.    HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT

Klager verwijt beklaagde - zakelijk weergegeven -:

a.    dat hij het beroepsgeheim heeft geschonden door in het bijzijn van de moeder van klager diagnoses te stellen;

b.    dat hij het beroepsgeheim heeft geschonden door in strijd met de gemaakte afspraken zonder toestemming van klager medische gegevens te delen in de wetenschap dat klager nooit zou instemmen met de verstrekte verklaring. Aan beklaagde is alleen gevraagd een ADHD-verklaring af te geven, voor het benoemen van een tweede ontwikkelingsstoornis bestond geen noodzaak.

In aanvulling op zijn klacht heeft klager nog naar voren gebracht dat beklaagde wat hem betreft ten onrechte heeft geweigerd door hem in de tuchtprocedure ingezonden gegevens te verwijderen. Ook heeft klager verzocht beklaagde te veroordelen in de reiskosten die klager heeft gemaakt in verband met de behandeling van de zaak.   

4.    HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE

Beklaagde voert - zakelijk weergegeven - aan dat hij een omissie heeft begaan door niet conform zijn eigen toezegging de uiteindelijke e-mail naar de orthopedagoog voor verzending aan klager te laten lezen. De ernst van deze omissie, waarvoor direct excuses zijn aangeboden, is echter niet zodanig dat een tuchtrechtelijk verwijt op zijn plaats is. Op verzoek van beklaagde heeft de orthopedagoog de over klager ontvangen informatie direct verwijderd.

5.    DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1          

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Het college stelt voorop dat van een beklaagde in een tuchtprocedure wordt verwacht dat hij de voor de zaak relevante stukken uit het (medisch) dossier bij zijn verweerschrift voegt. Daarnaast moet een beklaagde een reële mogelijkheid hebben zich te verdedigen tegen een tuchtklacht. Een beklaagde kan dan ook niet (tuchtrechtelijk) worden verweten dat hij zijn verweer onderbouwt met relevante stukken uit het medisch dossier. Na ontvangst van het verweerschrift heeft klager bezwaar gemaakt tegen een aantal door beklaagde overgelegde stukken. Beklaagde heeft hierna een aangepaste productie 1 ingezonden en verzocht de eerder overgelegde productie 1 te vernietigen. De overige producties zijn door beklaagde in ongewijzigde zin gehandhaafd. Het college acht de gehandhaafde producties voldoende relevant, zodat klager niet kan worden gevolgd in zijn standpunt dat beklaagde ten onrechte heeft geweigerd de door hem in deze procedure ingezonden gegevens te verwijderen. 

5.3

Beklaagde heeft bij klager psychiatrisch onderzoek gedaan. Dit onderzoek was specifiek gericht op de vraag of bij klager sprake was van autisme en/of ADHD. Voor het onderzoek heeft beklaagde meermaals met klager gesproken. Ook heeft hij in het kader van een heteroanamnese gesproken met klager en zijn moeder samen. Het uitvoeren van een heteroanamnese met een ouder/verzorger die bij de opvoeding betrokken is geweest, is in het kader van een psychiatrisch onderzoek naar autisme gebruikelijk.

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of beklaagde tijdens het gesprek met moeder heeft meegedeeld wat zijn (diagnostische) conclusies waren. Klager stelt dat dit wel het geval was. Beklaagde stelt dat hij heeft volstaan met het schetsen van een context waarbij verschillende diagnoses de revue zijn gepasseerd, maar dat hij geen diagnostische (eind)conclusies heeft gedeeld. Nu het college bij het gesprek niet aanwezig is geweest, is niet vast te stellen hoe dit gesprek precies is verlopen. Dat brengt mee dat niet kan worden vastgesteld dat beklaagde moeder heeft meegedeeld welke diagnose hij zou stellen.

Ten aanzien van het benoemen van mogelijke diagnoses (als context en voorwerp van onderzoek) in het gesprek met moeder overweegt het college als volgt.

Het schetsen van een algemene context met diagnoses in die zin dat moeder wordt uitgelegd dat haar input wordt gevraagd in het kader van een onderzoek naar autisme en/of ADHD, komt de uitvoering van de heteroanamnese ten goede. Dat geldt ook voor het geven van een meer specifieke context bij bepaalde vragen. Het kan aangewezen zijn bij specifieke vragen uit te leggen waarom deze worden gesteld (bijvoorbeeld om te beoordelen of er sprake is van depressieve kenmerken die invloed kunnen hebben op autisme). Zonder expliciet blijk van het tegendeel mocht beklaagde er ook van uitgaan dat klager, die met zijn moeder op het gesprek was verschenen, hiertegen geen bezwaar had.

Klachtonderdeel a slaagt daarmee niet.

5.4

Beklaagde heeft op verzoek van klager medische informatie verstrekt aan de orthopedagoog van school. Voorafgaand aan deze verstrekking heeft beklaagde in een

e-mail van 3 september 2019 aan klager uitgelegd dat het – kort gezegd – niet aan klager maar aan beklaagde is om aan de hand van een verzoek van (de medisch adviseur van) school te bepalen welke informatie relevant is. Het verzoek om informatie van de orthopedagoog betrof een vrij algemene vraag naar wat er was vastgesteld (diagnose) en niet een specifieke vraag naar het al dan niet bestaan van de diagnose ADHD. Beklaagde heeft dit verzoek beantwoord en heeft volstaan met het benoemen van de voor deze vraag relevante diagnoses en in algemene zin opgemerkt dat uit deze diagnoses beperkingen voortvloeien qua tempo van leren en organisatie van werkzaamheden. Een waardering van de betekenis van de diagnoses voor - specifiek - klager is door beklaagde niet gegeven.

Het verstrekken van dergelijke relevante medische informatie aan een derde (zorgprofessional) op verzoek en in het belang van een betrokkene kan in zijn algemeenheid de tuchtrechtelijke toetsing doorstaan. In dit geval was er echter slechts een voorwaardelijke toestemming, in die zin dat beklaagde had toegezegd dat hij de te verstrekken informatie nog aan klager zou laten lezen. Dit is niet gebeurd en daarvan kan beklaagde, ook in tuchtrechtelijke zin, een verwijt worden gemaakt.

In die zin is de klacht dus gegrond. Het college is overtuigd van de goede bedoelingen van beklaagde. Beklaagde voelde zich, als niet behandelend psychiater, niet de eerst aangewezene om informatie over klager te verstrekken. Vanwege de afwezigheid van klagers behandelaar wegens vakantie heeft beklaagde desondanks aan het - herhaalde - verzoek van klager voldaan, in eerste instantie door het verstrekken van deze medische informatie aan klager zelf. Toen klager met deze informatie niet akkoord was heeft beklaagde per e-mail een uitgebreide uitleg gegeven over de mogelijkheden van het verstrekken van medische informatie door beklaagde. Hiermee heeft beklaagde willen borgen dat de informatie die hij zou verstrekken alleen bij een andere zorgprofessional terecht zou komen die op zijn beurt ook gehouden was de privacy van klager te eerbiedigen.

Beklaagde heeft het op 3 september 2019 ontvangen verzoek van de orthopedagoog nog dezelfde dag beantwoord. Dit heeft hij gedaan in de wetenschap dat haast geboden was vanwege de toetsperiode die kort daarna zou beginnen. Hierbij heeft beklaagde over het hoofd gezien dat hij klager had toegezegd de door hem te verstrekken informatie vooraf voor te leggen. Beklaagde heeft hiervoor op 9 september 2019 per e-mail zijn excuus aangeboden en ook in zijn verweerschrift en ter zitting herhaald dat dit een omissie was van zijn kant. Ook heeft hij de orthopedagoog verzocht de gegeven informatie te verwijderen. Het college is onder deze specifieke omstandigheden van oordeel dat aan beklaagde geen maatregel behoeft te worden opgelegd.

5.5

Klager heeft verzocht om veroordeling van beklaagde tot betaling van de door hem gemaakte reiskosten voor de zitting en het mondeling vooronderzoek. Gelet op de gegrondverklaring van klachtonderdeel b zal het college het verzoek van klager beklaagde te veroordelen tot betaling van de door klager gemaakte reiskosten honoreren. Deze reiskosten worden begroot op een (forfaitair) bedrag van 2 x € 25,00. 

6.    DE BESLISSING

Het college:

-      verklaart klachtonderdeel b gegrond; 

-      bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;

-      verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

-      veroordeelt beklaagde in de hierboven vastgestelde kosten van klager van in totaal

€ 50,00 wegens reiskosten en veroordeelt hem dit bedrag te voldoen op de bankrekening van klager binnen een maand nadat deze hem schriftelijk het bankrekeningnummer en de tenaamstelling van de bankrekening waarop dit bedrag kan worden gestort heeft laten weten.

Aldus gegeven door A.A.A.M. Schreuder, C.M.J.H. Vermeulen en R.J. Wolters leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van M. Keukenmeester, secretaris.                                                                                                   

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.     Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.     Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.     Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.