ECLI:NL:TGZRZWO:2020:135 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 106/2020

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2020:135
Datum uitspraak: 21-12-2020
Datum publicatie: 21-12-2020
Zaaknummer(s): 106/2020
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen cardioloog over hartkatheterisatie. Patiënte overleden. Klaagster verwijt beklaagde o.m. dat hij hoger heeft aangeprikt dan verantwoord en driemaal heeft aangeprikt in plaats van tweemaal. Het college is van oordeel dat de derde aanprikpoging in de linkerlies niet onzorgvuldig is geweest. Geen protocol van toepassing. Het college overweegt dat het op zichzelf onjuist is dat beklaagde te hoog heeft aangeprikt. Patiënte was adipeus en de liezen waren tijdens de ingreep – op de aanprikplaats na – volledig afgedekt waardoor hij niet heeft gezien dat hij te hoog heeft aangeprikt. Klachten ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 21 december 2020 naar aanleiding van de op 8 juli 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A , wonende te B,

k l a a g s t e r

-tegen-

C , cardioloog, werkzaam te D,

bijgestaan door mr. S.J. Muntinga, werkzaam bij VvAA Rechtsbijstand te Utrecht,

b e k l a a g d e

1.    HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

-      het klaagschrift met de bijlagen;

-      het verweerschrift met de bijlagen.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 20 november 2020, waar zijn verschenen klaagster en beklaagde, bijgestaan door zijn gemachtigde.

2.    DE FEITEN

Op grond van de stukken (waaronder het medische dossier) en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

De klacht betreft de moeder van beklaagde, geboren in 1947 en overleden in 2019, hierna te noemen: ‘patiënte’. Zij was in de voorgeschiedenis bekend met perifeer arterieel vaatlijden, diabetes type II, hypercholesterolemie, hypertensie, roken en obesitas. In 1998 had zij een mamma-amputatie ondergaan in verband met een mammacarcinoom. In 2014 was patiënte voor een consult bij de vaatchirurg geweest wegens een verdenking van vaatproblemen in beide benen. Deze concludeerde dat er arterieel “weinig aan de hand lijkt te zijn” en dat in het veneuze systeem rechts sprake was van “een insufficiënte VSM cross en proximale stam.”

Patiënte werd op 10 mei 2019 via de Spoedeisende Hulp opgenomen op de afdeling Cardiologie in verband met pijn op de borst. Er werd door een arts-assistent een anamnese bij patiënte afgenomen en een lichamelijk onderzoek verricht. Aanvullend werden een ECG en een X-thorax gemaakt en werd laboratoriumonderzoek bij patiënte verricht. Het ECG liet een linker bundeltakblok zien, de thoraxfoto toonde diffuus iets versterkte tekening in beide longen waarschijnlijk passend bij enig COPD en een lichte hoeveelheid pleuravocht beiderzijds. De uitslag van het laboratoriumonderzoek vermeldde een Hb van 9.2 mmol/l, een Ht van 0.44 l/l, een troponine van 30 ng/l en een INR van 1,1.

De conclusie was ”volgens sgarbossa criteria geen tekenen van acute ischemie, dd instabiele ap.”  Cardioloog E besloot tot het volgende beleid:

-opname voor CAG (in interventie centrum)

-T3

-Echo cor herhalen

-Start ticagrelor oplaad 180 mg, daarna 2 dd 90 mg

-Start metoprolol 1 dd 50 mg

-Start fraxiparine 2 dd 0.8 cc (gewicht 84 kg).”

De echo cor werd dezelfde middag bij patiënte gemaakt. De uitslag was als volgt:

De systolische linkerventrikelfunctie is normaal. Het IVS is verdikt. De systolische functie van de RV is normaal. Aortaklepsclerose. Er is matige calcifatie van de annulus mitralis. Matige tricuspidalisklepinsufficiëntie. Systolische RV-druk in rust:verhoogd 44 mmHg.

Tussen 11 en 14 mei 2019 gaf patiënte geen cardiale klachten aan. De verpleegkundig specialist noteerde op 13 mei 2019 het volgende in het dossier:

Geen cardiale klachten. Stoppen met roken gaat heel goed. Conclusie: Pijn op de borst bij verhoogd cardiovasculair risicoprofiel, dd ACS (troponine 30-38). Beleid: CAG klinisch, misschien vandaag.”

Op 14 mei 2019 gaf patiënte klachten aan. In het dossier noteerde de verpleegkundig specialist: “Geeft aan nog af en toe wat pijn/druk in de rug te voelen. Pte rookt mogelijk toch meer dan ze zelf aangeeft. Lichamelijk onderzoek:[…] troponine opgelopen naar 58. Conclusie: Pijn op de borst bij verhoogd cardiovasculair risicoprofiel, dd ACS (troponine 30-38). Beleid: morgen CAG, eenmalig trop T bepalen, bij toch steeds wat klachten, start fraxiparine vandaag.”

Op 15 mei 2019 had beklaagde de hele dag dienst op de hartcatherisatiekamer. Alvorens hij bij patiënte startte met de Coronaire Angio Grafie (CAG) heeft hij volgens protocol de time-out procedure uitgevoerd. Op het betreffende formulier noteerde hij bij de vraag of de antistolling was gestaakt: “nvt”. Na een moeizame start met drie aanprikpogingen heeft beklaagde uiteindelijk besloten de CAG te beëindigen.

In het dossier concludeerde hij als volgt:

CAG niet gelukt ivm gegeneraliseerd vaatlijden. CAG via a.rad.rechts: vlotte punctie, soepel opvoeren tot vastlopen in de truncus brachiocefalica, voerdraad wel in de aorta, catheter gaat niet door het nauwe lumen heen. Via a.fem.dext:lastige punctie, uiteindelijk sheeth wel goed in t vat, thv splitsing iliaca ext.vastlopen, geen contrast naar proximaal. Via a.fem.sin: vlotte punctie, sheeth goed in het vat, voerdraad loopt vast, met manipulatie wel door eerste stenose op te voeren echter na een paar cm weer vastlopen en geen contrast verder proximaal. aldus gegeneraliseerd vaatlijden! Procedure gestaakt, bandje om de re pols, drukverband bdz in de liezen”.

Nadat patiënte terug was geplaatst op de afdeling Cardiologie werd zij rond 12.00 uur haemodynamisch instabiel met een lage bloeddruk en pols. Beklaagde adviseerde om patiënte te blijven observeren en haar laagdrempelig over te laten plaatsen naar de CCU en met de dienstdoende cardioloog contact op te nemen. Patiënte bleef hypotensief waarop ze naar de CCU werd overgeplaatst. Ze kreeg extra vocht toegediend en het Hb werd gecontroleerd. D e uitslag liet een Hb zien van 7,7 mmol/l en een Ht van 0.36 mmol/l. Patiënte kreeg extra vocht toegediend en werd overgeplaatst naar de CCU. De vaatchirurg werd in consult gevraagd om de vaatstatus te onderzoeken in verband met geen toegankelijkheid tijdens de CAG. De arts-assistent vaatchirurgie besloot tot het aanvragen van een echo duplex voor patiënte. De arts-assistent vaatchirurgie noteerde in het verslag van zijn consult: “Medicatie o.a. ticagrelor 2dd90mg, ascal 1dd80mg dispertablet, fraxiparine 2dd7600 IE sc rosuvastatine 1dd20mg.” Nadat patiënte stabiliseerde is zij ’s avonds teruggeplaatst naar de afdeling Cardiologie.

Op 16 mei 2019 werd patiënte in de ochtend gezien door cardioloog E. Er werd opnieuw bloedonderzoek bij patiënte verricht en E noteerde het volgende in het dossier:

“[…] Insteekopeningen hebben niet meer nagelekt. Up blijft krap (40 cc/uur). Loopt op, CAD is uit, insteekopeningen zijn rustig. Beleid: cardio vervolg 11 uur: Hb 7.1 (-0.6 à mogelijk verdunning) kreat 109 (83) à medicamenteus? milde ATN bij hypotensie gisteren? contrast? (echter minimale toediening gehad) à afh van kliniek waarbij nu al dagen klachtenvrij en CAG niet op korte termijn opnieuw gaat lukken, evt naar huis en poliklinisch verder oppakken.”

Patiënte kreeg ’s middags een echo duplex aorta-iliacaal met als vraagstelling: “indruk van iliacale obstructies bij poging CAG. Graag doorgankelijkheid aorto-iliacaal in beeld brengen.” In het verslag van de echo staat: “In verband met adipositas en gasvorming echografisch slecht toegankelijk waardoor grotendeels niet beoordeelbaar. Waarschijnlijk hemodynamisch significante afwijking in de aorta net distaal van de origo van de AMS. Distale aorta en AIC beiderzijds niet goed beoordeelbaar. Beiderzijds AIE bifasische flow zonder duidelijke hemodynamisch significante afwijkingen.”

In overleg met de vaatchirurg is voor patiënte diezelfde dag een CT-Aorta abdominalis (CTA) aangevraagd met als vraagstelling: “verdenking arterieel lijden.”  De uitslag van de CTA werd rond 22.00 uur verslagen door de radioloog: “Uitgebreide artherosclerose in het aorta iliacaal traject beiderzijds met occlusie van de AIC rechts, alsmede een sterk gecalcificeerde korte occlusie in de distale AIC links. Fors retroperitoneaal hematoom para-iliacaal rechts met beeld van kleine actieve contrastextravasatie zoals boven omschreven. Als toevalsbevinding multiple sclerotische laesies verspreid in het afgebeelde skelet sterk passend bij ossale metastasen (status na mammacarcinoom).”

Beklaagde had op 16 mei 2019 avond- en nachtdienst en besloot naar aanleiding van de CT-uitslag en na telefonisch overleg met de dienstdoende arts-assistent de volgende ochtend opnieuw bloedonderzoek te laten verrichten bij patiënte. Na de overdracht op

17 mei 2019 is beklaagde niet meer bij haar betrokken geweest.

Op 17 mei 2019 in de ochtend voelde patiënte zich niet lekker. De dienstdoende cardioloog noteerde: “Anamnese: Geen cardiale klachten. Erg pijnlijke rechterbovenbuik/flank. In retrospect al sinds gisteren na CAG. Is iets zweterig en duizelig. Aanvullend onderzoek: Lab: Hb 8.0-5.2. Conclusie: 1. Opname ivm beperkt NSTEMI. CAG niet gelukt ivm geen toegang arteriën bij zeer slecht arterieel systeem. 2. Hemodynamisch instabiel na CAG, weinig contrast gehad (35 cc). 3. Occluderend vaatlijden bij patiënte met indicatie tot CAG. 4. Verdenking osteolytische haarden bij status na mammacarcinoom. Beleid: CAG poliklinisch plannen afh. van beloop. Nu maximaal conservatief beleid. Iom F chirurg opnieuw vragen ivm bloeding na CAG kruisbloed afnemen en PC’s iom chirurgied. Fraxi TNO stop. Internist icc ivm osteolytische haarden. Complicatie nog registreren als afloop bekend is.”

Patiënte is dezelfde dag geopereerd, waarbij een bloeding in de aanprikplaats van de rechter arteria iliaca externa is overgehecht. De aanprikplaats bevond zich 3 cm boven het ligament van Poupart.

Diezelfde nacht en de daaropvolgende dag verslechterde de toestand van patiente, waarop ze de volgende nacht op 19 mei 2019 overleed. Het overlijden van patiënte is door het ziekenhuis gemeld als calamiteit aan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).

3.    HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT

Klaagster verwijt beklaagde - zakelijk weergegeven – dat hij:

1.    onzorgvuldig heeft gehandeld door het niet volgens protocol uitvoeren van bepaalde medische handelingen (hoger en driemaal aanprikken in plaats van tweemaal), waardoor patiënte tweemaal in shock is geraakt, onnodig pijn heeft geleden, een spoedoperatie heeft moeten ondergaan en uiteindelijk na een lijdensweg is overleden;

2.    cruciale informatie (het hoger aanprikken tijdens de CAG en de daarbij behorende gevolgen) heeft onthouden aan zijn collega’s waardoor bij hen geen extra alertheid was op het risico van een bloeding;

3.    patiënte en betrokken familie geen toelichting heeft gegeven op het afwijken van het protocol tijdens de katheterisatie en hen niet heeft geïnformeerd over het verhoogde risico op een bloeding door het hoger aanprikken tijdens de hartkatheterisatie;

4.    de spoedoperatie niet heeft aangegeven als calamiteit bij de IGJ;

5.    patiënte en de direct betrokken familie onvoldoende heeft geïnformeerd over de bevindingen van de CTA;

6.    na het overlijden van patiënte niets meer van zich heeft laten horen en naar hen toe niet heeft erkend dat hij fouten heeft gemaakt.

4.    HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE

Beklaagde voert - zakelijk weergegeven - aan dat hij heeft gehandeld conform de op hem rustende zorgplicht als bedoeld in artikel 47 Wet BIG. Hij heeft de hartkatheterisatie zorgvuldig uitgevoerd. Er is geen protocol waarin staat hoe vaak een bloedvat mag worden aangeprikt. Hoewel het gebruikelijk is dat twee aanprikpogingen worden gedaan, was het niet onverantwoord een derde poging bij patiënte te verrichten. Er bestonden geen aanwijzingen voor belangrijke vernauwingen en er waren goede pulsaties in de lies van patiënte voelbaar. Beklaagde heeft niet van patiënte vernomen dat zij wilde stoppen met de ingreep, anders had hij hier gehoor aan gegeven. Het aanprikken van de vaten gebeurt niet onder echobegeleiding omdat er sprake is van een arteriële ader die goed voelbaar is. Het was voor hem op het moment van de ingreep niet bekend dat hij hoger had aangeprikt. Dit werd pas duidelijk tijdens de operatie op 17 mei 2019. Hij heeft patiënte op 15 mei 2019 hierover dan ook niet kunnen informeren. Na een hartkatheterisatie is een lage bloeddruk een bekende complicatie. Hier is door de verpleegkundig specialist en de dienstdoende cardioloog op geacteerd door patiënte over te plaatsen naar de hartbewaking voor hemodynamische bewaking. Ook heeft er telefonisch overleg plaatsgevonden tussen beklaagde en de verpleegkundig specialist. De uitslag van de CTA heeft hij besproken met de dienstdoende arts-assistent en er was op dat moment geen reden om actie te ondernemen. De gehele opname is tot aan het overlijden van patiënte als calamiteit gemeld bij de IGJ. Na de overdracht op 17 mei 2019 is beklaagde niet meer betrokken geweest bij de behandeling van patiënte. Hij heeft na het overlijden van patiënte bij zijn collega-cardioloog en de klachtenfunctionaris kenbaar gemaakt dat hij bereid was een gesprek met klaagster aan te gaan.

5.    DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1  

Het college heeft er begrip voor dat het overlijden van patiënte voor klaagster aangrijpend is geweest. Toch zal ook in dit geval, waar het gaat om de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen, moeten worden beoordeeld of beklaagde bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Daarbij wordt rekening gehouden met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klager klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen in de beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard.

5.2

De eerste drie klachtonderdelen betreffen het handelen van beklaagde tijdens de CAG. Het college ziet aanleiding deze klachtonderdelen gezamenlijk te bespreken.

Beklaagde heeft ter zitting verklaard dat hij in totaal op drie verschillende plekken heeft geprikt, namelijk eerst in de rechterpols, daarna in de rechter- en linkerlies. Het college is van oordeel dat de derde aanprikpoging in de linkerlies niet onzorgvuldig is geweest. Niet gesteld kan worden dat beklaagde van het protocol is afgeweken nu er geen protocol of richtlijn bestaat waaruit blijkt dat maximaal twee aanprikpogingen mogen worden verricht. Beklaagde had op het moment van aanprikken in de linkerlies geen aanwijzingen van vernauwingen en pas tijdens het opvoeren van de katheter werd hij geconfronteerd met stenoses waardoor hij het hart niet kon bereiken. De pulsaties waren goed voelbaar en beklaagde had snel een arteriële toegang. Hij heeft bij zijn besluit tot een derde aanprikpoging mee laten wegen dat patiente niet nogmaals de ingreep zou moeten ondergaan en hiervoor zou moeten terugkomen. Dat patiënte tijdens de behandeling heeft aangegeven dat zij wilde stoppen – althans dat dit voor beklaagde kenbaar was - is het college niet gebleken. Beklaagde heeft ter zitting verklaard dat hij met patiënte heeft overlegd om ook de linkerlies aan te prikken en dat hem toen niet is gebleken dat zij bezwaar daartegen had. Het dossier bevat daarvoor geen enkele aanwijzing. Evenmin zijn er andere (objectieve) bronnen waaruit dit zou kunnen blijken. Het woord van klaagster, aan wie patiënte dit na afloop van de behandeling zou hebben gezegd, staat daarmee tegenover dat van beklaagde.

Voor wat betreft de rechterlies staat vast dat beklaagde te hoog heeft aangeprikt. Beklaagde heeft ter zitting uitgelegd dat hij op het moment van aanprikken goede pulsaties voelde, dat het prikken lastig was en hij na meerdere keren wel “doel had getroffen”. Patiënte was adipeus en de liezen waren tijdens de ingreep – op de aanprikplaats na – volledig afgedekt waardoor hij niet heeft gezien dat hij te hoog heeft aangeprikt. Pas tijdens de operatie van 17 mei 2019 werd zichtbaar dat de aanprikplaats 3 cm boven het ligament van Poupart lag. Hij kon patiënte of zijn collega’s daarover dan ook niet eerder informeren. Hoewel het college van oordeel is dat het op zichzelf onjuist is dat beklaagde te hoog heeft aangeprikt, kan onder de gegeven omstandigheden en met de uitleg die beklaagde heeft gegeven niet gesteld worden dat hij buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is getreden. Beklaagde heeft een zorgvuldige afweging gemaakt voor zijn besluit een derde poging te doen, in de redelijke verwachting dat de CAG zou slagen.

5.3

Het vierde klachtonderdeel betreft het niet melden van de spoedoperatie als een calamiteit bij de IGJ. Het college oordeelt hierover als volgt. Ingevolge artikel 11, eerste lid onder a, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (WKKGZ) is de zorgaanbieder verantwoordelijk voor een melding bij de IGJ. De zorgaanbieder is in dit geval het ziekenhuis waar patiënte verbleef. Beklaagde heeft derhalve zelf geen melding hoeven doen en kan op dit punt dan ook geen verwijt worden gemaakt. Het college merkt overigens op dat het ziekenhuis de hele opname van patiënte als calamiteit heeft gemeld, getuige het calamiteitenrapport dat deel uitmaakt van de stukken.

5.4

In het vijfde klachtonderdeel verwijt klaagster beklaagde dat hij niet voldoende heeft gecommuniceerd richting patiënte en familie over de uitslag van de CTA. Het college overweegt daarover het volgende. Op 16 mei 2019 had beklaagde avond- en nachtdienst en hij kreeg later op de avond telefonisch de uitslag te horen van de CTA van patiënte. Ter zitting is gebleken dat beklaagde op dat moment thuis was en dat hij direct contact heeft opgenomen met de dienstdoende assistent op de afdeling. Deze is op verzoek van beklaagde bij patiënte langs geweest. Omdat de arts-assistent constateerde dat patiënte op dat moment stabiel was met goede controles en dit als zodanig aan beklaagde heeft teruggekoppeld, zag beklaagde geen reden om die avond verdere actie te ondernemen of de uitslag meteen met patiënte of de familie te bespreken. Het college kan beklaagde hierin volgen en ziet geen reden voor een tuchtrechtelijk verwijt. Onder de gegeven omstandigheden was verweerders afweging om de volgende dag het Hb te laten controleren en geen verdere actie te ondernemen te rechtvaardigen.

Pas toen de volgende ochtend een forse Hb-daling werd vastgesteld werd duidelijk dat patiënte fraxiparine gebruikte. Klaagster stelt in haar klaagschrift dat beklaagde de antistolling niet heeft gestopt. Beklaagde heeft ter zitting uitgelegd dat het gebruikelijk is dat fraxiparine bij een acuut coronair syndroom gedurende de eerste drie dagen vanaf opname wordt gegeven en daarna wordt gestopt. In het dossier is vastgelegd dat hij tijdens de time-outprocedure heeft gecheckt of patiënte antistolling gebruikte. Beklaagde noteerde ‘niet van toepassing’ hetgeen impliceerde dat patiënte geen fraxiparine gebruikte en dat er geen sprake was van een tijdelijke stopzetting. Als patiënte op dat moment nog fraxiparine had gebruikt had beklaagde ‘tot nader order stop’ genoteerd op het time-out formulier. Dat later op 17 mei 2019 in het dossier werd genoteerd ‘Fraxi TNO stop’ betekent dat bij patiënte na de CAG opnieuw is gestart met fraxiparine, op voorschrift van een collega. Beklaagde heeft dit vastgesteld naar aanleiding van de verpleegkundige medicatie-aftekenlijst die hij heeft opgevraagd. Het college stelt vast dat het patiëntendossier onvoldoende uitsluitsel geeft over de giften fraxiparine. Beklaagde heeft in zijn overleg met de arts-assistent naar aanleiding van de CTA niet expliciet gecontroleerd of patiënte nog antistolling gebruikte. Dit was zorgvuldig geweest maar is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Omdat het echter ongebruikelijk is in het kader van een acuut coronair syndroom fraxiparine te herstarten na een CAG welke in dit geval meer dan drie dagen na opname plaatsvond, en dit niet in overleg met beklaagde is gebeurd, is het voorstelbaar dat beklaagde ervan uit ging dat patiënte geen fraxiparine gebruikte toen hij de uitslag kreeg van de CTA. In dat licht bezien kan beklaagde niet worden verweten dat hij de fraxiparine in de avond van 16 mei 2019 niet heeft gestopt of hier navraag naar heeft gedaan.

5.5

In het laatste klachtonderdeel verwijt klaagster beklaagde dat hij na het overlijden van patiënte niets van zich heeft laten horen. Beklaagde heeft, op vragen van het college, verklaard dat hij meteen na het overlijden van patiënte zowel aan zijn collega als aan de klachtenfunctionaris heeft aangegeven open te staan voor een gesprek met de familie. Ter zitting verklaarde klaagster dat zij pas in november 2019 van de klachtenfunctionaris hoorde dat beklaagde in gesprek wilde gaan en dat zij daarvoor niet van beklaagde heeft vernomen. Het college is van oordeel dat beklaagde, zoals hij zelf ook erkent, actiever had kunnen optreden naar de familie maar dat hij ook mocht vertrouwen op de rol van de klachtenfunctionaris zoals te doen gebruikelijk. Het college vindt het ongelukkig dat het aanbod van beklaagde richting de klachtenfunctionaris niet eerder is doorgekomen maar acht het te ver gaan om hem hiervan een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

5.6

Het college concludeert dat beklaagde met zijn handelen binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven, zodat de klacht in alle onderdelen ongegrond wordt bevonden.

6.    DE BESLISSING

Het college verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gegeven door P.A.H. Lemaire, voorzitter, J.C.J. Dute, lid-jurist, J. Schuur,

M. van Bergeijk en A.C.P. Maas, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van

G.E. Bart, secretaris.

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.     Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.     Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.     Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.