ECLI:NL:TGZRZWO:2020:131 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 056/2020

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2020:131
Datum uitspraak: 15-12-2020
Datum publicatie: 15-12-2020
Zaaknummer(s): 056/2020
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een arts/medisch adviseur van een huisartsenpost (HAP). De klacht betreft het optreden van de medisch adviseur bij gesprekken met klagers naar aanleiding van een door hen ingediende klacht over de behandeling van de hulpvraag voor hun zoon door de HAP. Tweede tuchtnorm. Klagers verwijten de medisch adviseur dat deze geen gehoor wilde geven aan het verzoek van klagers om de betrokken triagist bij de gesprekken aanwezig te laten zijn en dat beklaagde hen tijdens de gesprekken gevoelloos, kwetsend en schreeuwend te woord heeft gestaan. Het college oordeelt dat het eerste niet aan beklaagde kan worden verweten. Het college gaat er verder van uit dat beklaagde de door klager bedoelde bewoordingen heeft gebruikt. Het college kan niet vaststellen dat beklaagde daarbij heeft geschreeuwd. Hoewel het college zich kan voorstellen dat de zakelijke uitleg van beklaagde en de door hem gekozen bewoordingen weinig tactvol en empathisch op klagers zijn overgekomen, kan gelet op de context niet worden gezegd dat beklaagde daarmee de grenzen heeft overschreden van wat een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Het college beoordeelt de klachten daarom als ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 15 december 2020 naar aanleiding van de op 23 april 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A en B ,                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                               wonende te C,

k l a g e r s

-tegen-

H , huisarts, (destijds) werkzaam te E,

bijgestaan door mrs. A.J. Zijlstra en D. Thiescheffer, advocaten te Amsterdam,

b e k l a a g d e

1.    HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

- het klaagschrift met bijlagen;

- de twee aanvullende klaagschriften;

- het verweerschrift met bijlagen;

- de repliek met bijlagen;

- de dupliek;

- de brief van klagers met bijlagen van 30 oktober 2020;

- de aanvullende stukken verstuurd door het college op 9 en 10 november 2020.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 13 november 2020. Verschenen zijn klagers in persoon en beklaagde vergezeld door de gemachtigden van beklaagde.

2.    DE FEITEN

Op grond van de stukken (waaronder de transcriptie van de gesprekken met de huisartsenpost te E) en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

2.1

De klacht houdt verband met de zorg voor de zoon van klagers, F, geboren in 1987 en overleden op 7 juli 2019, verder patiënt te noemen.

2.2

Op zaterdag 6 juli 2019 om 23:16 uur nam A (verder: klager) telefonisch contact op met de huisartsenpost E, verder de HAP te noemen. Klager gaf aan dat hij voor zijn zoon belde, die een hersentumor had en bezig was met een chemokuur. Hij had de hele middag zo’n beetje alles er uitgespuugd en de druk in zijn hoofd was nogal heftig. Desgevraagd heeft klager verteld dat patiënt anders reageerde dan ze gewend waren, dat hij niet goed aanspreekbaar was, aan het ijlen was, naar zijn hoofd greep en in zijn broek had geplast.

Om 23:20 uur heeft de triagist overlegd met de dienstdoende huisarts op de HAP (hierna: de telefoonarts). De triagist heeft in het kort verteld wat klager had verteld en gevraagd of de telefoonarts klager wilde spreken. De telefoonarts vond dat niet direct nodig. Hij beoordeelde de situatie zo dat een huisarts moest gaan kijken en dat er geen indicatie was voor een ambulance, tenzij sprake was van een acuut beeld waarbij patiënt niet meer aanspreekbaar was. Afgesproken werd dat de triagist nog aan klager zou vragen of patiënt iets insult-achtigs had en of hij dit al eerder had gehad. De telefoonarts gaf aan dat als de toestand van patiënt snel achteruitging wel een ambulance moest worden gestuurd.

Om 23:22 uur heeft de triagist nogmaals contact gehad met klager. Naar aanleiding van dit contact heeft de triagist om 23.24 uur weer overlegd met de telefoonarts. Zij gaf door dat patiënt glioblastoom IV had, dat patiënt af en toe wat aan het ijlen was en leek weg te vallen, en dat het niet zo was dat hij in een insult zat; dat had hij twee geleden voor het laatst gehad. De telefoonarts gaf daarop aan dat een dokter moest gaan kijken, met U2-urgentie, en dat de ouders moesten terugbellen als de situatie plotseling zou verergeren.

De triagist heeft klager om 23:25 uur laten weten dat er snel een dokter zou komen.

Zij heeft erbij gezegd dat, als patiënt snel achteruit zou gaan of als klager het niet vertrouwde, hij direct moest terugbellen en de ‘1’ moest indrukken.

Om 23:45 uur heeft klager weer contact opgenomen met de HAP. Hij sprak met een andere triagist en vertelde dat patiënt nu een insult/aanval had en dat wat dat betreft dus spoed was geëist. Hij meldde daarbij dat hij kort daarvoor met de HAP had gebeld en dat er een arts zou komen, maar dat dit al weer 20 minuten geleden was.

De triagist heeft vervolgens om 23:47 uur overlegd met de telefoonarts, die heeft besloten dat er een ambulance moest worden gestuurd. Daarop is de U2 visite geannuleerd en een ambulance met urgentie U1 gestuurd. Om 23:49 uur heeft de triagist aan klager mede­gedeeld dat er een ambulance naar hen onderweg was.

Patiënt is met de ambulance vervoerd naar het G in E waar hij de volgende dag is overleden aan de gevolgen van een Glioblastoom graad IV.  

2.3

Klagers hebben op 14 augustus 2019 een klacht ingediend bij de I naar aanleiding van het telefonisch contact met de HAP op 6 juli 2019. Volgens klagers is door de HAP niet adequaat gereageerd, als gevolg waarvan hun zoon in een insult is geraakt en de volgende dag is overleden. Beklaagde heeft als medisch adviseur van de HAP de klacht van klagers beoordeeld. Zijn conclusie was dat de HAP heeft gehandeld conform de geldende Nederlandse Triage Standaard (NTS) richtlijn.

Op 9 september 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen klagers, beklaagde en de klachtenfunctionaris van de HAP. Tijdens het gesprek zijn geluidsfragmenten van de telefonische contacten op 6 juli 2019 beluisterd. Klagers voelden zich na het beluisteren gesterkt in hun mening dat er geen goed advies is uitgebracht door de telefoonarts ten aanzien van de urgentie waarmee hun zoon gezien moest worden. Ook vonden zij dat het telefoongesprek te lang had geduurd. Beklaagde heeft uitleg gegeven en zijn conclusies toegelicht. In het gespreksverslag dat de klachtenfunctionaris heeft gemaakt, is dit als volgt weergegeven:

“[Beklaagde] geeft aan dat er vaak epileptische consulten optreden bij een hersentumor. Dit is dan ook waar triagisten op uitvragen tijdens het telefoongesprek. Op het moment dat [klager] belde, was er nog geen sprake van een insult. Wel moest er zo snel mogelijk een dokter naar toe. Zo snel mogelijk wil op de huisartsenpost zeggen dat er binnen 1 uur een arts aanwezig moet zijn. Was er wel al sprake geweest van een insult, of voortekenen dat er op korte termijn een insult zou plaatsvinden, dan was dat een urgentie verhogende situatie geweest en was er een ambulance gestuurd. Wat niet goed is gegaan, is de communicatie over de snelheid waarmee er een arts zou komen. (…) Ook beaamt [beklaagde] dat het telefoongesprek wellicht wat efficiënter had gekund, maar geeft daarbij ook aan dat het een lastige situatie was om goed in te schatten en dat de triagist wel to the point was in haar vraagstelling en de juiste vragen stelde.

Na 40 minuten verslechterde de situatie van de zoon van [klagers] en kreeg hij een insult. [Klager] heeft toen de spoedlijn van de huisartsenpost gebeld en er is een ambulance gestuurd. De visite die gepland stond is op dat moment geannuleerd. Hiervan zijn [klagers] niet op de hoogte gebracht.

[Beklaagde] legt uit hoe er op de huisartsenpost wordt bepaald wie welke hulp nodig heeft en hoe snel. Dit is een afweging die gemaakt moet worden omdat niet iedereen tegelijk gezien kan worden. De urgentie wordt niet bepaald aan de hand van ziektebeelden, maar van toestandsbeelden. Het feit dat de zoon van [klagers] een hersentumor had was dus niet leidend in het bepalen van de urgentie, maar de situatie die de tumor had uitgelokt bepaalde de urgentie. Omdat er op het moment van bellen nog geen tekenen van een (naderend) insult waren, is de gekozen urgentie in de ogen van [beklaagde] terecht. Hij is dan ook van mening dat er geen sprake is van falen door de huisartsenpost, maar dat de actualiteit de situatie heeft ingehaald.”

Klagers bleven bij hun mening dat er met spoed een ambulance had moeten worden gestuurd en dat hierin een fout is gemaakt door de HAP. Zij wilden het er niet bij laten zitten. Afgesproken werd dat klagers informatie van de klachtenfunctionaris zouden ontvangen over mogelijke vervolgstappen, dat een chronologisch overzicht zou worden

gemaakt van hoe de situatie op 6 juli 2019 is verlopen, gebaseerd op de gegevens die zijn vastgelegd bij de HAP, dat klagers een verslag van de gevoerde telefoon­gesprekken zouden ontvangen en dat zou worden uitgezocht waardoor de visitearts niet meteen naar de zoon van klagers is gereden zodra de visite was gepland.

Hierna is een transcript gemaakt van de telefonische contacten op 6 juli 2019 tussen klagers, de triagist en de telefoonarts. Het transcript is aan klagers toegezonden.

Op 5 november 2019 heeft een tweede gesprek plaatsgevonden waarbij naast klagers, beklaagde en de klachtenfunctionaris ook de telefoonarts aanwezig was. Tijdens dit gesprek is klagers de gelegenheid geboden opnieuw de geluidsfragmenten te beluisteren en na te gaan of de opgestelde transcripten juist en volledig waren. Klager heeft de telefoonarts gevraagd of hij vindt dat hij fout is geweest. De telefoonarts heeft allereerst zijn medeleven uitgesproken. Vervolgens heeft hij toegelicht dat, aangezien er niet direct sprake was van een insult, maar wel van iemand die het risico liep een insult te krijgen, het beleid is gevolgd dat er binnen één uur een arts ter plaatse moest zijn (urgentiecode U2). De telefoon­arts gaf aan volgens dit beleid te hebben gehandeld. Klagers bleven erbij dat er een verkeerde beslissing is gemaakt. Zij wilden een derde partij er onafhankelijk naar laten kijken. Beklaagde heeft aangegeven dit een goed idee te vinden omdat beklaagde klagers toewenste dat ze verder kunnen met hun verwerkingsproces. Klagers hebben opgemerkt dat meerdere doktoren hebben gezegd dat er verkeerd is gehandeld. Beklaagde heeft aangegeven open te staan voor een gesprek met deze artsen hierover. Afgesproken is dat klagers aan de hand van de informatie over mogelijke vervolgstappen die zij van de klachtenfunctionaris hadden gekregen zouden besluiten welke stap zij wilden zetten. Ook van dit gesprek is een verslag gemaakt, dat aan klagers is gestuurd.  

3.    HET STANDPUNT VAN KLAGERS EN DE KLACHT

Klagers verwijten beklaagde, zakelijk weergegeven:

1.    dat beklaagde geen gehoor wilde geven aan het verzoek van klagers om de betrokken triagist bij de gesprekken aanwezig te laten zijn;

2.    dat beklaagde klagers tijdens de gesprekken op 9 september 2019 en 5 november 2019 gevoelloos, kwetsend en schreeuwend te woord heeft gestaan, bijvoorbeeld met de woorden “U hoeft van ons geen sorry te verwachten”, “Mevrouw, uw zoon had een dodelijke ziekte!”, en “Wat denk je wel niet, dat we met toeters en bellen naar C rijden?”.

4.    HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE

Beklaagde stelt voorop dat wat klagers als ouders hebben doorgemaakt ontzettend zwaar moet zijn. Beklaagde kan zich goed voorstellen dat het aanschouwen van de verslechterende toestand van hun zoon en het daaropvolgende verlies van hun zoon hevige emoties bij hen teweeg heeft gebracht. Beklaagde zegt evenwel de casus naar beste weten te hebben beoordeeld en te hebben geprobeerd op een zo goed mogelijke manier de eigen visie over te brengen op klagers. Beklaagde meent dan ook dat er geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Dat de triagist niet aanwezig is geweest bij de met klagers gevoerde gesprekken, kan beklaagde niet worden verweten. Op de inhoud van het verweer zal hierna verder worden ingegaan.

5.    DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1        

Deze tuchtklacht heeft betrekking op het optreden van beklaagde, als medisch adviseur van de HAP, bij de gesprekken met klagers naar aanleiding van de door hen ingediende klacht over de behandeling van de hulpvraag voor hun zoon door de HAP. Klagers kunnen, als nabestaanden en als degenen die de gesprekken met beklaagde over de klacht hebben gevoerd, worden beschouwd als rechtstreeks belanghebbenden.

Beklaagde was niet betrokken bij de zorgverlening aan patiënt, maar heeft wel een rol gespeeld als arts/medisch adviseur bij de klachtbehandeling. Dit optreden ligt op het terrein van een behoorlijke beroepsuitoefening (de tweede tuchtnorm). Klagers zijn daarom ontvankelijk in hun tuchtklacht.

5.2          

Het college begrijpt dat het overlijden van de zoon van klagers voor hen een vreselijk verdrietige gebeurtenis is en dat klagers nog steeds worstelen met de vraag of hun zoon langer was blijven leven als de HAP direct een ambulance had gestuurd. Op die vraag kan niemand antwoord geven, ook het college niet. Verder begrijpt het college dat klagers zich bij de gesprekken naar aanleiding van hun klacht niet gehoord hebben gevoeld, omdat hun mening dat er fouten zijn gemaakt niet werd onderschreven.

Bij de beoordeling van deze tuchtklacht is dat evenwel niet beslissend. Het college moet beoordelen of bij het optreden van beklaagde in het kader van de klachtbehandeling sprake is geweest van enig handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk beroeps­beoefenaar betaamt. Het gaat er daarbij om of beklaagde is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroeps­uitoefening, niet of het handelen

- terugkijkend - beter had gekund.

5.3        

Het eerste klachtonderdeel houdt in dat beklaagde ten onrechte geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek van klagers om de betrokken triagist bij de gesprekken aanwezig te laten zijn. Beklaagde heeft daarover opgemerkt dat triagisten in het algemeen niet worden betrokken bij de klachtbehandeling binnen I. Dit ligt mogelijk anders indien de klacht rechtstreeks betrekking heeft op de triagist of indien deze onjuist heeft gehandeld, maar dat was hier niet het geval, aldus beklaagde.

5.4        

Het college stelt vast dat klagers tijdens het eerste gesprek de bandopnames van de telefonische contacten op 6 juli 2019 hebben kunnen beluisteren. Na het gesprek hebben zij een transcript (uitgeschreven weergave van de gesproken tekst) van de telefoongesprekken ontvangen. Tijdens het tweede gesprek hebben zij de bandopnames nogmaals kunnen beluisteren om te controleren of het transcript juist en volledig was.

In het transcript is terug te lezen welke informatie is uitgewisseld tussen klager en de triagist en tussen de triagist en de telefoonarts. Ook blijkt daaruit hoe de beslissing is genomen om naar aanleiding van de hulpvraag van klager in eerste instantie een arts met urgentie U2 naar patiënt te sturen. Daarbij is vermeld dat de triagist aan de telefoonarts heeft gevraagd of zij een ambulance moest regelen en dat de telefoonarts heeft geoordeeld dat dit op dat moment niet nodig was. Het is daarmee duidelijk dat de telefoonarts deze afweging heeft gemaakt op basis van de beschikbare informatie over de toestand van patiënt op dat moment. In het licht daarvan is het te begrijpen dat de betrokkenen bij de klachtbehandeling geen aanleiding hebben gezien de triagist aanwezig te laten zijn bij de gesprekken met klagers, omdat dit niet nodig was om opheldering te verkrijgen over de gang van zaken. Begrijpelijk is dat ervoor is gekozen de telefoonarts bij het tweede gesprek aanwezig te laten zijn om klagers nadere uitleg te geven over de door hem gemaakte afweging en vragen te beantwoorden. Van onzorgvuldig handelen van beklaagde is daarbij niet gebleken. Het eerste klachtonderdeel is dus ongegrond.

5.5        

Het tweede klachtonderdeel heeft betrekking op de bejegening van klagers door beklaagde tijdens de gesprekken op 9 september 2019 en 5 november 2019. Volgens klagers heeft beklaagde hen gevoelloos, kwetsend en schreeuwend te woord gestaan, waarbij zij de onder 3.2 vermelde uitspraken als voorbeelden noemen. Beklaagde heeft daarop als volgt geregeerd. Het staat beklaagde niet bij dergelijke bewoordingen in de mond te hebben genomen en zeker niet op de wijze zoals door klagers is gesteld. Beklaagde heeft tijdens de gesprekken klagers erop gewezen dat hun zoon een dodelijke ziekte had met een slechte prognose en dat, ook al had de HAP anders gehandeld, het insult niet voorkomen had kunnen worden. Beklaagde heeft verder uitgelegd dat de HAP volgens de geldende NTS-richtlijn heeft gehandeld, maar dat de actualiteit het handelen heeft ingehaald door het fatale ziektebeeld van hun zoon. Beklaagde heeft geen excuses aangeboden, omdat de conclusie van beklaagde was dat door de HAP juist is gehandeld. Dat ‘niet met toeters en bellen in de richting van CF kan worden gereden’ is besproken binnen de context dat niet te allen tijde en op ieders verzoek een U1 visite wordt uitgezet. Dat klagers menen dat met een U1 gereden had moet worden is vanuit hun belang en visie te begrijpen, maar beklaagde heeft geprobeerd uit te leggen waarom niet aan de wens van iedere beller kan worden voldaan. Beklaagde zou nooit tegen een patiënt of diens familie schreeuwen en al helemaal niet tegen ouders van een recent overleden patiënt. Beklaagde heeft compassie getoond en heeft geprobeerd de conclusies over het handelen van de HAP zo goed mogelijk uit te leggen, aldus beklaagde.

5.6        

Bij de beoordeling van dit klachtonderdeel stelt het college voorop dat verwijten omtrent inhoud en wijze van (mondelinge) communicatie zich moeilijk op hun juistheid laten beoordelen door het college, dat van die communicatie immers geen getuige is geweest. Het is vaak de toon die de muziek maakt, en die toon is aan derden niet (goed) over te brengen. Iets soortgelijks geldt met betrekking tot de context waarin woorden of uitlatingen worden gebruikt: die kan bepalend zijn voor de betekenis ervan, maar is hooguit gebrekkig te reconstrueren. Daarbij komt dat bij communicatie tussen enerzijds leken en anderzijds professionals het misverstaan van elkaar een voortdurend actueel gevaar is, dat nog toeneemt naarmate deelnemers aan die communicatie bij het onderwerp ervan emotioneel betrokken zijn. Een en ander maakt het beoordelen van de gegrondheid van verwijten als bedoeld, voor derden tot een moeilijke opgaaf.

5.7        

Hoewel het niet met zoveel woorden in de gespreksverslagen staat, wil het college aannemen dat beklaagde de door klagers bedoelde uitspraken (in deze of dergelijke bewoordingen) heeft gedaan. Beklaagde spreekt dat in wezen ook niet tegen. Dat hij daarbij tegen klagers heeft geschreeuwd, kan het college niet vaststellen, gelet op de uiteenlopende verklaringen daarover en bij gebrek aan andere aanwijzingen daarvoor. De uitspraken van beklaagde moeten verder worden beoordeeld in de context waarin deze zijn gedaan. De uitleg die beklaagde daarover heeft gegeven, past bij wat in het gesprekverslag is vermeld (zie hiervoor onder 2.3) en komt het college ook plausibel voor. Goed voorstelbaar is dat deze uitleg aan klagers voorbij is gegaan. Hoewel het college zich kan voorstellen dat de zakelijke uitleg van beklaagde en de door hem gekozen bewoordingen weinig tactvol en empathisch op klagers zijn overgekomen, kan gelet op de context niet worden gezegd dat beklaagde daarmee de grenzen heeft overschreden van wat een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Het college komt daarom tot de conclusie dat ook het tweede klachtonderdeel ongegrond is.

6.    DE BESLISSING

Het college:

- verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gegeven door P.E.M. Messer-Dinnissen, voorzitter, H.L. Wattel lid-jurist, M.D. Klein Leugemors, R.J. Wolters en B.R. Schudel, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van H. van der Poel-Berkovits, secretaris.

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.     Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.     Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.     Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.