Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRSGR:2020:52 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2019-204

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2020:52
Datum uitspraak: 24-03-2020
Datum publicatie: 24-03-2020
Zaaknummer(s): 2019-204
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: 2019-204 Gegronde klacht tegen een verzekeringsarts. Beklaagde heeft zijn advies gebaseerd op stukken uit 2002 en 2012. Bij een dergelijk advies geldt, gelet op de gerechtvaardigde belangen van betrokkene, dat van de arts mag worden verwacht dat hij duidelijk maakt welke informatie hij heeft gebruikt. Ook moet voor de lezer – zowel degene die de vragen heeft gesteld als de betrokkene – te begrijpen zijn op welke gronden de conclusie van de arts berust. Die conclusie moet ook redelijkerwijs uit de gronden kunnen volgen. Nu beklaagde de genoemde stukken niet in zijn advies heeft genoemd en de informatie niet heeft geactualiseerd, heeft beklaagde onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe hij tot de door hem gegeven antwoorden is gekomen. Klacht gegrond verklaard. Waarschuwing. Geen aanleiding voor proceskostenveroordeling op grond van artikel 69 lid 5 Wet BIG, nu klager geen bedragen heeft genoemd of zijn kosten heeft gespecificeerd.  

Datum uitspraak: 24 maart 2020

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A ,

wonende te B,

klager,

gemachtigde: mr. M.E. Martis, werkzaam te Amsterdam,

tegen:

C , verzekeringsarts,

werkzaam te D,

beklaagde,

gemachtigde: mr. A.L.M. Simons, werkzaam te Maastricht.

1.                  Het verloop van de procedure

1.1              Het verloop van de procedure blijkt uit:

-          het klaagschrift, ontvangen op 13 september 2019;

-          het verweerschrift met bijlagen;

-          het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 3 december 2019;

-          de brief van mr. Martis met bijlagen, gedateerd 17 december 2019, ontvangen op 20 december 2019,

-          de (fax)brief van mr. Simons met bijlagen, gedateerd 27 januari 2020.

1.2              De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 11 februari 2020. De partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigde van beklaagde heeft pleitnotities overgelegd.

2.                  De feiten

2.1              Klager, geboren in 1960, is als militair in 1982 uitgezonden naar E. Geruime tijd later heeft klager zich gemeld met klachten die in 2001 zijn gediagnostiseerd als PTSS (in de stukken ook aangeduid als de ‘dienstverbandaandoening’).

2.2              Beklaagde werkt als arts bij het F (F) van het ‘G’, uitvoerder van Bijzondere Regelingen Defensie.

2.3              In 2014 heeft klager een voorziening aangevraagd voor extra slijtage van kleding en/of beddengoed door overmatig transpireren. Aan de medisch adviseur van het SMO (niet zijnde beklaagde) is op 21 mei 2014 de vraag voorgelegd: “Is er op basis van de dienstverbandaandoening(en) sprake van overmatig transpireren en is hierdoor sprake van extra slijtage van kleding en beddengoed?” Op 4 juni 2014 heeft de medisch adviseur daarop als volgt geantwoord: “Betrokkene is bekend met een psychische aandoening van traumatische aard. In 2012 was er sprake van een verslechtering waarvoor verwijzing naar een gespecialiseerd traumacentrum was aangewezen. Thans meldt betrokkene toename van transpiratieklachten. Dat is een veel voorkomend fysiologisch verschijnsel dat optreedt bij angstklachten. Het is daarom plausibel dat er sprake is van extra slijtage van kleding en beddengoed ten gevolge van overmatig transpireren op basis van de dv-aandoening.” Daarop is besloten de vergoeding voor de kosten voor extra slijtage van beddengoed en kleding door overmatig transpireren toe te kennen voor een periode van 5 jaar.

2.4              De voorziening liep op 1 mei 2019 af. Daarop is opnieuw beoordeeld of klager voor deze voorziening in aanmerking komt. In dat kader zijn op 3 juli 2019 de volgende vragen voorgelegd aan beklaagde, die ze op 6 augustus 2019 als volgt heeft beantwoord:

“Is er een medische indicatie voor verlenging van kledingslijtage en beddengoed o.g.v. de dienstverbandaandoening(en)? JA

Indien ja, svp aangeven of het overmatig transpireren overdag, nachts of op beide momenten plaatsvindt. ’s Nachts.

Is bij belanghebbende de medische eindtoestand bereikt? JA

(…)

Antwoord/Advies: Er is in de aanwezige medische stukken geen concrete beschrijving van zweten. Er is wel geregistreerd dat er geen opdringende gedachten overdag zijn. Hiermee is overmatig zweten overdag door de dienstverband aandoening niet aannemelijk. ’s Nachts is die mogelijkheid er wel.”

2.5       Op 20 augustus 2019 is, mede op basis van het advies van beklaagde, beslist dat klager alleen recht heeft op vergoeding voor extra slijtage van beddengoed, niet voor extra slijtage van kleding door overmatige transpiratie.

3.                  De klacht

Klager verwijt beklaagde dat hij lichtvaardig is omgegaan met de onderbouwing van zijn advies: hij heeft zijn advies gebaseerd op oude informatie en heeft klager niet onderzocht.

4.                  Het standpunt van beklaagde

Beklaagde heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.                  De beoordeling

5.1              Voor de beantwoording van de vragen op 6 augustus 2019 heeft beklaagde, volgens zijn verweerschrift en toelichting ter zitting, gebruik gemaakt van een papieren medisch dossier uit het medisch archief van Defensie in H. Hierin zaten onder andere twee rapporten uit 2002 en een bericht van de huisarts van klager uit 2012.

 Het staat vast dat beklaagde zijn advies op deze stukken heeft gebaseerd.

5.2              De vraag is welke normen gelden voor het opstellen van een advies zoals dat door beklaagde is opgesteld. Klager beroept zich op de criteria die in de rechtspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) zijn ontwikkeld voor deskundigen- en medische rapportages. Deze houden in dat het rapport moet bevatten:

a.       de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;

b.      een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;

c.       een inzichtelijke en consistente uiteenzetting van gronden die de conclusies steunen;

d.      de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;

e.       daarnaast dient de rapporteur binnen de grenzen van zijn deskundigheid te blijven.

Volgens beklaagde zijn die normen in dit geval niet van toepassing, omdat geen sprake is van een deskundigen- of medische rapportage.

5.3              Naar het oordeel van het College kan in het midden blijven in hoeverre hier sprake is van een medisch advies of medische rapportage waarop het CTG doelt. In ieder geval geldt, gelet op de gerechtvaardigde belangen van betrokkene, bij een dergelijk advies, dat van de arts mag worden verwacht dat hij duidelijk maakt welke informatie hij heeft gebruikt. Ook moet voor de lezer – zowel degene die de vragen heeft gesteld als de betrokkene – te begrijpen zijn op welke gronden de conclusie van de arts berust. Die conclusie moet ook redelijkerwijs uit de gronden kunnen volgen. Beklaagde had daarom in ieder geval bij de beantwoording van de vragen de stukken uit 2002 en 2012 moeten vermelden op basis waarvan hij tot zijn antwoorden kwam. Ook had hij naar het oordeel van het College bij de beantwoording van de gestelde vragen de medische informatie moeten actualiseren. Hij heeft nu in 2019 vragen beantwoord op basis van informatie uit 2002 en 2012, terwijl er geen enkel onderzoek is gedaan naar de vraag of er sindsdien mogelijk iets in de situatie van klager was veranderd. Klager is tot op heden in behandeling bij een psycholoog en heeft aangevoerd dat er nog andere informatie aanwezig is van na 2014. Bij een vorm van contact tussen beklaagde en klager had beklaagde zich hiervan op de hoogte kunnen stellen en klager kunnen verzoeken om de betreffende informatie aan hem toe te sturen.

Nu hij de genoemde stukken niet in zijn advies heeft genoemd en de informatie niet heeft geactualiseerd, heeft beklaagde onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe hij tot de door hem gegeven antwoorden is gekomen.

5.4              Beklaagde heeft herhaaldelijk aangevoerd dat er reeds ten tijde van de beoordeling in 2014 geen aanleiding was voor de vergoeding van slijtage van kleding, omdat overmatig transpireren bij klager toen al niet aannemelijk was, maar er destijds nog geen onderscheid werd gemaakt tussen de dag en de nacht. Volgens beklaagde heeft klager vijf jaar lang meer gekregen dan waar hij recht op had. Dit doet naar het oordeel van het College niet ter zake,

omdat aan beklaagde geen oordeel was gevraagd over de situatie in 2014, maar over die in 2019.   

5.5              De conclusie is dat beklaagde in strijd heeft gehandeld met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder b, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. De klacht is gegrond. Het College legt daarvoor aan klager de maatregel van waarschuwing op.

5.6              Door klager is betoogd dat de kosten die hij tijdens deze procedure zal moeten maken voor rekening van beklaagde dienen te komen. Voor zover klager hiermee een proceskostenveroordeling op grond van artikel 69 lid 5 Wet BIG vraagt, ziet het College daar geen aanleiding voor, nu klager geen bedragen heeft genoemd of zijn kosten heeft gespecificeerd.

5.7              Het College tekent nog het volgende aan. De handelwijze van beklaagde is volgens zijn eigen verklaring in overeenstemming met de gebruikelijke werkwijze binnen het SMO. Kennelijk wordt bij een verlenging van een reeds lopende voorziening door de arts een advies gegeven op basis van een medisch dossier uit het medisch archief van defensie, zonder dat deze medische gegevens door de arts geactualiseerd worden. Aan de hand van dit advies wordt door een andere afdeling een beslissing gegeven. Pas als tegen deze beslissing bezwaar wordt gemaakt, worden de medische gegevens geactualiseerd en wordt een advies geschreven gebaseerd op actuele medische gegevens, zo heeft het College van beklaagde begrepen. Het College plaatst vraagtekens bij deze werkwijze. Niet valt in te zien waarom de adviserend arts het eerste advies niet reeds op basis van geactualiseerde gegevens kan geven.

6.         De beslissing

Het College:

-           verklaart de klacht gegrond;

-           legt op de maatregel van waarschuwing.

Deze beslissing is gegeven door N.B. Verkleij, voorzitter, E.M. Deen, lid-jurist,

J.G.M. van Eekelen, R.P. van Straaten, R.L. Kloots, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.C. Zandman, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2020.

voorzitter                                                                                           secretaris

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.       Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.      Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.       Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.