ECLI:NL:TGZRSGR:2020:148 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-105

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2020:148
Datum uitspraak: 22-12-2020
Datum publicatie: 22-12-2020
Zaaknummer(s): 2020-105
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Gegronde klacht tegen een huisarts. Beklaagde heeft naar het oordeel van het College onvoldoende grondig de anamnese afgenomen en heeft, mede als gevolg daarvan, maar ook door een onjuiste duiding van de klachten, ten onrechte als diagnose obstipatie gesteld. Ten slotte had beklaagde klaagster in het tweede consult zelf moeten verwijzen naar de spoedeisende hulp of op zijn minst een spoedecho en cito lab (snelle bloedafname en -onderzoek) moeten aanvragen. Gelet op de ernst van de klachten kon een verwijzing voor het maken van een echo of een nadere beoordeling in het ziekenhuis niet een paar dagen wachten. De combinatie van het onvoldoende serieus nemen van klaagster, het stellen van een diagnose die niet goed bij de klachten past en het niet met spoed doorverwijzen bij een mogelijk acute buik maken dat het College een berisping passend vindt. Klacht gegrond verklaard. Berisping.    

Datum uitspraak: 22 december 2020

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A ,

wonende te B,

klaagster,

tegen:

C , huisarts,

werkzaam te B,

beklaagde,

gemachtigde: mr. S. Dik, werkzaam te Amsterdam.

1.              Het verloop van de procedure

1.1           Het verloop van de procedure blijkt uit:

-       het klaagschrift, ontvangen op 31 juli 2020;

-       het verweerschrift met bijlagen, nadien vervangen door een exemplaar waarvan de bijlagen beter leesbaar zijn.

1.2       De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

1.3           De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 10 november 2020. De partijen, klaagster bijgestaan door haar moeder en beklaagde door haar gemachtigde, zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

2.              De feiten

2.1           Beklaagde is huisarts sinds 2008. Op 5 februari 2020 kwam klaagster, geboren in 1994, bij beklaagde op het spreekuur. Beklaagde heeft klaagster naar aanleiding van de door haar naar voren gebrachte klachten lichamelijk onderzocht. Beklaagde maakte van het consult de volgende aantekeningen in het dossier (alle citaten inclusief eventuele type- en taalfouten):

“Episode Alg malaise klachten

S          steken thorax re bij beweging en moe sinds 6wkn,voorheen 3x pw week sporten,nu

bijna niet. heeft een kantoorbaan

O         ziek-,drukpijn ic laag thoracaal re

E         Alg malaise klachten

P         uitleg,geruststelling conditie opbouw,BBK lab--> mag telefonisch” .

“Episode Adnexextirpatie re/borderline tumor/appendectomie

S          ’s och misselijk,meer slijm opgeven,daarna gkl meer,koorts-,buikpijn-def 4x wk,

wisselende

O         ziek-,spannende houding np,wt (opm. college: wisselende timpanie),de hele colon voelt vol aan,harde buik ivm zich niet kunnen ontspannen,geen aanw voor perit prikkelingen

E         Obstipatie

P         uitleg,adv, op proef Movi,RBTK

R         MACROGOL/ZOUTEN PDR V DRANK (MOVICOLON+GENERIEK)” .

2.2           Op 18 februari 2020 rond 8.00 uur werd klaagster wakker met hevige pijn in haar rechteronderbuik. Haar moeder heeft contact opgenomen met de praktijk van beklaagde, waar klaagster aan het einde van de ochtend terecht kon. Omdat het niet goed ging met klaagster heeft de moeder later nogmaals gebeld en een spoedafspraak gemaakt. Klaagster kon meteen komen.

2.3           Bij het naar binnen roepen van klaagster viel het beklaagde op dat klaagster met haar armen om zich heen gevouwen naar binnen kwam. Klaagster en haar moeder maakten duidelijk dat zij niet tevreden waren over het consult van 5 februari 2020. Beklaagde heeft bij klaagster de anamnese afgenomen. Zij vertelde beklaagde dat zij hevige buikpijn had sinds die ochtend, dat zij niet misselijk was, geen last had van braken en ook geen koorts. Zij had wel bewegingsdrang. De moeder stond erop dat klaagster direct zonder verder onderzoek zou worden doorverwezen. Beklaagde heeft voorgesteld klaagster een injectie tegen de pijn te geven, zodat zij haar lichamelijk zou kunnen onderzoeken. Klaagster wilde zo’n injectie niet, omdat zij wilde kunnen aangeven waar zij de pijn voelde. Beklaagde wilde klaagster aanvankelijk niet zonder lichamelijk onderzoek doorverwijzen naar het ziekenhuis. Uiteindelijk heeft zij klaagster wel – op aandringen van klaagster en haar moeder – zonder lichamelijk onderzoek ingestuurd (verwezen naar het ziekenhuis) voor een echo, waarbij zij klaagster heeft meegedeeld dat zij daarvoor telefonisch een afspraak moest maken en dat dit twee tot drie dagen zou kunnen duren.

De aantekeningen van beklaagde van dit consult vermelden:

“S        Hevige buikpijn, bewegingsdrang si vanochtend, n-, v-,koorts-,wil dat er nu nagekeken wordt.wil geen pijnmedicatie,

moeder begint over vorig consult wrm is toen movi voorgeschreven en wrm is het niet

gevraagd of ze zwanger is; begon ook over haar moeder……heeft geen vertrouwen

meer

O         vindt het niet nodig,ook weigert de pijnstelling( voorstel diclo im)wel een pijnl vrouw

P         dd; gal en of niersteenkoliek?moeder en dochter zijn beiden hadden een defensieve

houding,doorgestuurd voor een echo

(…)

2.4           Na het consult op 18 februari 2020 is klaagster met de verwijzing naar het ziekenhuis gereden, waar zij met spoed de echo heeft gekregen. Daarbij werd centraal in de buik een verdachte, grote zwelling gezien met een doorsnede van meer dan 24 cm, uitgaande van een van de eierstokken/eileiders.

Op 19 februari 2020 is klaagster met spoed geopereerd, waarbij een cyste van 6 kg en 28 cm doorsnee is verwijderd, tezamen met de rechter eierstok en eileider en de blinde darm.

3.              De klacht

Klaagster verwijt beklaagde, zakelijk weergegeven, dat zij:

a.          de klachten van klaagster niet serieus heeft genomen;

b.          een verkeerde diagnose heeft gesteld;

c.          klaagster niet eerder heeft doorverwezen naar het ziekenhuis.

4.              Het standpunt van beklaagde

Beklaagde heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.              De beoordeling

5.1           Het College dient te beoordelen of beklaagde binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Daarbij wordt rekening gehouden met de stand van de wetenschap ten tijde van het handelen van beklaagde en met de normen die toen in de beroepsgroep van huisartsen golden. Verder wordt bij de beoordeling uitgegaan van de kennis die beklaagde bij de bewuste consulten had of had kunnen hebben. Wat later is gebeurd of  bekend is geworden, kan daarbij niet worden meegewogen.

Het College zal de klachtonderdelen gezamenlijk bespreken.

5.2           Uit de weergave van de feiten blijkt dat beklaagde tijdens het eerste consult tot de diagnose obstipatie is gekomen. Achteraf kan worden vastgesteld dat deze diagnose niet juist is geweest. Nu is het missen van de juiste diagnose niet zonder meer tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dat is alleen het geval als de wijze waarop de arts tot de onjuiste diagnose is gekomen in strijd is met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende arts mag worden verwacht. De vraag is dus of beklaagde in dit geval op grond van de bevindingen bij een voldoende zorgvuldig onderzoek tot de diagnose obstipatie heeft kunnen komen. Naar het oordeel van het College is dit niet het geval. Dit licht het College als volgt toe.

5.3           De duidelijke vermoeidheidsklachten van klaagster passen niet bij de diagnose obstipatie, net als de ochtendmisselijkheid en het braken. Bovendien heeft klaagster onweersproken naar voren gebracht dat er ten tijde van het consult geen bijzonderheden waren in haar stoelgang. Daarvan blijkt ook niet uit de aantekeningen van beklaagde. Het voorschrijven van een laxeermiddel, terwijl er geen klachten zijn over de defecatie, is een aanwijzing dat beklaagde niet goed naar klaagster heeft geluisterd. Ook heeft zij de klachten van klaagster over het braken en de ernstige vermoeidheid niet serieus genomen. In het verweerschrift heeft beklaagde laten noteren dat klaagster slijm opgaf, “door klaagster aanvankelijk als braken aangeduid, maar bij doorvragen bleek er eerder sprake van het opgeven van slijm”. In het algemeen weten mensen zelf goed onderscheid te maken tussen braken en het opgeven van slijm en daarom valt niet in te zien waarom, toen klaagster aangaf dat zij ‘s ochtends braakte, beklaagde dit niet voor waar heeft aangenomen. Ook heeft zij geen  navraag gedaan bij klaagster over een eventuele zwangerschap. Bovendien heeft beklaagde ter zitting verklaard dat zij ervan uitging dat het feit dat klaagster niet meer sportte als gevolg van de moeheid, te maken had met het werk van klaagster. Klaagster had echter zelf geen verband gelegd met haar werk en beklaagde heeft hier ook niet op doorgevraagd. Nu de verklaring van de patiënt over wat zij of hij ervaart een belangrijke bron van informatie is voor de arts om tot een juiste diagnose en behandeling te komen, is het belangrijk dat artsen goed luisteren naar hun patiënten en hun verklaring serieus nemen. Al met al heeft beklaagde naar het oordeel van het College onvoldoende grondig de anamnese afgenomen en heeft zij, mede als gevolg daarvan, maar ook door een onjuiste duiding van de klachten, ten onrechte als diagnose obstipatie gesteld.

5.4           Ten slotte had beklaagde klaagster in het tweede consult zelf moeten verwijzen naar de spoedeisende hulp of op zijn minst een spoedecho en cito lab (snelle bloedafname

en -onderzoek) moeten aanvragen. Gelet op de klachten en de manier waarop klaagster binnenkwam waren er duidelijke aanwijzingen voor een ‘acute buik’ en behoorde op zeer korte termijn onderzoek te worden gedaan naar de oorzaak van de klachten. Het is niet goed te verdedigen dat beklaagde klaagster vanwege de hevige pijn wel een injectie met diclofenac wilde geven, maar toen klaagster dit afwees haar niet direct en met spoed heeft doorverwezen. De verklaring van beklaagde dat zij eerst zelf de buik moest onderzoeken om te weten te komen naar welke specialist zij klaagster moest verwijzen, is daarvoor niet afdoende. Gelet op de ernst van de klachten kon een verwijzing voor het maken van een echo of een nadere beoordeling in het ziekenhuis niet een paar dagen wachten.

5.5           Uit het voorgaande volgt dat beklaagde in de zorg voor klaagster is tekortgeschoten. De klacht is gegrond.

5.6            Met betrekking tot een op te leggen maatregel overweegt het College dat beklaagde in beide consulten steken heeft laten vallen. De combinatie van het onvoldoende serieus nemen van klaagster, het stellen van een diagnose die niet goed bij de klachten past en het niet met spoed doorverwijzen bij een mogelijk acute buik maken dat het College een berisping passend vindt. Vóór beklaagde pleit dat zij na de operatie geprobeerd heeft contact met klaagster te zoeken en een gesprek heeft aangeboden. Gelet op de aard en ernst van de tekortkomingen in de zorg maakt dit echter niet dat met een waarschuwing kan worden volstaan.

5.7           Deze beslissing zal in geanonimiseerde vorm worden gepubliceerd om redenen, aan het algemeen belang ontleend. Dit belang is gelegen in het verbeteren van de individuele gezondheidszorg.

6.         De beslissing

Het College:

-            verklaart de klacht gegrond;

-            legt beklaagde de maatregel van berisping op;

-            bepaalt dat deze beslissing, nadat deze onherroepelijk is geworden, in geanonimiseerde vorm in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift Medisch Contact.

Deze beslissing is gegeven door N.B. Verkleij, voorzitter, E.M. Deen, lid-jurist, H.C. Baak, V.M. Schijf en B. van Ek, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door Y.M.C. Bouman, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 22 december 2020.

voorzitter                                                                                           secretaris

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.     Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.     Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.     Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.