ECLI:NL:TGZRSGR:2020:147 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-024
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2020:147 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-12-2020 |
| Datum publicatie: | 15-12-2020 |
| Zaaknummer(s): | 2020-024 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een arts. Het College is van oordeel dat beklaagde over de totstandkoming van het advies geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. Zij heeft haar advies uit de eerdere conceptrapportage aangepast in de definitieve versie en daarin speelde kennelijk onder meer een rol dat klager op dat moment niet wilde meewerken aan het voorgestelde psychologisch onderzoek. Het is helder hoe beklaagde tot haar conclusie is gekomen en dit roept bij het College geen vragen op. Overigens blijkt, naar het oordeel van het College, een min of meer gelijke conclusie uit het psychologisch onderzoek. Het komt het College voor dat beklaagde en de psycholoog klager willen beschermen, met name door hem te adviseren om zijn grenzen te herkennen en te bewaken. Klacht ongegrond verklaard. |
Datum uitspraak: 15 december 2020
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A ,
wonende te B,
klager,
tegen:
C , arts,
wonende te D,
beklaagde,
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 17 februari 2020;
- het verweerschrift d.d. 23 maart 2020;
- het aanvullend verweerschrift d.d. 31 maart 2020;
- de emailberichten van beklaagde van 2 november 2020.
1.2 De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling
te worden gehoord.
1.3
De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting
van 3 november 2020. Klager is verschenen en heeft zijn standpunt mondeling toegelicht.
Beklaagde is met kennisgeving daarvan niet verschenen omdat haar vertrouwenspersoon
verhinderd was de zitting bij te wonen. Ter zitting heeft klager een schriftelijke
rapportage van E van 23 maart 2020 overgelegd. Het College voegt deze toe aan het
dossier, nu beklaagde deze rapportage reeds in haar bezit heeft en de inhoud kent.
2. De feiten
2.1
Klager is in het verleden gediagnostiseerd met psychotische klachten en opgenomen
geweest in een instelling met een rechterlijke machtiging. Klager is op 29 januari
2020 door beklaagde gezien voor een belastbaarheidsonderzoek bij F te B (verder: F).
Beklaagde werkt als keuringsarts voor F.
2.2 Op 31 januari 2020 heeft beklaagde een conceptversie van haar rapportage aan klager verstuurd. In de rapportage staat onder meer vermeld:
“ […]Het onderzoek van vandaag maakt duidelijk dat er twijfel is over de psychische belastbaarheid voor werk/participatie. Er wordt geadviseerd om aanvullend psychologisch onderzoek E in te zetten, naar de psychische belastbaarheid voor werk, en zo nodig een behandeladvies.[…]
[…] Indien niet belastbaar: op welke termijn zou de cliënt belastbaar zijn voor participatie/arbeid?
Over ongeveer 6 maanden? Betrokkene geeft deze termijn zelf aan. […]” .
2.3 Klager heeft vervolgens verschillende emailberichten aan beklaagde gestuurd met uitleg waarom hij het niet eens is met de bevindingen in haar conceptrapportage.
2.4 In de definitieve rapportage op 11 februari 2020 van beklaagde staat vermeld dat klager niet akkoord gaat met aanvullend psychologisch onderzoek E naar de actuele belastbaarheid voor passend (vrijwilligers)werk. Verder staat vermeld:
“[…] Het onderzoek van vandaag maakt duidelijk dat er geen duurzame benutbare mogelijkheden zijn voor een traject naar betaald werk. Vanwege psychische belemmeringen die structureel en blijvend van aard zijn. Passend vrijwilligerswerk/dagbesteding voor enkele uren per week, in werk dat betrokkene leuk vindt, is voor hem het maximaal haalbare.[…]
Hij kan over 3 -5 jaar weer uitgenodigd worden voor een herbeoordeling van de belastbaarheid.[…]” .
2.5 Klager heeft na deze rapportage alsnog meegewerkt aan een psychologisch onderzoek bij E. In de rapportage met de uitkomsten van dit onderzoek van 23 maart 2020 staat vermeld als re-integratieadvies:
“In de rapportage van de bedrijfsarts wordt aangegeven dat betrokkene nu niet inzetbaar is voor een traject naar betaald werk. Dit advies wordt in het huidige onderzoek bevestigd[…]” .
2.6 Klager is sinds september 2020 voor 32 uur per week werkzaam in de groente- en fruitbranche.
3. De klacht
Klager heeft ter zitting toegelicht dat hij beklaagde verwijt dat zij op 11 februari 2020 heeft geconcludeerd dat er geen duurzaam benutbare mogelijkheden zijn voor een traject naar betaald werk. Dit vanwege psychische belemmeringen die structureel en blijvend van aard zijn. Klager is het niet eens met deze conclusie, met name omdat deze in strijd is met de feiten, met wetenschappelijk onderzoek en met arbeidspsychologisch onderzoek.
4. Het standpunt van beklaagde
Beklaagde heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 Het College stelt voorop dat in het algemeen bij een verschil van mening over de
inhoud van een advies van een keuringsarts de weg open staat van het aanvragen van een second opinion of van bezwaar maken tegen het uiteindelijke advies. De wijze waarop een dergelijk advies tot stand is gekomen kan wel ter toetsing worden voorgelegd aan het College. Omdat in deze procedure niet zonder meer uit de stukken af te leiden was of het verwijt de totstandkoming of de inhoud betrof, is de zaak op zitting behandeld.
5.2 Tijdens de zitting is het het College duidelijk geworden dat er bij klager een misverstand is ontstaan ten aanzien van (met name) het woord ‘duurzaam’. Hij is er van uitgegaan dat beklaagde tot de conclusie was gekomen dat hij voor de rest van zijn leven niet meer zou kunnen werken. Ter zitting is door de beroepsgenoten toegelicht dat een advies als dit niet op de duur van de rest van klagers werkzame leven ziet en dat ook in de stukken valt te lezen dat er een termijn wordt gesteld en dat dit na een paar jaar weer herzien kan worden.
5.3 Het College is van oordeel dat beklaagde over de totstandkoming van het advies geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. Zij heeft haar advies uit de conceptrapportage van 31 januari 2020 aangepast in de definitieve versie van 11 februari 2020 en daarin speelde kennelijk onder meer een rol dat klager op dat moment niet wilde meewerken aan het voorgestelde psychologisch onderzoek. Het is helder hoe beklaagde tot haar conclusie is gekomen en dit roept bij het College geen vragen op. Overigens blijkt, naar het oordeel van het College, een min of meer gelijke conclusie uit het psychologisch onderzoek. Het komt het College voor dat beklaagde en de psycholoog klager willen beschermen, met name door hem te adviseren om zijn grenzen te herkennen en te bewaken.
5.4
De conclusie is dat beklaagde met betrekking tot de klacht geen verwijt kan worden
gemaakt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, van de Wet op de beroepen
in de individuele gezondheidszorg.
5.5 De klacht zal ongegrond worden verklaard.
6. De beslissing
Het College:
- verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door E.P. de Beij, voorzitter, E.B. Schaafsma-van Campen, lid-jurist, R.P. van Straaten, R.P.J. Ansem en M. Keus, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. Braspenning-Groeneveld, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 15 december 2020.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
a. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
b. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
c. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.