ECLI:NL:TGZRSGR:2020:146 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-022

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2020:146
Datum uitspraak: 15-12-2020
Datum publicatie: 15-12-2020
Zaaknummer(s): 2020-022
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een bedrijfsarts. Gelet op de feiten en omstandigheden kon beklaagde - naar het oordeel van het College - in redelijkheid tot de afweging komen dat er in het geval van klaagster geen sprake was van een vermoedelijke beroepsziekte. Het syndroom van De Quervain en/of RSI kunnen volgens het NCvB beroepsgebonden aandoeningen zijn, maar andersom impliceert zo’n aandoening nog niet dat er dan altijd sprake is van een beroepsziekte. Het College merkt daarbij op dat het niet tot de taak van een bedrijfsarts behoort om te onderzoeken waar klaagsters klachten dan wel door werden veroorzaakt. Voorts hecht het College er aan te wijzen op het feit dat de rol van de bedrijfsarts een andere is dan de rol van een behandelaar. De bedrijfsarts heeft begeleidende, coördinerende en arbo-curatieve taken en is uitdrukkelijk geen behandelaar. Een bedrijfsarts kán patiënten zelf verwijzen, maar in het geval van klaagster was dat niet nodig omdat zij reeds onder behandeling was van de specialistische curatieve sector. Ook was de diagnosestelling volgens het College in dit geval voldoende duidelijk voor beklaagde om haar taak als bedrijfsarts naar behoren te kunnen uitvoeren. Klacht ongegrond verklaard.  

Datum uitspraak: 15 december 2020

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A ,

wonende te B,

klaagster,

tegen:

C , bedrijfsarts,

werkzaam te D,

beklaagde,

gemachtigde: mr. M.F. van der Mersch, werkzaam te Amsterdam.

1.              Het verloop van de procedure

1.1           Het verloop van de procedure blijkt uit:

-       het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 13 februari 2020;

-       het verweerschrift met een bijlage;

-       de brief van klaagster van 16 oktober 2020 met een reactie op het verweerschrift en tevens een aanvullende klacht met bijlagen, ontvangen op 20 oktober 2020. Deze aanvullende klacht en de bijlagen zijn ter zitting aan klaagster teruggegeven omdat deze geen betrekking hebben op het handelen van beklaagde en geen onderdeel uitmaken van deze procedure.

1.2       De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

1.3           De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 3 november 2020. De partijen - klaagster vergezeld door haar partner en beklaagde bijgestaan door haar gemachtigde - zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Klaagster en de gemachtigde van beklaagde hebben pleitnotities overgelegd.

2.         De feiten

2.1           Klaagster, geboren in 1957, is van 1979 tot 1 juni 2012 werkzaam geweest in het ziekenhuis, laatstelijk als operatieassistente. In november 1986 is zij geopereerd aan haar pees van haar rechterhand in verband met het syndroom van De Quervain. Tot 1993 had zij een voltijds en nadien een parttime aanstelling. Op 11 maart 2010 is zij door ziekte (een longontsteking) uitgevallen voor haar werk. Door toegenomen pijnklachten aan haar (rechter)hand en -pols heeft zij haar werk niet kunnen hervatten. In april 2010 is zij wederom geopereerd aan haar rechterhand. Aanvankelijk is zij begeleid door een andere bedrijfsarts dan beklaagde (E, verder: E) en deze heeft klaagster enkele malen op het spreekuur gezien. In september 2010 stelde hij een Probleem Analyse (hierna: PA) op en noteerde - voor zover hier relevant - : “1. Reden ziekmelding/verloop: [..] Huidige beperking ivm status na chirurgische ingreep langdurig hersteltraject. Controles via de curatieve sector/specialist. Op dit moment 100% arbeidsongeschikt. [..].  2. Relatie met het werk: Geen oorzakelijk verband.”

E heeft in november 2010 een terugkoppeling gekregen van de chirurg die klaagster had geopereerd. In december 2010 noteerde E dat terugkeer in de eigen functie niet meer haalbaar leek.

2.2           Beklaagde is sinds 2003 als bedrijfsarts in het ziekenhuis werkzaam. Vanaf januari

2011 heeft beklaagde de begeleiding van klaagster overgenomen. Zij zag klaagster voor het eerst op het spreekuur van 24 januari 2011. Op 14 maart 2011, toen klaagster bijna een jaar ziek was, heeft beklaagde het Evaluatierapport opgemaakt. Zij heeft daarin - samengevat - vermeld dat klaagster onder specialistische behandeling is, dat de diagnose helder is en dat zij wordt begeleid in het hersteltraject, maar dat er ernstige twijfels zijn of volledige terugkeer binnen een termijn van een jaar naar het eigen werk haalbaar is. Zij adviseerde te bezien welke functie passend is of passend kan worden gemaakt. De optie dat sprake is van een (vermoedelijke) beroepsziekte heeft zij in het Evaluatierapport niet aangekruist.

2.3       In de periode daarna heeft beklaagde geregeld met klaagster gesproken tijdens het spreekuur. Ook heeft zij de toestand van klaagster diverse keren besproken in sociaal medische overleggen (hierna: SMO) binnen het ziekenhuis. In maart 2011 liet zij klaagster een machtiging ondertekenen voor het opvragen van informatie bij de behandelend arts. Deze informatie ontving zij half juni 2011. Beklaagde heeft overlegd met diverse betrokkenen waaronder de verzuimcoach, de ergotherapeut, de leidinggevende en de arbeidsdeskundige over het re-integratietraject. Vanaf medio 2011 is klaagster in het kader van een proefplaatsing gestart met een aantal uren re-integratiewerkzaamheden op verschillende afdelingen. In september 2011 heeft beklaagde telefonisch overleg gevoerd met de revalidatiearts. Op 2 december 2011 heeft beklaagde het Actueel Oordeel bij de PA opgesteld in het kader van de WIA-aanvraag. Daarin heeft zij onder meer genoteerd dat klaagster sinds 3 oktober 2011 ander werk doet, te weten re-integratiewerk, administratief werk gedurende 2 uren per week. Door stagnerend medisch herstel van klaagster heeft de behandelend arts in december 2011 de rechterarm van klaagster volledig geïmmobiliseerd. Per 11 maart 2012 is aan klaagster een WIA-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Per juni 2012 is het dienstverband met klaagster beëindigd.

2.4       In 2015 heeft klaagster bij het ziekenhuis verzocht, met een beroep op de cao van het ziekenhuis, om een aanvulling op haar WIA-uitkering omdat zij van oordeel was dat sprake was van een beroepsziekte. Dit verzoek is afgewezen. Daarop is een bezwaar- en beroepsprocedure gevolgd bij de rechtbank. De rechtbank kwam bij vonnis van 15 juli 2016 tot het oordeel dat sprake was van een beroepsziekte zoals bedoeld in de ziekenhuis-cao. Bij uitspraak van 3 augustus 2017 heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat geen sprake was van een beroepsziekte. 

2.              De klacht

Klaagster heeft een veelheid aan klachten ingediend tegen beklaagde. In een dergelijke situatie dient het College te komen tot een voor de beoordeling van de klacht bruikbare samenvatting van de geuite bezwaren. Ter zitting is met instemming van partijen de klacht samengevat en deze komt - in de kern - op het volgende neer.  

Klaagster verwijt beklaagde dat zij ten onrechte niet heeft erkend en dus ook niet heeft genoteerd dat klaagsters ziekteverzuim beroepsgerelateerd was, met alle gevolgen van dien.

Meer specifiek verwijt klaagster beklaagde dat zij heeft nagelaten goed te onderzoeken en te noteren wat de oorzaak is geweest van klaagsters blijvende uitval voor werk. Zij heeft daardoor verzuimd een correcte diagnose te stellen en deze te vermelden in onder meer de PA van 15 september 2010, het Actueel Oordeel van december 2011 en in het Evaluatierapport van 14 maart 2011.

3.              Het standpunt van beklaagde

Beklaagde heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

4.              De beoordeling

4.1       Klaagster kampt met langdurige en hardnekkige klachten aan haar handen, die haar helaas tot op heden sterk beperken in haar doen en laten. Klaagster verwijt beklaagde dat zij in voornoemde officiële stukken destijds had moeten vermelden dat in het geval van klaagster sprake was van een (vermoeden van een) beroepsgerelateerde ziekte. Nu dit in deze documenten niet stond vermeld, heeft dit klaagster parten gespeeld in de nadien door haar gevoerde procedures voor het aanvragen van een aanvulling op haar WIA-uitkering wegens het hebben van een beroepsziekte.

4.2       Ter toetsing staat of beklaagde bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klaagster klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep terzake als norm was aanvaard. Het gaat in deze procedure dus om het persoonlijk beroepsmatig handelen van beklaagde. Hoe het handelen van beklaagde van invloed is of kan zijn geweest op belangen die op een ander vlak dan het medische liggen, zoals het aanvragen van de WIA-aanvulling, kan het College niet in zijn overwegingen betrekken omdat dat buiten de bevoegdheid van het College ligt. Evenmin kan het College zich uitlaten over de PA omdat die niet door beklaagde, maar door E was opgesteld.

4.3       In zijn algemeenheid overweegt het College als volgt. Een Evaluatierapport bevat standaard de aan te vinken optie dat sprake is van een (vermoedelijke) beroepsziekte. Deze aan te kruisen optie dient in beginsel om melding te doen bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (hierna: NCvB). Een bedrijfsarts dient daarvan melding te maken bij een (vermoeden van een) beroepsziekte. Melding van een beroepsziekte aan het NCvB vindt louter plaats met het oog op anonieme verwerking in statistieken ten behoeve van preventiedoeleinden binnen bedrijfstakken en beroepsgroepen. Daarbij spelen de individuele belangen van de desbetreffende werknemer geen rol. Het NCvB hanteert de volgende definitie: een beroepsziekte is een ziekte of aandoening als gevolg van een belasting die in overwegende mate in arbeid of arbeidsomstandigheden heeft plaatsgevonden. Een (mogelijke) relatie tussen de aandoening en de arbeid(somstandigheden) is dus onvoldoende om een aandoening als een beroepsziekte te kwalificeren. Bepalend is immers of de aandoening is veroorzaakt door een belasting die ‘in overwegende mate’ in de arbeid(somstandigheden) heeft plaatsgevonden. Volgens de definitie van het NCvB wordt met ‘in overwegende mate’ bedoeld dat sprake moet zijn van werkgerelateerde factoren die voor meer dan 50% aan de oorzaak van de ziekte bijdragen.

4.4       Met betrekking tot de onderhavige klacht overweegt het College als volgt. Beklaagde heeft in de stukken en ter zitting toegelicht dat zij in 2011 heeft overwogen of er in het geval van klaagster sprake was van een vermoedelijke beroepsziekte. Zij kwam destijds tot de conclusie dat dat niet het geval was. Gelet op de navolgende feiten en omstandigheden kon beklaagde - naar het oordeel van het College - destijds in redelijkheid tot die afweging komen.

4.5       Het syndroom van De Quervain en/of RSI kunnen volgens het NCvB beroepsgebonden aandoeningen zijn, maar andersom impliceert zo’n aandoening nog niet dat er dan altijd sprake is van een beroepsziekte. In de periode van niet werken gedurende haar ziekte in 2010, waren klaagsters handklachten zodanig toegenomen dat zij het werk niet kon hervatten. Klaagster had voorts jarenlang gewerkt zonder verzuim dat verband hield met hand- dan wel polsklachten. In het dossier waren op dat moment voor beklaagde dan ook geen aanwijzingen te vinden dat sprake was van werk-gerelateerde uitval. In klaagsters werksituatie was ook niets veranderd wat het ontstaan van klachten kon verklaren en andere werknemers in een vergelijkbare positie hadden dergelijke klachten niet in opvallende mate. Bekend is dat de uitlokkende factoren van De Quervain en RSI kunnen zijn gelegen in sterk repetitief werk. Het werk van operatieassistente heeft die kenmerken niet bovenmatig omdat er afwisselingen en pauzes zijn. Alhoewel, zoals klaagster ter zitting terecht opmerkte, het werk van operatieassistente ook statische handelingen kent hetgeen ook klachten kan veroorzaken, staat daar tegenover dat klaagster in de laatste jaren voor haar uitval parttime werkte (21 uur per week) en binnen dat parttime-dienstverband ook werk voor de ondernemingsraad verrichtte. Dit vormt niet een directe aanwijzing dat sprake is van een oorzaak gelegen in het werk. Daarbij kan in het geval van klaagster ook sprake zijn geweest van een individuele gevoeligheid gelet op haar operatie aan haar rechterhand die 25 jaren eerder had plaatsgevonden. Tot slot blijkt uit het dossier van destijds dat klaagster het moeilijk vond om haar (pijn)grenzen te bewaken.

4.6       Het College merkt overigens nog op dat het niet tot de taak van een bedrijfsarts behoort om te onderzoeken waar klaagsters klachten dan wel door werden veroorzaakt. Evenmin is het gebruikelijk om afwegingen over beroepsgerelateerde uitval en/of het stappenplan van de NCvB met een patiënt te bespreken als er geen vermoeden is van beroepsgerelateerdheid.

4.7       Ook hecht het College er aan te wijzen op het feit dat de rol van de bedrijfsarts een andere is dan de rol van een behandelaar. De bedrijfsarts heeft begeleidende, coördinerende en arbo-curatieve taken en is uitdrukkelijk geen behandelaar. In het bedrijfsgeneeskundig dossier had beklaagde de verschillende diagnoses van de behandelaars opgenomen, evenals een informatieve email van de revalidatiearts en andere brieven van de behandelende sector. Een bedrijfsarts kán patiënten zelf verwijzen, maar in het geval van klaagster was dat niet nodig omdat zij reeds onder behandeling was van de specialistische curatieve sector. Ook was de diagnosestelling volgens het College in dit geval voldoende duidelijk voor beklaagde om haar taak als bedrijfsarts naar behoren te kunnen uitvoeren.

4.8       De conclusie is dat beklaagde met betrekking tot de klacht geen verwijt kan worden gemaakt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.

De klacht zal in haar geheel ongegrond worden verklaard.

6.         De beslissing

Het College:

-       verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door E.B. de Beij, voorzitter, E.B. Schaafsma-van Campen, lid-jurist, R.P. van Straaten, R.P.J. van Ansem, M. Keus, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door mr. M. Braspenning-Groeneveld, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 15 december 2020.

voorzitter                                                                                           secretaris

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.     Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het College u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.     Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.     Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.