ECLI:NL:TGZRSGR:2020:145 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-025
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2020:145 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-12-2020 |
| Datum publicatie: | 15-12-2020 |
| Zaaknummer(s): | 2020-025 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een arts. Het College is van oordeel dat beklaagde in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat het ziekteverzuim van klaagster voortkwam uit een arbeidsconflict. Van buitensluiten van de behandelend psychiater is naar het oordeel van het College geen sprake. Ook voor het overige is niet gebleken dat beklaagde klaagster onzorgvuldig en partijdig heeft behandeld. Het is in het geval van een arbeidsconflict de taak van een bedrijfsarts om zich terughoudend op te stellen. Klacht ongegrond verklaard. |
Datum uitspraak: 15 december 2020
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
gemachtigde mr. M. Blommers, werkzaam te Amsterdam,
tegen:
C, arts,
werkzaam te D,
beklaagde,
gemachtigde: mr. drs. D.W.M. Weesie, werkzaam te Heeze.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 20 februari 2020;
- het verweerschrift met bijlage;
- de repliek met bijlagen;
- de dupliek;
- de brief van mr. drs. D.W.M. Weesie, gedateerd 19 augustus 2020, ontvangen d.d. 20 augustus 2020;
- de brief van mr. M. Blommers, met bijlage, gedateerd 14 oktober 2020, ontvangen op 15 oktober 2020.
1.2 De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling
te worden gehoord.
1.3 De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 3 november 2020. De partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
De gemachtigde van klaagster heeft pleitnotities overgelegd.
2. De feiten
2.1 Klaagster was sinds 1 augustus 2008 werkzaam bij E als medewerkster werving en selectie voor 32 uur per week.
2.2 Beklaagde is werkzaam als arts bij F.
2
2.1
2.2
2.3 Het eerste contact tussen klaagster en beklaagde vond plaats op 29 juni 2011 toen
klaagster op het open spreekuur bij beklaagde verscheen met al langer bestaande vermoeidheidsklachten. Tijdens dit spreekuur nam beklaagde een UBOS en een 4DKL test af. Klaagster was op dat moment sinds ongeveer drie maanden onder behandeling van een psycholoog met wie beklaagde (na toestemming van klaagster) ook heeft overlegd. Beklaagde concludeerde dat er sprake was van burnout bij complexe problematiek in het persoonlijk leven van klaagster. Tevens stelde hij vast dat klaagster last had van depressieve klachten. De werkgever heeft klaagster per 1 juli 2011 ziekgemeld.
2.4 Klaagster verscheen nadien nog verschillende malen op het spreekuur bij beklaagde. Vanaf half oktober 2011 pakte klaagster haar werkzaamheden weer langzamerhand op, met een onderbreking van twee maanden waarin klaagster onbetaald verlof opnam. Op 15 februari 2013 werd klaagster hersteld gemeld en had zij haar werkzaamheden weer volledig hervat.
2.5 Op 7 maart 2014 heeft klaagsters werkgever medegedeeld dat hij voornemens was de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Op 11 maart 2014 heeft klaagster zich ziek gemeld. Op 14 maart 2014 verscheen klaagster bij beklaagde op het spreekuur. De conclusie van beklaagde was dat de oorzaak van de ziekmelding was gelegen in een arbeidsconflict. Beklaagde adviseerde een gesprek tussen klaagster en haar werkgever en achtte klaagster per 24 maart 2014 weer in staat om haar werkzaamheden volledig te hervatten.
2.6 Op 24 maart 2014 heeft klaagster gewerkt, waarna zij zich op 25 maart 2014 wederom ziek heeft gemeld. Op 27 maart 2014 kwam klaagster op het spreekuur bij beklaagde. Beklaagde heeft toen UBOS en 4DKL testen afgenomen. Naar aanleiding van dit consult zag beklaagde geen aanleiding om zijn conclusie van 14 maart 2014 te herzien.
2.7 Op 18 maart 2014 heeft klaagster een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV. De conclusie van de verzekeringsarts van het UWV in de verzekeringsgeneeskundige rapportage d.d. 4 april 2014 luidde dat klaagster niet in staat werd geacht om per 24 maart 2014 het eigen werk te verrichten bij een werkdag die op 8.30 uur aanvangt. Als een werkdag om 9.30 uur zou aanvangen zou klaagster volgens het deskundigenoordeel in staat zijn haar eigen werkzaamheden te verrichten. De uitkomst van dit deskundigenoordeel is door beklaagde tijdens het consult van 15 april 2014 met klaagster besproken.
3. De klacht
Klaagster verwijt beklaagde, kort samengevat:
- dat hij een verkeerde dan wel onvolledige diagnose heeft gesteld;
- dat hij klaagster onzorgvuldig en partijdig heeft begeleid tijdens het re-integratie-traject;
- dat hij onjuiste informatie heeft verschaft en de behandelend arts (psychiater G) heeft buitengesloten;
- dat hij heeft geweigerd om klaagster haar medisch dossier te doen toekomen, nadat zij daarom had verzocht.
4. Het standpunt van beklaagde
Beklaagde heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 De gemachtigde van klaagster heeft ter zitting het klachtonderdeel dat ziet op de weigering om het medisch dossier aan klaagster te verstrekken, ingetrokken. Het College zal zich hier derhalve niet over uitlaten.
5.2 De overige klachtonderdelen zullen hierna, vanwege de onderlinge samenhang, tezamen worden behandeld.
De vraag die het College dient te beantwoorden is of beklaagde, gelet op de voorgeschiedenis van klaagster, in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de ziekmeldingen van
11 en 25 maart 2014 het gevolg waren van een arbeidsconflict en niet van klachten van depressieve aard, waarmee klaagster in het verleden bekend was en waarvoor zij werd behandeld. Van belang hierbij is de omstandigheid dat beklaagde klaagster tijdens haar ziekteperiode van 1 juli 2011 tot 15 februari 2013 regelmatig had gezien op zijn spreekuur en bekend was met de psychische en/of depressieve klachten die destijds de oorzaak van de ziekmelding waren.
5.3 Het College stelt vast dat beklaagde in het medisch dossier niet specifiek heeft vermeld welke feiten en omstandigheden hebben geleid tot zijn conclusie dat een arbeidsconflict de oorzaak was van de ziekmeldingen op 11 en 25 maart 2014. Uit het verhandelde ter zitting en uit het dossier is voldoende komen vast te staan dat klaagster gedurende de periode van 15 februari 2013 tot haar ziekmelding op 11 maart 2014 volledig aan het werk was. De ziekmelding op 11 maart 2014 volgde op de mededeling van de werkgever dat het dienstverband zou worden ontbonden. Uit het dossier is gebleken dat de op 27 maart 2014 afgenomen 4DKL en UBOS testen uitwezen dat geen sprake was van een burnout of angsten. Ter zitting heeft beklaagde toegelicht dat de resultaten van de 4DKL test zelfs waren verbeterd ten opzichte van die in 2011. Beklaagde ging er daarom van uit dat de depressie minder op de voorgrond stond. Voorts blijkt uit het deskundigenoordeel van de verzekeringsarts van het UWV van 4 april 2014 dat klaagster in staat werd geacht om 8 uur per dag te werken (ze zou dan wel later moeten beginnen met werken). Tot slot heeft beklaagde, zo blijkt ook uit het dossier, klaagster in de gelegenheid gesteld hem alsnog de brief van de behandelend psychiater te overhandigen, die klaagster niet had meegenomen naar het spreekuur. Desgevraagd heeft beklaagde ter zitting toegelicht dat hij aan de hand van die brief dan zijn oordeel zou kunnen bijstellen. Hij heeft deze brief echter nooit ontvangen van klaagster.
5.4 Het College is op grond van het vorenstaande van oordeel dat beklaagde in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat het ziekteverzuim voortkwam uit een arbeidsconflict. Wel merkt het College op dat het beter zou zijn geweest als beklaagde in het dossier inzichtelijk had gemaakt welke overwegingen er toe hebben geleid om tot voorstaande conclusie te komen, en met name er beter aan had gedaan duidelijker te maken waarom hij vond dat de klachten van depressieve aard geen rol speelden bij het ziekteverzuim. Ook was het beter geweest als beklaagde informatie zou hebben opgevraagd bij de behandelend psychiater, omdat hij wist dat klaagster nog steeds onder behandeling was bij deze psychiater en dat zij op 2 april 2014 een afspraak bij hem had. Van buitensluiten van de behandelend arts is echter, naar het oordeel van het College, geen sprake. Gelet op alle omstandigheden en bevindingen zoals hiervoor beschreven is het College van oordeel dat beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt is te maken.
Het College hecht er overigens aan er op te wijzen dat - anders dan klaagster suggereert - er geen enkel beletsel bestaat voor een behandelaar om uit eigen beweging contact op te nemen met een (bedrijfs)arts, uiteraard mits hij/zij daarvoor toestemming heeft van een patiënt.
5.5 Tenslotte is het College ook voor het overige niet gebleken dat beklaagde klaagster onzorgvuldig en partijdig heeft behandeld. Het is in het geval van een arbeidsconflict de taak van een bedrijfsarts om zich terughoudend op te stellen. Verder heeft beklaagde klaagster in de korte periode van ziekteverzuim (14 maart 2014 tot en met 15 april 2014) drie keer op spreekuur gezien en is klaagster gewezen op de mogelijkheid een deskundigenoordeel te vragen.
De conclusie is dat beklaagde met betrekking tot de klacht geen verwijt kan worden
gemaakt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, van de Wet op de beroepen
in de individuele gezondheidszorg.
De klacht zal ongegrond worden verklaard.
6. De beslissing
Het College:
- verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door E.P. de Beij, voorzitter, E.B. Schaafsma-van Campen, lid-jurist, R.P. van Straaten, R.P.J. Ansem en M. Keus, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. Braspenning-Groeneveld, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 15 december 2020.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
a. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
b. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
c. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.