ECLI:NL:TGZRSGR:2020:144 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2019-277b

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2020:144
Datum uitspraak: 08-12-2020
Datum publicatie: 08-12-2020
Zaaknummer(s): 2019-277b
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een fysiotherapeut. Het College is van oordeel dat er geen onderbouwing is voor de klacht dat beklaagde tijdens de behandeling een onjuiste behandeling heeft toegepast. De behandelingen zijn gestart door een collega van beklaagde. Beklaagde is doorgegaan op het ingestelde behandelplan, een manuele therapie behandeling. De behandeling door beklaagde is hiervan niet afwijkend. Het overige klachtonderdeel is ook ongegrond verklaard. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.        

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A ,

wonende te B,

klaagster,

tegen:

C, fysiotherapeut,

werkzaam te B,

beklaagde,

gemachtigde: mr. M. de Kock, werkzaam te Vuren.

1.                  Het verloop van de procedure

1.1              Het verloop van de procedure blijkt uit:

-      het klaagschrift, ontvangen op 30 december 2019;

-      het verweerschrift;

-      aanvullende stukken van klaagster van 13 mei 2020;

-      aanvullende stukken van beklaagde van 29 mei 2020;

-      het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 22 juli 2020.

1.2              Het College heeft de klacht op 27 oktober 2020 in raadkamer behandeld.  

2.                  De feiten

2.1              Klaagster is de partner van D, overleden in 2018, hierna te noemen patiënt. Patiënt was onder behandeling geweest bij E in B. Patiënt meldde zich daar in juni 2018 voor diagnose en behandeling van heupklachten rechts.

2.2              Patiënt is door F, collega van beklaagde, behandeld met behandeldoel reductie van klachten. In het patiëntdossier staat hierover genoteerd:

‘(…) Hoofddoel:  Reductie van klachten op activiteit lang staan van PSK 50 naar PSK <= 25 binnen een periode van 12 weken. (…)’

Op 19 juni 2018, 25 juni 2018, 2 juli 2018, 9 juli 2018 en 13 juli 2018 is patiënt bij de collega van beklaagde behandeld.

2.3       Beklaagde heeft patiënt op 19 juli 2018 behandeld ter vervanging van collega

F vanwege diens afwezigheid. Beklaagde heeft behandeld ter hoogte van de relatief hoge wervels en heeft een drietal oefeningen meegegeven voor de lumbale wervelkolom (LWK). In het patiëntdossier staat hierover genoteerd:

‘(…) Subjectief / bevindingen patiënt:

Vanuit re heupregio pijn hele re been in – loopt langzaam – staat antalgisch / slaapt slecht…tin- sens- dreigt soms er door heen te zakken

Wisselt sterk per dag (…)

HA wil pt naar neuroloog

NB in 2016 HNP-operatie L3 (…)

(P)lan van aanpak/uitgevoerde behandeling:

mp’s T2-3 3-4 4-5 re + re heup mob en 3 mob oef voor de LWK (…)’  

2.3               

2.4              Na het overlijden van patiënt hebben klaagster en beklaagde op 2 september 2019  

met elkaar gesproken.

3.                  De klacht

Klaagster verwijt de beklaagde, zakelijk weergegeven, dat:

1)      door een verkeerde behandeling de bacterie versneld is verspreid;

2)      hij eigenmachtig de behandeling heeft aangepast naar een manuele behandeling;

3)      hij haar als partner van patiënt niet serieus heeft genomen.

4.                  Het standpunt van beklaagde

De beklaagde heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.                  De beoordeling

5.1       Bij de beoordeling van de klacht gaat het er niet om of het handelen van de beklaagde beter had gekund, maar of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met wat toen in de beroepsgroep ter zaken als norm of standpunt was aanvaard.

eerste klachtonderdeel

5.2       Het eerste klachtonderdeel betreft de behandeling van patiënt door beklaagde op

19 juli 2018. Patiënt was door de huisarts al doorverwezen naar een neuroloog. Beklaagde heeft op die dag een functieonderzoek van de heup en een onderzoek van de rug gedaan. Beklaagde vond hierbij een capsulaire beperking van de rechter heup. Vervolgens is een mobiliserende behandeling van de heup uitgevoerd. Dit is een behandeling die passend is bij de bevindingen van beklaagde. Het College is van oordeel dat er geen onderbouwing is voor de klacht dat beklaagde tijdens de behandeling een onjuiste behandeling heeft toegepast, zodat dit klachtonderdeel dient te worden afgewezen.

tweede klachtonderdeel

5.3       De behandelingen zijn gestart door een collega van beklaagde. Beklaagde is doorgegaan op het ingestelde behandelplan, een manuele therapie behandeling. De behandeling van 19 juli 2018 door beklaagde is hiervan niet afwijkend. Dit klachtonderdeel dient daarom ook te worden afgewezen.

derde klachtonderdeel

5.4       Op 2 september 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen klaagster en beklaagde. Zoals beklaagde heeft toegelicht was hij in de veronderstelling dat het gesprek over rouwverwerking zou gaan. Na dit gesprek heeft beklaagde aangeboden het gesprek op een ander tijdstip voort te zetten. Klaagster heeft hiervan afgezien. In het verweerschrift van beklaagde van 12 maart 2020 heeft hij zijn medeleven betuigd en zijn excuses aangeboden voor zover hij patiënt de ex van klaagster heeft genoemd. Ook na het indienen van de klacht heeft beklaagde aangeboden om in gesprek te gaan, maar van die gelegenheid heeft klaagster geen gebruik willen maken. Van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is het College niet gebleken, daarom zal dit klachtonderdeel worden afgewezen.

5.5       Om bovenstaande redenen zal het College zonder nader onderzoek beslissen dat de klacht kennelijk ongegrond is.

6.                  De beslissing

Het College:

verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 8 december 2020 door Y.J. Wijnnobel-van Erp, voorzitter,

J.E. Geensen en W.M. Mooij, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door B.J. Dekker, secretaris.

voorzitter                                                                                           secretaris

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.       Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.      Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.       Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.