ECLI:NL:TGZRSGR:2020:143 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2019-077a

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2020:143
Datum uitspraak: 08-12-2020
Datum publicatie: 08-12-2020
Zaaknummer(s): 2019-077a
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Zoals blijkt uit het medisch journaal meldde patiënt zich bij beklaagde met pijnklachten aan zijn rechterheup. Beklaagde heeft patiënt doorgestuurd voor foto’s en verwezen naar een fysiotherapeut. Er was daarom dan ook nog geen sprake van een situatie waarin een diagnose gesteld moest worden. Over andere klachten is niet gesproken, zodat er voor beklaagde geen aanleiding bestond om bloedonderzoek uit te voeren of een suikermeting te doen. De overige klachtonderdelen zijn ook ongegrond verklaard. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.      

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A ,

wonende te B,

klaagster,

tegen:

C, huisarts,

werkzaam te B,

beklaagde,

gemachtigde: mr. I.M.I. Apperloo, werkzaam te Amsterdam.

1.                  Het verloop van de procedure

1.1              Het verloop van de procedure blijkt uit:

-      het klaagschrift, ontvangen op 30 december 2019;

-      aanvullende stukken van klaagster van 13 mei 2020;

-      het verweerschrift met bijlagen;

-      aanvullende stukken van beklaagde van 9 juni 2020;

-      het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 22 juli 2020.

1.2              Het College heeft de klacht op 27 oktober 2020 in raadkamer behandeld.  

2.                  De feiten

2.1              Klaagster is de partner van D, overleden in 2018, hierna te noemen patiënt. Beklaagde is werkzaam als huisarts in de huisartsenpraktijk waar patiënt stond ingeschreven.

2.2              Beklaagde heeft patiënt gezien op 22 juni 2018. Patiënt meldde zich wegens pijnklachten in zijn rechterheup. Beklaagde heeft een foto van de heupen van patiënt laten maken en patiënt doorverwezen naar fysiotherapie. In het medisch journaal heeft beklaagde over het consult het volgende genoteerd:

‘(…) 22-06-18  S Pijn in de heup sinds 3-4 weken;vóór 4 weken

                          S geleden voelde hij soms wat; ochtendstijfheid+; (…)

                          S veel; geen duidelijke aanleiding; bij fietsen

                          S nergens last van; 3 dagen geleden bijna gevallen

                          S onder de rdouche van de pijn; eergisteren bij de

                          S fysio geweest ( zie brief);

                          O geen lokale drukpijn buitenzijde heup; geen

                          O drukpijn re-lies; flexie beperkt;

                          E pijnklachten re-heup

                          P Via Zorgdomein verwezen naar Beeldvormend

                          P onderzoek (…)

                          P wel- x- heupen; tevens verwijzing fysio; even

                          P effect afwachten; als egen verbetering pm

                          P orhopedie? (…)’

Later heeft beklaagde de gemaakte foto gezien en het verslag ontvangen. Hierover is het volgende in het medisch journaal genoteerd:

‘(…) 22-06-18 S wat meer afwijkingen li-heup te zien op de foto

                        S maar heeft juist rechts klachten.   dus advies

                        S gewoon naar fysio en indien onvoldoende

                        S verbetering na bv 1 maand ret su.

22-06-18         O van: E

                        O verslag:

                        O Vergeleken met 15-08-2016. Ongewijzigd aspect van

                        O de heupgewrichten met beperkte overhuiving van het

                        O acetabulum beiderzijds, links meer dan rechts.

                        O Verdenking op labrum verkalking links. Haakvorming

                        O aan de femurkop links, voor zover te beoordelen

                        O geen gewrichtsspleetversmalling beiderzijds. (…)’

2.3       Op 19 juli 2018 is patiënt door een collega van beklaagde doorverwezen naar een neuroloog. Op 25 juli 2018 is patiënt overleden. 

3.                  De klacht

Klaagster verwijt de beklaagde, zakelijk weergegeven, dat zij:

1) patiënt kende en beschikte over inside information;

2) ten onrechte de diagnose hernia heeft gesteld;

3) geen bloedonderzoek heeft uitgevoerd en geen suikermeting heeft gedaan;

4) diclofenac heeft voorgeschreven;

5) in het gesprek haar excuses heeft aangeboden en heeft toegegeven fouten te hebben gemaakt.

4.                  Het standpunt van beklaagde

De beklaagde heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.                  De beoordeling

5.1       Bij de beoordeling van de klacht gaat het er niet om of het handelen van de beklaagde beter had gekund, maar of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met wat toen in de beroepsgroep ter zaken als norm of standpunt was aanvaard.

eerste klachtonderdeel

5.2       Patiënt was een collega van de man van beklaagde. Beklaagde betwist dat zij (inside) informatie heeft ontvangen dat patiënt slecht liep. Klaagster en beklaagde hebben op dit punt uiteenlopende standpunten. Dat brengt mee dat niet kan worden vastgesteld dat beklaagde klachtwaardig heeft gehandeld. Dat oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag kunnen worden gelegd. Die feiten kunnen, omdat partijen elkaar daarover tegenspreken, niet worden vastgesteld.  De eerste klacht is daarom kennelijk ongegrond.

tweede klachtonderdeel

5.3       Het College is van oordeel dat uit het medisch journaal niet blijkt dat beklaagde op   22 juni 2018 de diagnose hernia bij patiënt heeft gesteld. Beklaagde heeft patiënt op 22 juni 2018 doorgestuurd voor foto’s en verwezen naar een fysiotherapeut. Er was daarom dan ook nog geen sprake van een situatie waarin een diagnose gesteld moest worden. Van enig verwijtbaar handelen door beklaagde is het College dan ook niet gebleken. Dit klachtonderdeel is daarom eveneens kennelijk ongegrond.

derde klachtonderdeel

5.4       Zoals blijkt uit het medisch journaal zoals hiervoor onder 2.2 is weergegeven meldde patiënt zich bij beklaagde met pijnklachten aan zijn rechterheup. Over andere klachten is niet gesproken, zodat er voor beklaagde geen aanleiding bestond om bloedonderzoek uit te voeren of een suikermeting te doen. Ook dit derde klachtonderdeel is daarom kennelijk ongegrond.

vierde klachtonderdeel

5.5       Uit het medisch journaal is niet terug te lezen dat beklaagde diclofenac heeft voorgeschreven aan patiënt. Klaagster heeft deze klacht niet onderbouwd. Dit vierde klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

vijfde klachtonderdeel

5.6       Klaagster en beklaagde hebben ieder het gesprek na het overlijden van patiënt op een andere manier beleefd. Omdat alleen klaagster en beklaagde aan het gesprek hebben deelgenomen, is niet vast te stellen hoe het gesprek precies is verlopen en dus ook niet of beklaagde tijdens dat gesprek haar excuses heeft aangeboden en heeft gezegd dat ze fouten heeft gemaakt. Dat brengt mee dat niet kan worden vastgesteld wat er die dag precies is gezegd. Dat oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag kunnen worden gelegd. Die feiten kunnen, omdat partijen elkaar over de inhoud van het gesprek tegenspreken, niet worden vastgesteld. De vijfde klacht is daarom kennelijk ongegrond.

5.7       Om bovenstaande redenen zal het College zonder nader onderzoek beslissen dat de klacht kennelijk ongegrond is. Beklaagde kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.

6.                  De beslissing

Het College:

verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 8 december 2020 door Y.J. Wijnnobel-van Erp, voorzitter, M.W. Koek, lid-jurist, J. Edwards van Muijen, G.J. Dogterom en I. Weenink, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door B.J. Dekker, secretaris.

voorzitter                                                                                           secretaris

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.       Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.      Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.       Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.