ECLI:NL:TGZRSGR:2020:136 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2019-239

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2020:136
Datum uitspraak: 17-11-2020
Datum publicatie: 17-11-2020
Zaaknummer(s): 2019-239
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een anesthesioloog. Het College kan niet vaststellen hoe de communicatie is verlopen. Wat betreft de behandeling is het College van oordeel dat beklaagde niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Dat er voor het opnieuw plaatsen van het infuus meerdere pogingen nodig waren (klaagster en beklaagde verschillen van mening over het aantal pogingen), waarbij patiënte vastgehouden moest worden omdat zij vanwege haar paniek niet goed de aanwijzingen van beklaagde kon opvolgen, is erg vervelend, maar dit kan beklaagde niet (tuchtrechtelijk) verweten worden. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.  

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A ,

wonende te B,

klaagster,

tegen:

C, anesthesioloog,

werkzaam te D,

beklaagde,

gemachtigde: mr. S.M. Steegmans, werkzaam te Utrecht.

1.                  Het verloop van de procedure

1.1              Het verloop van de procedure blijkt uit:

-      het klaagschrift, ontvangen op 25 oktober 2019;

-      het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 3 januari 2020;

-      het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 12 februari 2020;

-      de brief van beklaagde, ontvangen op 3 maart 2020;

-      de bijlagen ingediend door beklaagde op 7 juli 2020, ontvangen op 9 juli 2020.

1.2              Het College heeft de klacht op 6 oktober 2020 in raadkamer behandeld.  

2.                  De feiten

2.1              De dochter van klaagster (hierna: patiënte) is op 9 juli 2019 geopereerd aan haar kaak. Beklaagde was hierbij betrokken als anesthesioloog.

2.2              Vanwege angst voor de tandheelkundige behandeling is patiënte geopereerd onder narcose en is – conform de met klaagster en patiënte gemaakte afspraken – het infuus geplaatst na kapinductie.

2.3              Na de operatie werd patiënte op de verkoever wakker, voordat klaagster aanwezig was. Patiënte raakte daarbij in paniek en heeft vervolgens het infuus uit haar arm getrokken. Beklaagde heeft het infuus opnieuw geplaatst. Gelet op de grote onrust bij patiënte verliep dit opnieuw plaatsen van het infuus moeizaam.

3.                  De klacht

Klaagster verwijt beklaagde, zakelijk en samengevat weergegeven, dat zij in haar zorgplicht tekort is geschoten en dat zij klaagster en patiënte onfatsoenlijk heeft behandeld.

4.                  Het standpunt van beklaagde

Beklaagde heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.                  De beoordeling

5.1              Klaagster is van mening dat beklaagde gedurende de hele behandeling (voorafgaand aan de operatie, in de operatiekamer en na de operatie) ongepast en bot is geweest richting patiënte en klaagster. Zij heeft beklaagde als gestrest en onaardig ervaren. Beklaagde weerspreekt dit en stelt dat zij zich niet herkent in het beeld dat klaagster van haar heeft geschetst in het klaagschrift. Wel heeft beklaagde tijdens het mondeling vooronderzoek haar excuses aangeboden voor onaardige woorden die zij zou hebben gezegd.

5.2       Het College kan niet vaststellen hoe de communicatie is verlopen. De klacht kan daarom niet gegrond worden verklaard. Dit betekent niet dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar voor een oordeel of een bepaalde verweten gedraging onzorgvuldig (en dus tuchtrechtelijk verwijtbaar) is, moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag kunnen worden gelegd. Deze feiten kan het College hier niet vaststellen, omdat de lezingen van klaagster en beklaagde op dit punt uiteenlopen. Daarbij overweegt het College dat de erkenning van beklaagde dat zij misschien onaardige woorden heeft gezegd een onvoldoende reden is voor een tuchtrechtelijk verwijt.

5.3       Wat betreft de behandeling is het College van oordeel dat beklaagde niet

onzorgvuldig heeft gehandeld. Het is niet ongebruikelijk dat een patiënt bij het ontwaken uit een narcose in de war en/of erg onrustig is. Dat beklaagde het uitgetrokken infuus zo snel als mogelijk weer opnieuw wilde plaatsen, is naar het oordeel van het College zorgvuldig geweest. Immers, hoe langer hiermee wordt gewacht, hoe meer pijn patiënte zou gaan ervaren. Doordat patiënte in paniek was ging het opnieuw prikken van het infuus moeizaam. Het is begrijpelijk dat dit voor klaagster en patiënte een nare situatie en ervaring is geweest. Dat heeft ook beklaagde erkend. Dat er voor het opnieuw plaatsen van het infuus meerdere pogingen nodig waren (klaagster en beklaagde verschillen van mening over het aantal pogingen), waarbij patiënte vastgehouden moest worden omdat zij vanwege haar paniek niet goed de aanwijzingen van beklaagde kon opvolgen, is erg vervelend, maar dit kan beklaagde niet (tuchtrechtelijk) verweten worden.

5.4              Klaagster stelt dat zij heeft aangegeven behoefte te hebben aan een gesprek met

beklaagde, maar dat zij niet meer van beklaagde heeft gehoord. Beklaagde geeft aan dat zij bij de behandelend kaakchirurg en de verpleegkundige heeft nagevraagd of er behoefte was aan een gesprek, omdat zij gelet op de situatie niet onaangekondigd bij klaagster en patiënte wilde binnenlopen. Haar is gezegd dat klaagster geen behoefte had aan een gesprek. Kennelijk is er op dit punt sprake geweest van miscommunicatie. Dit is zeker te betreuren omdat een gesprek wellicht de kou uit de lucht had kunnen halen, maar dat kan beklaagde niet tuchtrechtelijk verweten worden. Daarbij merkt het College op dat klaagster beaamd heeft dat zij het niet prettig had gevonden als beklaagde in het bijzijn van patiënte onaangekondigd was langsgekomen. Dit had beklaagde dus juist ingeschat.

5.5              Om bovenstaande redenen zal het College zonder nader onderzoek beslissen dat de klacht kennelijk ongegrond is.

6.                  De beslissing

Het College;

-           verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 17 november 2020 door  E.J. Daalder, voorzitter, A.C. Hendriks, lid-jurist, H.R.H. de Geus, C. Keijzer, en A.J. Goverde, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door R. van der Vaart, secretaris.

voorzitter                                                                                           secretaris

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.       Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.      Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.       Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.