ECLI:NL:TGZREIN:2020:73 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 19166

ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2020:73
Datum uitspraak: 14-12-2020
Datum publicatie: 14-12-2020
Zaaknummer(s): 19166
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klager verwijt psychiater dat hij weigert door klager aangegeven feitelijke onjuistheden in de Pro Justitia rapportage te corrigeren. Verweerder heeft juiste toepassing gegeven aan het correctierecht. Verweerder heeft feitelijke onjuistheden aangepast en de rapportage definitief gemaakt. Voor zover klager nadien nog andere feitelijke onjuistheden heeft aangedragen, is hij daarmee te laat. Verweerder heeft terecht geweigerd gestelde onjuistheden in rapportages van derden aan te passen. Het correctierecht ziet niet op gegevens afkomstig van derden. Klacht ongegrond.

Uitspraak: 14 december 2020

 

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE EINDHOVEN

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 26 augustus 2019 ingekomen klacht van:

[A]

wonende te [B]

klager

tegen:

[C]

psychiater

werkzaam te [D]

BIG-registratienummer [E]

verweerder

gemachtigde mr. M.C. Hazenberg te Utrecht

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-          het klaagschrift en de aanvullingen daarop;

-          het verweerschrift en de aanvulling daarop;

-          de brieven van de secretaris aan de gemachtigde van verweerder van 7 en 28 januari 2020;

-          de brieven van de gemachtigde van verweerder van 20 januari 2020 en 10 maart 2020.

De klacht is ter openbare zitting van 13 november 2020 behandeld. Partijen waren aanwezig, verweerder werd bijgestaan door zijn gemachtigde.

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Klager is in 2003 door het gerechtshof Arnhem voor het plegen van ontuchtige handelingen met iemand jonger dan zestien jaar veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren en TBS met een bevel tot verpleging van overheidswege. Klager was eerder in 1987 en 1995 voor soortgelijke feiten strafrechtelijk veroordeeld.

Verweerder is psychiater en is als deskundige geregistreerd in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (NRGD) voor het deskundigengebied 003,1 (FFPO Strafrecht, volwassenen, psychiatrie).

Begin maart 2019 heeft de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) verweerder de opdracht verstrekt tot het verrichten van een psychiatrisch onderzoek van klager.

Verweerder heeft daartoe op 18 en 20 april 2019 met klager gesproken in de kliniek waar hij, klager, verblijft.  

Op 29 mei 2019 heeft verweerder met klager het conceptrapport op hoofdlijnen doorgenomen. Verweerder heeft toen bij klager een exemplaar van het conceptrapport achtergelaten met het verzoek de paragrafen 3 t/m 5 van het rapport door te nemen op feitelijke onjuistheden. Paragraaf 3 is getiteld “Gesprekken met betrokkene”, paragraaf 4 bevat de “Visie van betrokkene op het indexdelict” en paragraaf 5 de “Speciële anamnese”. Ook heeft verweerder klager meegedeeld dat hij hem in het weekend daarover zou bellen.

Op 2 juni 2019 heeft verweerder telefonisch contact opgenomen met klager en na dat gesprek heeft verweerder op diezelfde dag zijn definitieve Pro Justitia rapportage ingediend.

3. Het standpunt van klager

Klager verwijt verweerder dat hij weigert de door klager aangegeven feitelijke onjuistheden in het Pro Justitia rapport van 2 juni 2019 te corrigeren.

Ter onderbouwing van zijn klacht voert klager onder meer aan dat in het rapport een veroordeling staat van ernstige feiten waarvan klager is vrijgesproken. Ook staat er dat zijn bedrijf niet goed draaide en dat klager daarom zou zijn gestopt, terwijl op het moment dat hij werd aangehouden zijn omzet was gestegen en hij in het voorgaande jaar de grootste winst had sinds jaren. Daarnaast heeft klager in zijn aanvulling op het klaagschrift nog op een aantal andere onjuistheden in de rapportage gewezen.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder vindt het jammer dat klager ontevreden is over de door hem opgestelde rapportage, maar is van mening dat hij heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam

beroepsbeoefenaar in de gegeven omstandigheden verwacht mocht worden.

Aan klager komt het recht toe onjuistheden van feitelijke aard te corrigeren, maar dat betekent niet dat wijzigingen kunnen plaatsvinden als klager het niet eens is met (een deel van) het (concept)rapport of een passage niet relevant acht.

Verweerder maakt een onderscheid tussen de door klager gestelde feitelijke onjuistheden in de paragrafen 3 t/m 5 van de rapportage en de gestelde feitelijke onjuistheden in de overige paragrafen van het rapport.

Wat betreft de feitelijke onjuistheden in de paragrafen 3 t/m 5 stelt verweerder dat hij klager tijdig en correct heeft geïnformeerd over het inzage- en correctierecht en hem op juiste wijze de mogelijkheid heeft geboden om van zijn correctierecht gebruik te maken. Klager heeft ook gebruik gemaakt van zijn correctierecht en verweerder heeft de door klager aangegeven feitelijke onjuistheden in het rapport verwerkt.

De door klager thans in deze procedure gestelde onjuistheden heeft hij toen niet aan verweerder kenbaar gemaakt. Verweerder is van mening dat klager daar nu geen beroep meer op kan doen omdat hij daarmee te laat is.

Ten overvloede wijst verweerder erop dat de voorgestane correcties ook niet vallen binnen de grenzen van het correctierecht. Ook indien klager een en ander tijdig had gemeld, had verweerder deze wijzigingen niet doorgevoerd. Ten aanzien van de overige onjuistheden is verweerder van mening dat de klacht ongegrond is omdat het correctierecht daar niet op ziet.

5. De overwegingen van het college

Het gaat in deze zaak om de vraag of verweerder op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan het correctierecht van klager.

Op grond van de wet - thans artikel 16 Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), voorheen artikel 36 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) - en conform de Richtlijn psychiatrisch onderzoek en rapportage in strafzaken (2013) heeft klager recht op inzage en correctie van het conceptrapport. Dit correctierecht houdt in dat klager feitelijke onjuistheden in de van hem persoonlijk afkomstige gegevens mag corrigeren. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan een verkeerd genoteerde geboortedatum of een verkeerd gespelde naam.

Het recht om correcties te verzoeken betekent uiteraard niet dat als klager het niet eens is met het oordeel of het advies van verweerder in het conceptrapport hij aanspraak kan maken op  wijziging daarvan. Ook ziet het correctierecht niet op in het rapport opgenomen informatie die afkomstig is van derden.

Vaststaat dat verweerder op 29 mei 2019 klager heeft geïnformeerd over het hem toekomende correctierecht (zie 2. De Feiten). Vervolgens heeft verweerder tijdens het telefoongesprek op 2 juni 2019 klager in de gelegenheid gesteld feitelijke onjuistheden aan hem door te geven. Ter zitting heeft klager desgevraagd verklaard dat hij toen het rapport had gelezen en dat de feitelijke onjuistheden die hij tijdens dit telefoongesprek heeft gemeld door verweerder zijn aangepast.

Het college is van oordeel dat verweerder aldus klager binnen redelijke termijn in de gelegenheid heeft gesteld zijn correctierecht uit te oefenen en vervolgens ook op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan het correctierecht van klager.

Voor zover klager in aanvulling op de door hem op 2 juni 2019 aan verweerder doorgegeven onjuistheden in deze procedure nog een aantal andere feitelijke onjuistheden in het rapport heeft gemeld, is klager daarmee te laat. Zoals hiervoor overwogen, had klager voldoende tijd om het concept rapport goed door te nemen. Van hem had dan ook verwacht mogen worden alle feitelijke onjuistheden op 2 juni 2019 aan verweerder door te geven. Dit betekent dat klager thans geen aanspraak kan maken op wijziging van de (gestelde) feitelijke onjuistheden. Overigens heeft verweerder ter zitting (onweersproken) verklaard dat hij na indiening van het definitieve rapport geen correcties meer kan aanbrengen.

Klager heeft ter zitting heel duidelijk uitgelegd dat het hem vooral te doen is om onjuistheden in het rapport, die afkomstig zijn uit rapportages die in het verleden over hem zijn uitgebracht. Klager is van mening dat hem op grond daarvan ten onrechte TBS is opgelegd en daarom wil hij dat die onjuistheden worden gecorrigeerd. Volgens klager heeft verweerder dat ten onrechte geweigerd.

Zoals hiervoor overwogen, ziet het correctierecht niet op gegevens afkomstig van derden. Verweerder heeft dan ook terecht tijdens het telefoongesprek op 2 juni 2019 correctie daarvan geweigerd.

De conclusie luidt dat de klacht ongegrond is.

Ten overvloede overweegt het college nog het volgende.

Tijdens het telefoongesprek van 2 juni 2019 heeft verweerder de door klager gemelde feitelijke onjuistheden direct (digitaal) verwerkt. Deze voor de hand liggende werkwijze kan tot problemen leiden als later discussie ontstaat of de gemelde wijzigingen al dan niet zijn verwerkt. Het verdient daarom naar het oordeel van het college aanbeveling dat uit het rapport duidelijk blijkt welke wijzigingen zijn gemeld en verwerkt. Dat kan bijvoorbeeld eenvoudig door gebruik te maken van noten. Verder kan een optie zijn om op het moment dat betrokkene wordt geïnformeerd over het correctierecht daarbij tevens aan te geven dat betrokkene de onjuistheden op papier kan zetten. Alsdan kan de rapporteur dat als bijlage voegen bij het rapport, zodat ook in dat geval duidelijk is welke onjuistheden zijn gemeld.

6. De beslissing

Het college:

-          verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door H.A.W. Vermeulen, voorzitter, A.M. Bossink, lid-jurist, A.E. van der Waal, E.D.M. Masthoff en J.M.C. van Dam, leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van B.E.M.A. Jong-Miltenburg, secretaris en uitgesproken door N.B. Verkleij op 14 december 2020 in aanwezigheid van de secretaris.