Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZREIN:2020:47 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 19159

ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2020:47
Datum uitspraak: 07-10-2020
Datum publicatie: 07-10-2020
Zaaknummer(s): 19159
Onderwerp: Schending beroepsgeheim
Beslissingen: Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie: Verpleegkundige. 17 klachtonderdelen, waaronder het doen van negatieve uitspraken over het functioneren en de deskundigheid van klager in zijn functie als huisarts, het zonder toestemming inzien van het dossier van een overleden patiënte, schending van het medisch beroepsgeheim, het doen van uitspraken over een patiënte die de deskundigheid van de verpleegkundige te buiten gaan en het betichten van klager van een ernstig strafbaar feit zonder betrokken te zijn geweest bij de behandeling van patiënte. College: Eén klachtonderdeel wordt gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het college is van oordeel dat klaagster niet-ontvankelijk is voor zover dat klachtonderdeel ziet op het toebrengen van schade aan ‘de familie’, waarbij het college de term ‘familie’ aldus begrijpt dat klagers zèlf zijn geschaad. Eén klachtonderdeel wordt gegrond verklaard. Het college is van oordeel dat het verweerder tuchtrechtelijk kan en moet worden verweten dat hij het dossier van de overleden patiënte heeft ingezien de dag voordat hij als getuige door de politie werd gehoord in verband met het overlijden van de patiënte. Verweerder was immers niet betrokken geweest bij de behandeling van de patiënte en had uit dien hoofde geen reden om het dossier in te zien. Het op handen zijnde verhoor bij de politie vormde daarvoor geen rechtvaardiging. Klacht gedeeltelijk niet-ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond, waarschuwing. Publicatie in Staatscourant en tijdschrift Nursing.

Uitspraak: 7 oktober 2020

 

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE EINDHOVEN

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 15 augustus 2019 ingekomen klacht van:

[A] en [B]

wonende te [C]

klagers, respectievelijk klaagster en klager

tegen:

[D]

verpleegkundige

werkzaam te [C]

verweerder

gemachtigde mr. G.W.L.A.M. Koppen te Eindhoven

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-          het klaagschrift

-          het verweerschrift

-          de brief van klaagster van 18 augustus 2020 aan het college

-          de pleitaantekeningen overgelegd door klagers.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van het aangeboden mondelinge vooronderzoek.

Verweerder heeft op 30 augustus 2020 aan het college laten weten dat hij verhinderd was om ter openbare zitting van 2 september 2020 aanwezig te zijn en om aanhouding van de mondelinge behandeling verzocht. De voorzitter heeft dit verzoek afgewezen.

De klacht is vervolgens ter openbare zitting van 2 september 2020 behandeld. Klagers waren aanwezig. Verweerder was niet aanwezig. Zijn gemachtigde is wel verschenen.

Op initiatief van klagers is ter zitting als getuige gehoord [E].

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Klager en klaagster zijn met elkaar getrouwd. De moeder van klaagster/schoonmoeder van klager (hierna: patiënte) is in het najaar van 2015 vanuit het buitenland opgenomen in een verpleeghuis hier te lande. Bij beschikking van 9 maart 2016 van de rechtbank [F], zijn de goederen die aan patiënte (zullen) toebehoren met ingang van 16 maart 2016 onder bewind gesteld, is met ingang van die datum ten behoeve van patiënte een mentorschap ingesteld en is klaagster tot bewindvoerder en mentor benoemd.

Klager heeft een huisartsenpraktijk. Hij was ook de huisarts van patiënte toen zij in het verpleeghuis verbleef.

Op 4 juli 2016 is gestart met het voorschrijven en toedienen aan patiënte van druppels Rivotril. Als dosis werd door klager voorgeschreven “1 tot 6 maal per dag 10 druppels zo nodig bij niet te remmen agressie: per uur”.

Patiënte is op 29 juli 2016 in het verpleeghuis overleden.

Verweerder was vanaf 1 november 2015 tot en met 31 oktober 2017 in deeltijd (ongeveer drie dagen per week) als verpleegkundige werkzaam in het verpleeghuis waarin patiënte verbleef. Verweerder was niet bij de behandeling van patiënte betrokken. Justitie is een onderzoek gestart naar het overlijden van patiënte en de rol van klager daarin als haar huisarts. Verweerder is op 14 september 2017 door de politie als getuige gehoord over de gebeurtenissen rond de dood van patiënte. In het proces-verbaal van dat verhoor is, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen (citaat inclusief taal- en typefouten, waarbij  V staat voor vraag van verbalisanten en A voor antwoord van verweerder):

“(…)

V: Hoe was uw relatie met [volgt naam klager; college]?

A: Een zeer oppervlakkige relatie.

V: Hoe kan dit dan?

A: Ik heb niet zo’n hoge pet van hem op als huisarts. (…) Een rare vreemde man. Met rare humor.

V: Geef ons eens een voorbeeld hiervan?

A: (…)

Er zijn ook meerdere conflicten geweest met [volgt naam klager; college], ook met andere clienten. Maar die worden allemaal maar een beetje gesust, ook door het management. Ik krijg er geen vinger achter gelegd. Er zijn ook 2 clienten die vanwege een conflict met [volgt naam klager; college] een andere huisarts hebben gekozen.

Ik heb mijn bedenkingen met [volgt naam manager; college] besproken, zij is de verantwoordelijk. Voor palliatieve zorg is hij de eindverantwoordelijke, hij is de arts. Wij handelen via zijn instructie en doen wat we voor hem moeten doen.

(…)

Er was een vrouw, ik noem haar naam niet omdat dit buiten dit onderzoek staat. Mevrouw had een soort van fistel aan haar stuit. [Volgt naam klager; college] zei toen direct dat is kwaadaardig, daar doen we niets meer aan zei hij. Ik had de wond bekeken en zei na mijn jarenlange ervaring dat dat mee viel en niet direct kwaadaardig was. Ik heb dat toen besproken met de zoon van die vrouw.

(…) De zoon heeft toen een second opinion laten doen bij een andere arts. Na onderzoek bleek het een ongevaarlijk wondje te zijn.

Hiermee bedoel ik dat [volgt naam klager; college] zo uitspraken doet, terwijl hij achteraf de plank helemaal misslaat. Hiermee bedoel ik dat [volgt naam klager; college] diagnoses stelt met alleen zijn ogen, verder niets. De manier waarop hij communiceert met mensen, dat klopt niet.

(…)

Als mensen mij vragen hoe [volgt naam klager; college] is zeg ik het gewoon eerlijk. Ik ben zelf wel goed communicatief, ik ben daar open en eerlijk in.

(…)

V: Omschrijf [volgt naam klager; college] eens als persoon?

A: Ja, ik vind het maar een rare vogel. Zoals ik al zei zijn wijze van communiceren vind ik slecht. Hij probeert altijd een beetje ongepast humoristisch te zijn. Een beetje ADHD type, een beetje wazig soms.

V: Hoe bedoeld u een ADHD type?

A: Druk, heel druk aanwezig. Als hij binnenkomt merk je meteen dat hij aanwezig is. Ik bedoel dat hij wel communiceert naar mensen toe, als hij bijvoorbeeld binnen komt. Maar vakinhoudelijk communiceert hij heel slecht.

Ik kan niet oordelen over hoe hij als huisarts naar zijn patienten is. Maar hij is de laatste huisarts die ik voor mezelf zou nemen.

(…)

V: heeft u het dossier van [volgt naam patiënte; college] bekeken?

A: Ja.

V: Wanneer heeft u voor het laatst het dossier van [volgt naam patiënte; college] bekeken?

A: Gisterenmiddag.

V: Wat kunt u ons over het dossier van [volgt naam patiënte; college] vertellen?

A: (…)

Ik zal eerste iets vertellen over [volgt naam patiënte; college] zelf. In de periode dat zij gesedeerd werd of behandeld werd voor haar gedrag. Echt het woord ‘gedrag’ met hoofdletters.

Ik was er toen zijdelings bij betrokken, ik was toen op de bovenste etage werkzaam. Mijn collega’s kwamen verontrustend naar me toe. Ik heb ze begeleid, gesteund en advies gegeven. Ik heb dit ook weer besproken met mijn leidinggevende, [volgt naam manager; college]. Dat er verschillende zaken speelde, en zij zou dit oplossen en meenemen.

Hiermee bedoel ik dat collega’s vraagtekens plaatste bij haar diagnose, dat mevrouw mogelijk bipolair was. Dat dat probleem 10 keer groter was dan dementie. Dat mevrouw dus niet paste binnen de speerpunten en visie van [volgt naam verpleeghuis; college]. Collega’s zeiden dat mevrouw niet thuis hoorde bij [volgt naam verpleeghuis; college]. (…)

Ik kan door mijn jarenlange ervaring in de zorg echt zeggen dat mevrouw waarschijnlijk geen Alzheimer heeft. Ik ben geen dokter dat weet ik, maar dit klopte niet.

Het was vaker ook vertrouwelijk wat mijn collega’s me vertelden. Mijn collega’s zien mij als een vertrouwenspersoon, ook door mijn jarenlange ervaring. (…)

Later begreep ik dat zij geïndiceerd zou zijn bij [volgt naam instelling; college] ouderenzorg, dat ging de wandelgangen door. Maar daar zou geen plek voor haar zijn. Mogelijk dat dit gerucht van [volgt naam manager; college) of [volgt naam klager; college], de aanstaande schoonzoon van [volgt naam patiënte; college], afkomt.

(…)

V: U gaf aan dat u het niet eens was met de dosering Rivotril die aan [volgt naam patiënte; college] werd voorgeschreven, heeft u dit kenbaar gemaakt?

A: Nou eens, ik was verbaasd over de hoge dosering. Ik ben geen arts, maar ik weet welke consequenties zo’n hoge dosering heeft. Denk aan valincidenten, sufheid, slaperigheid, niet alert zijn. Ik heb dit teruggegeven aan de collega’s die dit bij mij aangaven.

V: Wat hebben de collega’s met uw advies hierin gedaan?

A: Bespreekbaar gemaakt en aangegeven bij [volgt naam manager; college]

(…) 

V: Kreeg mevrouw vocht toegediend?

A: Nee. (…)

Ik kan me wel nog een vreemde situatie herinneren die ik graag aan u kwijt wil. Een hele goede collega van mij genaamd [volgt naam collega; college], had op een bepaalde avond avonddienst. [Volgt naam patiënte; college] was toen al bedlegerig. Ik was boven aan het werk. Ik kreeg op een gegeven moment een whattsapp bericht van [volgt naam collega; college] waarin ze zei dat [volgt naam klager; college] had gevraagd om alleen bij zijn schoonmoeder te zijn, niet gestoord te willen worden en de deur achter hem te willen sluiten. [Volgt naam collega; college] vroeg me wat ze ermee moest. Ik zei tegen [volgt naam collega; college] dat ik [volgt naam manager; college] kon appen over het feit dat er een bijzonder vreemde situatie gaande was. Ik was op dat moment boven bezig. Ik zei tegen [volgt naam collega; college] dat ik naar beneden zou komen zodra ik boven klaar was. Dit was een hele vreemde situatie. Ik vroeg [volgt naam collega; college] om me op de hoogte te houden.

Na 15 minuten liep ik naar beneden en kwam ik langs de kamer bij [volgt naam patiënte; college]. Toen stond de deur open. [Volgt naam klager; college] zat naast het bed. Ik vroeg hem: “en”? Ik wilde even peilen wat er aan de hand was geweest. Hij zei: “wat moeten we er nu nog mee, het is uitzichtloos, wat moeten we nog?”. Ik zei: soms is het eigenlijk beter als de natuur zijn werk doet en wij zijn niet de natuur. Hij keek me aan en zei: “dan laat ik haar maar lekker slapen, ik ga naar huis, ik ben moe”. Wat er in de tussentijd gebeurd is weet niemand en kan niemand bevestigen. Mijn collega [volgt naam collega; college] voelde zich er erg vervelend bij, ze voelde zich echt niet prettig erbij. Ik weet niet wat er gebeurd is toen, hiermee bedoel ik het moment dat [volgt naam klager; college] alleen binnen was en de deur dicht deed.

Ik heb [volgt naam manager; college] uiteindelijk niet geappt, omdat de deur al openstond.

(…)

V: Met welke collega’s heeft u over het overlijden van [volgt naam patiënte; college] gesproken en wat werd er dan over gezegd?

A: Met [volgen namen drie collega’s; college], mensen uit de huishoudelijke zorg. Er wordt veel over gesproken, ook omdat mensen het heel erg vonden. Veel mensen hadden moeite met de procedure, er werden vraagtekens bij geplaatst. Dit is ook teruggekoppeld naar [volgt naam manager; college].

(…)

V: Heeft u nog iets toe te voegen aan uw verklaring?

A: Hoe de algemene directie met deze casus en situatie omgaat, daar heb ik mijn vraagtekens bij.

(…)

Normaal zou je zeggen dat er een aantal mensen op non-actief worden gezet. Bijvoorbeeld de dokter. (…)”

Op 11 februari 2019 is verweerder door de politie als verdachte gehoord. Hij werd verdacht van het naar buiten brengen dan wel delen met derden van medische informatie van patiënte en het in dat verband schenden van het medisch beroepsgeheim. Verweerder is tijdens dat verhoor medegedeeld dat hij niet tot antwoorden is verplicht. Op de vraag: “Wat wenst u te verklaren op de feiten waarvan u wordt verdacht?”, heeft verweerder blijkens het proces-verbaal verwezen naar een door hem opgestelde en ondertekende verklaring en zich overigens op zijn zwijgrecht beroepen.

In zijn ondertekende verklaring van 11 februari 2019 verklaart verweerder voor zover thans van belang als volgt:

“(…)

Vandaag ben ik voor u verschenen om als verdachte te worden gehoord. Dit – zo begreep ik uit de brief van de Officier van Justitie – op verdenking van schending van het beroepsgeheim, als bedoeld in artikel 272 Wetboek van Strafrecht. In de brief staat vermeld dat het hierbij specifiek gaat om het lekken van medische informatie naar [volgt naam krant; college].

Ik wens te verklaren dat ik hiervoor niet verantwoordelijk ben. Ik heb niet met de krant over deze zaak gesproken. Ik acht mezelf dan ook niet schuldig aan deze verdenking.

Ik wil met dit standpunt volstaan. (…)

Ik kan niets meer verklaren dan dat ik niet met journalisten over deze zaak heb gesproken. Ook heb ik me op generlei andere wijze schuldig gemaakt aan schending van mijn beroepsgeheim. Ik laat het hierbij.

Ik zal bij alle andere vragen een beroep doen op mijn zwijgrecht. Ik wens geen enkele vraag te beantwoorden en verzoek u om dit verhoor zo spoedig mogelijk te beëindigen.

(…)” 

3. Het standpunt van klagers

Klagers verwijten verweerder dat:

1. hij zonder onderbouwing negatieve uitspraken over het functioneren, de deskundigheid en bekwaamheid van klager in functie als huisarts heeft gedaan en het vertrouwen van zorgvragers en andere hulpverleners in klager systematisch heeft ondermijnd;

2. hij deze negatieve uitspraken wel met derden binnen en buiten het verpleeghuis heeft besproken, maar niet kenbaar heeft gemaakt bij klager;

3. hij eventuele twijfels met betrekking tot behandeling en overlijden van patiënte wel met derden binnen en buiten het verpleeghuis heeft besproken, maar niet kenbaar heeft gemaakt bij klaagster, zijnde dochter en wettelijk vertegenwoordiger;

4. hij zonder toestemming en zonder een behandel- of zorgrelatie het dossier van patiënte na haar overlijden meermaals heeft ingezien;

5. hij noch bij de werkgever, noch bij de wettelijk vertegenwoordiger melding heeft gemaakt van de onrechtmatige inzage door één in de klacht met name genoemde oud-collega en de schending van het beroepsgeheim door één met name genoemde collega-verpleegkundige;

6. hij voornoemde oud-collega niet heeft gewezen op het belang van het beroepsgeheim en hij zich er niet voor heeft ingezet dat er geen informatie over patiënte via welke weg dan ook wordt verspreid;

7. hij het medisch beroepsgeheim en de privacy van patiënte heeft geschonden door onrechtmatig verkregen medische informatie en geruchten die hem in zijn functie van verpleegkundige ter ore kwamen te hebben gedeeld met derden binnen en buiten de instelling, waaronder huishoudelijke medewerkers en cafébezoekers;

8. hij het medisch beroepsgeheim en de privacy van patiënte heeft geschonden door actief mee te werken aan een lasterlijke publicatie;

9. hij de opheldering met betrekking tot de door hem gepleegde schending van het beroepsgeheim probeert onmogelijk te maken door zich op het zwijgrecht te beroepen en een foutieve verklaring bij de politie af te geven;

10. hij uitspraken deed over de geestelijke gesteldheid van patiënte die zijn deskundigheid te buiten gaan en hij zich desondanks als deskundig heeft voorgedaan;

11. hij niet onderbouwde en ondeskundige uitspraken met betrekking tot de diagnose en behandeling van patiënte en medicatie als feitelijk heeft doorgegeven aan derden zonder ooit direct betrokken te zijn geweest bij haar behandeling;

12. hij geruchten die hij in zijn functie van verpleegkundige op zijn werkplek heeft vernomen openlijk verspreidde en daarmee smaad en laster heeft verspreid, die de goede naam van patiënte en de familie hebben aangetast;

13. hij zonder direct betrokken te zijn geweest bij de behandeling van patiënte en zonder een multidisciplinair overleg te hebben bijgewoond, tegenover de wel bij de behandeling betrokken medewerkers de rol van medisch adviseur en vertrouwenspersoon heeft ingenomen en deze medewerkers vanuit deze rol onder andere heeft gesteund in de weigering medicatie naar voorschrift toe te passen en hier geen melding van heeft gemaakt, met toenemende uitputting en lijden van patiënte als gevolg;

14. patiënte als gevolg van het onder 13 gestelde is benadeeld;

15. hij niet, zoals het hem in zijn positie als één van de in totaal drie verpleegkundigen binnen de instelling betaamt, heeft getracht de in gang gezette roddelmachine rondom het overlijden van patiënte in te perken, maar dat hij deze roddels zelf actief heeft aangewakkerd;

16. hij zonder direct betrokken te zijn geweest bij de behandeling van patiënte en aan de hand van informatie van derden klager van een ernstig strafbaar feit heeft beticht en dat verweerder een sfeer heeft gecreëerd waarin voorveroordeling van klager mogelijk werd en de subjectieve waarheidsvinding werd tegengewerkt;

17. hij zich welbewust was van de reikwijdte van zijn handelen.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft, kort en zakelijk weergegeven, ten aanzien van de verschillende klachtonderdelen het volgende als verweer naar voren gebracht:

Ad 1:

Verweerder herkent zich niet in het beeld. In voorkomende gevallen heeft verweerder zich niet voorgedaan als deskundige, maar veelal een alternatieve/afwijkende mening verkondigd. Verweerder heeft zeker geen concrete zorgadviezen verstrekt en/of behandelingen aangeraden.

Ad 2:

Verweerder kwalificeert zijn mening over klager niet als “negatieve uitspraken”. Hij heeft geen aanleiding gezien deze met klager te delen. Verweerder heeft zich binnen de bandbreedte van de vrijheid van meningsuiting vrij gevoeld de uitlatingen te doen. Hij heeft geen uitspraken gedaan die voor klager kwetsend en/of onnodig grievend waren, heeft zich niet systematisch negatief over klager uitgelaten en helemaal niet op een wijze die de belangen van klager als arts zouden kunnen raken.

Ad 3:

Verweerder heeft zijn bedenkingen over de behandeling en het overlijden van patiënte slechts ten behoeve van het onderzoek met de politie gedeeld en ten tijde van de feiten op zijn hoogst met collega’s. Verweerder was niet actief betrokken bij de verzorging van patiënte en heeft het daarom niet als zijn verantwoordelijkheid ervaren om zijn mening ook met klaagster te delen.

Ad 4:

Na het overlijden van patiënte is vanuit het verpleeghuis gecommuniceerd dat er een strafrechtelijk onderzoek zou volgen en dat waarschijnlijk alle medewerkers als getuige zouden worden gehoord. Opgedragen werd hieraan alle medewerking te verlenen. Verweerder is niet direct betrokken geweest bij de zorg over patiënte en beschikte daarom over een geringe informatiepositie. Verweerder heeft vervolgens het voor alle medewerkers ten aanzien van alle patiënten vrij toegankelijke ‘Resident Web’ bekeken. Hij heeft zich hierin ingelezen om zodoende meer te weten te komen over de casus waarover hij mogelijk door de politie zou worden gehoord.

Ad 5:

Na de dood van patiënte is met collega’s en enkele oud-collega’s, die met de directe zorg over patiënte belast waren geweest, gesproken over wat er was gebeurd en zou gaan gebeuren. Er was een gedeelde zorg. De communicatie vond dus slechts plaats tussen personen die in het verpleeghuis werkzaam waren of waren geweest. Bij verweerder is niet de gedachte ontstaan dat één of meerdere van zijn (oud)collega’s iets onoorbaars heeft gedaan. Bovendien is verweerder niet tuchtrechtelijk aansprakelijk voor het handelen door de genoemde personen.

Ad 6:

Het is de verantwoordelijkheid van iedere (oud)verpleegkundige zelf om zich te houden aan de wettelijke verplichting tot geheimhouding. Er is in dit verband niet sprake van een zorgplicht voor verweerder als derde.

Ad 7:

Verweerder ontkent de schending van zijn medisch beroepsgeheim.

Ad 8:

Verweerder ontkent iedere medewerking aan welke publicatie dan ook.

Ad 9:

Verweerder ontkent dat hij zijn beroepsgeheim zou hebben geschonden. Hij heeft als verdachte gebruik gemaakt van zijn zwijgrecht. Dat kan hem niet worden tegengeworpen.

Ad 10:

Indien met dit klachtonderdeel wordt gedoeld op hetgeen verweerder bij de politie heeft verklaard, betoogt verweerder dat hij zich bij de politie niet als deskundige heeft voorgedaan, maar slechts als getuige heeft willen bijdragen aan de waarheidsvinding.

Ad 11:

Verweerder ontkent dat hij richting derden zich als deskundig heeft voorgedaan als het ten aanzien van patiënte gaat om de diagnose en/of de toe te passen medicatie. Niet onmogelijk is dat hij op dit punt tegenover derden zijn mening heeft gegeven, maar hij heeft nimmer betoogd dat hij in zijn mening diende te worden gevolgd.

Ad 12:

Verweerder ontkent het verspreiden van geruchten.

Ad 13:

Verweerder herkent zich niet in de in het klachtonderdeel geschetste ingenomen rol richting collega’s.

Ad 14:

Dit klachtonderdeel bevat geen verwijt aan verweerder.

Ad 15:

Verweerder herkent noch de beschreven roddelmachinerie, noch zijn actieve rol hierin.

Ad 16:

Verweerder heeft als getuige bij de politie verklaard en heeft zulks naar eer en geweten gedaan.

Ad 17:

Dit klachtonderdeel bevat geen verwijt aan verweerder.

5. De overwegingen van het college

Ten aanzien van de klachtonderdelen moet worden getoetst of verweerder bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klagers klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard. Bij de tuchtrechtelijke beoordeling van beroepsmatig handelen gaat het niet om de vraag of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de aangeklaagde beroepsbeoefenaar binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig handelen en met hetgeen toen in zijn beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard.

Aan de tuchtrechtspraak is ook onderworpen de, kort gezegd,  BIG-geregistreerde ter zake van enig ander dan onder artikel 47 lid 1 onder a Wet BIG bedoeld handelen of nalaten in die hoedanigheid in strijd met het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg (zie artikel 47 lid 1 onder b Wet BIG).

Ten aanzien van klager

Het college bespreekt allereerst de klachtonderdelen die betrekking hebben op klager.

Met de klachtonderdelen 1, 2 en 16 wordt verweerder, kort gezegd, verweten dat hij tegenover derden ongefundeerd negatieve uitspraken over klager heeft gedaan. Verweerder heeft de door klager gestelde uitspraken ontkend. Of verweerder tegenover derden dergelijke uitspraken heeft gedaan, moet naar het oordeel van het college blijken uit het proces-verbaal van getuigenverhoor bij de politie van 14 september 2017. Enig ander bewijsmiddel is niet voorhanden. Blijkens het proces-verbaal van 14 september 2017 heeft verweerder als getuige bij de politie onder meer verklaard dat klager “een rare vreemde man” is, dat hij “diagnoses stelt met alleen zijn ogen, verder niets” en dat klager de laatste huisarts is die verweerder zelf zou nemen (zie onder 2. De feiten). Daarmee heeft verweerder tijdens het verhoor bij de politie zijn mening gegeven over klager. Hij heeft dit gedaan in antwoord op de aan hem in het kader van het onderzoek naar het overlijden van patiënte door de politie gestelde vragen. Verweerder heeft de gewraakte uitlatingen over klager gedaan op basis van de ervaringen die hij met hem als verpleegkundige heeft gehad. In de gegeven context kan dit verweerder niet tuchtrechtelijk worden verweten. Uit genoemd proces-verbaal blijkt voorts niet dat verweerder deze en dergelijke uitspraken buiten het kader van het getuigenverhoor ook tegenover andere derden heeft gedaan. Weliswaar heeft verweerder tijdens het verhoor desgevraagd verklaard dat als mensen hem vragen hoe klager is, hij het “gewoon eerlijk” zegt (zie onder 2. De feiten), maar daarmee acht het college nog niet bewezen dat verweerder buiten het kader van het getuigenverhoor bij de politie negatieve en ongefundeerde uitspraken over het functioneren, de deskundigheid en de bekwaamheid van klager zou hebben gedaan. Dat volgt in elk geval niet uit de verklaring van verweerder bij de politie dat hij het “gewoon eerlijk” zegt.

Uit het proces-verbaal van getuigenverhoor van 14 september 2017 blijkt evenmin dat verweerder klager tijdens zijn verhoor bij de politie van een ernstig strafbaar feit heeft beticht. Verweerder heeft verklaard dat niemand wist wat er was gebeurd toen klager alleen met patiënte in haar kamer was. Voorts heeft hij vraagtekens geplaatst bij de wijze waarop de directie met de situatie is omgegaan. Verder heeft hij verklaard dat normaal gesproken een aantal mensen, waaronder klager, op non-actief zou zijn gezet (zie onder 2. De feiten). Daarmee heeft verweerder zijn onzekerheid over de gang van zaken verwoord, maar klager niet beschuldigd van een ernstig strafbaar feit en evenmin een sfeer gecreëerd waarin klager bij voorbaat was veroordeeld.

De klachtonderdelen 1, 2 en 16 zijn ongegrond.

Ten aanzien van klaagster

Het college zal nu de overige klachtonderdelen bespreken.

Deze klachtonderdelen betreffen, kort gezegd, de verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding van de inmiddels overleden patiënte.

Het college zal allereerst ambtshalve ingaan op de vraag of klaagster in deze klachtonderdelen kan worden ontvangen. Volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege (zie onder andere uitspraak CTG van 7 maart 2019, ECLI:NL:TGZCTG:2019:64) geldt het volgende.

Ingevolge artikel 65 lid 1 sub a Wet BIG kan een klacht aanhangig worden gemaakt door een rechtstreeks belanghebbende. Hierbij dient in de eerste plaats te worden gedacht aan de patiënte. Ook anderen dan de patiënte kunnen als rechtstreeks belanghebbenden worden aangemerkt, zoals de naaste betrekkingen van de patiënte en de mentor. Klaagster was ten behoeve van patiënte op grond van artikel 1:453 lid 2 BW als mentor ten behoeve van patiënte benoemd (zie onder 2. De feiten). Daarmee was klaagster de vertegenwoordigster in rechte van patiënte in aangelegenheden betreffende haar verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat klaagster als mentor de veronderstelde wil van patiënte tot uiting bracht en brengt, tenzij er sprake is van feiten of omstandigheden die in een andere richting wijzen. Daarvan is niet gebleken. In het onderhavige geval is van belang dat ondanks dat het mentorschap met het overlijden van patiënte formeel is geëindigd, aan de mentor ook na het overlijden van patiënte de benodigde zelfstandige rechten toekomen, bijvoorbeeld in verband met het vaststellen van een mogelijke tekortkoming van een hulpverlener en de eventuele vervolgacties daartoe. Gezien het voorgaande is het college van oordeel dat klaagster kan worden ontvangen in de klachtonderdelen 3 tot en met 15 en 17. Daarbij tekent het college nog wel aan dat met klachtonderdeel 12 verweerder ook wordt verweten dat hij de goede naam van “de familie” zou hebben aangetast. Gelet op het zojuist geformuleerde uitgangspunt kan klaagster evenwel niet worden ontvangen in klachtonderdeel 12 voor zover dit ziet op “de familie”, waarbij het college de term aldus begrijpt dat klagers zèlf zijn beschadigd.

Met klachtonderdeel 3 verwijt klaagster verweerder dat hij eventuele twijfels over de behandeling en het overlijden van patiënte wel met derden maar niet met klaagster als vertegenwoordigster van patiënte heeft besproken. Uit de verklaring die verweerder op 14 september 2017 tegenover de politie heeft afgelegd (zie onder 2. De feiten) blijkt dat verweerder met collega’s over patiënte heeft gesproken. Het college ziet hierin een uiting van bezorgdheid over patiënte onder het personeel van het verpleeghuis en niet een mogelijke schending van haar persoonlijke levenssfeer waaraan verweerder zou hebben bijgedragen. Uit de genoemde verklaring van verweerder bij de politie blijkt dat hij zijn zorgen en bedenkingen over de situatie waarin patiënte verkeerde met de verantwoordelijke manager van het verpleeghuis heeft besproken. Voorts heeft verweerder bij de politie verklaard dat veel mensen moeite hadden met de procedure, dat er vraagtekens bij werden geplaatst en dat dit ook naar de genoemde manager is teruggekoppeld. Door de manager als leidinggevende van het verpleeghuis in te schakelen, heeft verweerder naar het oordeel van het college correct gehandeld. Het was niet aan verweerder om buiten zijn leidinggevende om rechtstreeks klaagster te benaderen.

Klachtonderdeel 3 is ongegrond.

Met klachtonderdeel 4 wordt verweerder verweten dat hij zonder toestemming en zonder dat sprake was van een behandel- en of zorgrelatie het dossier van patiënte na haar overlijden heeft ingezien. Op 14 september 2017 heeft verweerder als getuige bij de politie verklaard (zie onder 2. De feiten) dat hij het dossier van patiënte de dag vóór het verhoor heeft bekeken. In zijn verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat hij zich ten behoeve van dat verhoor had ingelezen. Verweerder wilde meer te weten komen over de casus waarover hij mogelijk zou worden gehoord. Naar het oordeel van het college is het op zich genomen begrijpelijk dat verweerder zich op het aanstaande verhoor bij de politie wilde voorbereiden en dat hij in dat verband het dossier van de inmiddels overleden patiënte, dat hij kennelijk eenvoudig kon inzien, heeft geraadpleegd. Dit neemt echter niet weg dat het verweerder tuchtrechtelijk kan en moet worden verweten dat hij het dossier van patiënte heeft ingezien. Verweerder was, naar vaststaat (zie onder 2. De feiten), niet bij de behandeling van patiënte betrokken en had uit dien hoofde geen reden om het dossier van patiënte in te zien. Het aanstaande verhoor bij de politie was voor verweerder geen rechtvaardiging om het dossier van patiënte eigenmachtig te raadplegen. Verweerder had immers tijdens het politieverhoor op vragen waarop hij het antwoord schuldig moest blijven, eenvoudig kunnen antwoorden dat hij het antwoord niet wist.

Klachtonderdeel 4 is gegrond.

De klachtonderdelen 5 en 6 betreffen de inzage van het dossier van patiënte door een oud-collega van verweerder en de schending van het beroepsgeheim door deze oud-collega en een collega van verweerder. Naar het oordeel van het college kan het verweerder in zijn algemeenheid niet tuchtrechtelijk worden verweten dat een oud-collega het dossier van patiënte heeft ingezien. Ook van de mogelijke schending van het beroepsgeheim door een oud-collega dan wel collega kan verweerder in beginsel geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Het gaat hier immers om de eigen verantwoordelijkheid van de betreffende zorgverlener en niet die van verweerder. Feiten en/of omstandigheden die dit anders maken, zijn niet gesteld, noch is daarvan gebleken. Voor zover het verweerder voorts wordt verweten dat hij zich niet ervoor heeft ingezet dat er geen informatie over patiënte via welke weg dan ook wordt verspreid, is het klachtonderdeel onvoldoende specifiek.

De klachtonderdelen 5 en 6 zijn ongegrond.

Met de klachtonderdelen 7 en 12 wordt verweerder verweten dat hij medische informatie en geruchten omtrent patiënte met derden, waaronder huishoudelijke medewerkers van het verpleeghuis en cafébezoekers, heeft gedeeld. Verweerder heeft tijdens het getuigenverhoor bij de politie op 14 september 2017 erkend dat hij met drie collega’s en met medewerkers uit de huishoudelijke zorg, naar het college begrijpt, over patiënte heeft gesproken (zie onder 2. De feiten). Daarmee is echter nog niet komen vast te staan dat verweerder daarmee informatie met deze personen, waaronder huishoudelijke medewerkers, heeft gedeeld, waarvan zij gelet op hun functie niet op de hoogte behoorden te zijn. Verweerder heeft ontkend zijn medisch beroepsgeheim te hebben geschonden. Wat precies is gedeeld, is niet duidelijk geworden. Denkbaar is, zoals naar aanleiding van klachtonderdeel 3 is overwogen, dat medewerkers waaronder verweerder, in onderlinge gesprekken uiting hebben gegeven aan hun bezorgdheid over het welbevinden van patiënte. Het college kwalificeert deze gesprekken niet als een schending van de persoonlijke levenssfeer van patiënte waaraan verweerder zou hebben bijgedragen. Evenmin is komen vast te staan dat verweerder geruchten aan zorgmedewerkers heeft doorverteld. Daarvoor is het verwijt aan het adres van verweerder onvoldoende specifiek. Ook de juistheid van het overigens in meer algemene zin aan verweerder gemaakte verwijt dat hij medische informatie en geruchten betreffende patiënte met derden zou hebben gedeeld, hetgeen verweerder heeft ontkend, is niet komen vast te staan.

De klachtonderdelen 7 en 12 zijn ongegrond.

Met klachtonderdeel 8 wordt verweerder verweten dat hij heeft meegewerkt aan een lasterlijke publicatie betreffende patiënte in een krant. Verweerder heeft dat ontkend. Het college heeft van dit verwijt niet kunnen vaststellen dat verweerder aan de betreffende publicatie zijn medewerking heeft verleend.

Klachtonderdeel 8 is ongegrond.

Met klachtonderdeel 9 wordt verweerder verweten dat hij in het kader van een verhoor door de politie zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Het college stelt vast dat verweerder op 11 februari 2019 door de politie als verdachte is gehoord en dat hij zich toen op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Dit is een aan hem op dat moment toegekend recht (zie artikel 29 lid 1  Wetboek van Strafvordering) waarvan verweerder gebruik kan en mag maken en waarvan hem tuchtrechtelijk geen verwijt kan worden gemaakt. Voorts overweegt het college dat van een door verweerder afgelegde foutieve verklaring niet is gebleken.

Klachtonderdeel 9 is ongegrond.

Met de klachtonderdelen 10 en 11 wordt verweerder, kort gezegd, verweten dat hij uitspraken heeft gedaan over de diagnose en behandeling van patiënte, terwijl deze uitspraken buiten zijn deskundigheid liggen. Vaststaat (zie onder 2. De feiten) dat verweerder niet bij de behandeling van patiënte was betrokken. Vaststaat ook (zie onder 2. De feiten) dat verweerder patiënte kende omdat hij als verpleegkundige werkzaam was in het verpleeghuis waarin patiënte gedurende de laatste fase van haar leven verbleef. Het college stelt vast dat verweerder tijdens het politieverhoor op 14 september 2017 heeft verklaard dat patiënte naar zijn mening waarschijnlijk niet leed aan alzheimer. Verweerder heeft in dat kader toegelicht dat hij geen arts is. Verweerder heeft voorts tijdens het verhoor zijn mening met omzichtigheid (“waarschijnlijk”) gepresenteerd. Hij heeft ook aangegeven waarop hij deze mening heeft gebaseerd, namelijk op zijn jarenlange ervaring, naar het college begrijpt, als verpleegkundige. Het college is van oordeel dat dit handelen in de zojuist geschetste context verweerder niet tuchtrechtelijk kan worden verweten. Het college vat de uitlating van verweerder bovendien op als een uiting van zijn bezorgdheid voor het welbevinden van patiënte, waarmee zij niet in diskrediet werd gebracht. Verweerder vroeg zich immers af of patiënte binnen het verpleeghuis wel op haar plek was (zie onder 2. De feiten). Niet uit te sluiten valt dat verweerder in gelijke zin als bij de politie zijn mening met collega’s binnen de setting van het verpleeghuis heeft gedeeld. Tijdens het verhoor bij de politie op 14 september 2017 heeft verweerder namelijk verklaard dat collega’s vraagtekens plaatsten bij de diagnose van patiënte, omdat zij mogelijk bipolair was. Mochten deze gesprekken hebben plaatsgehad, dan ziet het college deze ook als een uiting van een onder verweerder en zijn collega’s binnen het verpleeghuis gedeelde zorg voor patiënte. Dat kan verweerder niet tuchtrechtelijk worden verweten.

De klachtonderdelen 10 en 11 zijn ongegrond.

Met klachtonderdeel 13 wordt verweerder verweten dat hij tegenover de bij de behandeling van patiënte betrokken medewerkers de rol van medisch adviseur en vertrouwenspersoon heeft ingenomen en dat patiënte door zijn tussenkomst niet de voorgeschreven medicatie kreeg toegediend. Het college overweegt dat verweerder tijdens zijn meergenoemde verhoor bij de politie op 14 september 2017 heeft verklaard dat collega’s zich tot hem hebben gewend en dat hij hen heeft begeleid en geadviseerd. Uit niets blijkt dat patiënte door tussenkomst van verweerder, zoals hem wordt verweten, niet de voorgeschreven medicatie kreeg toegediend. Tijdens het verhoor bij de politie op 14 september 2017 heeft verweerder namelijk verklaard dat hij verbaasd was over de hoge dosering Rivotril, dat hij dit heeft teruggeven aan zijn collega’s en dat dit is aangegeven bij de manager (zie onder 2. De feiten).

Klachtonderdeel 13 is ongegrond.

Met klachtonderdeel 15 wordt verweerder verweten dat hij deel heeft genomen aan het verspreiden van roddels over patiënte. Het college heeft geen feitelijke gronden kunnen ontdekken waarop dit verwijt kan worden gebaseerd.

Klachtonderdeel 15 is ongegrond.

De klachtonderdelen 14 en 17 bevatten geen zelfstandige klacht en hoeven dan ook niet te worden beoordeeld.

De maatregel

Klachtonderdeel 4 is gegrond. Het college acht een waarschuwing een, gelet op het aan verweerder te maken tuchtrechtelijk verwijt, passende maatregel.

Om redenen aan het algemeen belang ontleend, bepaalt het college dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden gepubliceerd.

6. De beslissing

Het college:

-          verklaart klaagster niet-ontvankelijk in klachtonderdeel 12 voor zover dat ziet op “de familie”;

-          verklaart de klacht gegrond wat betreft klachtonderdeel 4;

-          verklaart de klacht ongegrond wat betreft de klachtonderdelen 1 tot en met 3, 5 tot en met 11, 13, 15, 16 en 12 voor zover dat klachtonderdeel ziet op de patiënte;

-          verstaat dat over de klachtonderdelen 14 en 17 niet hoeft te worden geoordeeld;

-          legt op de maatregel van waarschuwing;

-          bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift Nursing.

Aldus beslist door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter, M.J.H.A. Venner-Lijten, lid-jurist, G.P. Haas, A. Petiet en G.J.T. Kooiman, leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van B.E.M.A. Jong-Miltenburg, secretaris, en uitgesproken door N.B. Verkleij op 7 oktober 2020 in aanwezigheid van de secretaris.