Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRAMS:2020:47 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2019/393

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2020:47
Datum uitspraak: 30-03-2020
Datum publicatie: 30-03-2020
Zaaknummer(s): 2019/393
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Gegrond, (voorwaardelijke) schorsing inschrijving register
Inhoudsindicatie: Klaagster - pleegmoeder van een jong minderjarig kind - verwijt de GZ-psycholoog dat zij op basis van uiterst summier en onzorgvuldig verricht onderzoek - bestaande uit één enkel gesprek met de moeder en één observatie van moeder en kind - een verstrekkende conclusie heeft getrokken aangaande het opvoedperspectief. Verweerster heeft nagelaten te informeren naar de ontwikkelingen, achterstand en zorgen rondom het kind. Volgens klaagster zou het belang van het kind centraal moeten staan en zou de omgeving van het kind moeten worden betrokken in het onderzoek, zoals onder meer het horen van de pleegouders bij wie het kind sinds zijn geboorte woont. Het rapport van verweerster voldoet niet aan de vijf door het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg geformuleerde criteria. Verweerster heeft verweer gevoerd. Gegrond schorsing

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

Beslissing naar aanleiding van de op 16 oktober 2019 binnengekomen klacht van:

A en B

wonende te C,

k l a g e r s,

gemachtigde: mr. M. Kramer,  advocaat te Amsterdam,

tegen

D ,

GZ-psycholoog,

destijds werkzaam te E,

v e r w e e r s t e r.

1.         De procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-                      het klaagschrift met de bijlagen;

-                      het verweerschrift;

-                      de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;

-                      het proces-verbaal van het op 13 januari 2020 gehouden vooronderzoek met bijlagen;

-                      de op 24 januari 2020 ontvangen nadere stukken van de gemachtigde van klagers. 

De klacht is op de openbare zitting van 25 februari 2020 behandeld. Partijen waren aanwezig. Klagers werden bijgestaan door mr. Kramer voornoemd. Mr. Kramer heeft een toelichting gegeven aan de hand van een pleitnota die aan het college en de wederpartij is overgelegd. Verweerster heeft eveneens het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota die zij aan het college heeft overgelegd.

2.         De feiten

2.1       Verweerster is van 2007 tot en met 31 december 2017 werkzaam geweest voor de F (F) als zzp-er. Zij is sinds 17 januari 2020 niet langer BIG-geregistreerd.

2.2       G, geboren augustus 2015, is door de kinderrechter met ingang van 30 juli 2015 onder toezicht gesteld. Tevens is per die datum een machtiging uithuisplaatsing verleend, aanvankelijk tot 30 juli 2017.  

2.3       Klagers zijn de pleegouders van G sinds zijn geboorte. Zijn moeder verblijft in een opvangtehuis.  

2.4       Bij beschikking van 21 juli 2017 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van G verlengd tot 30 juli 2018. Tevens heeft hij de machtiging uithuisplaatsing in het pleeggezin verlengd tot 30 oktober 2017, onder aanhouding van het overige deel van het verzoek.

In die beschikking heeft de kinderrechter onder meer het volgende overwogen:

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is naar voren gekomen dat moeder in de afgelopen periode een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Zij heeft hard aan zichzelf gewerkt met het doel om zelf voor G te kunnen zorgen.

Met moeder en de vertegenwoordigster van F is ter zitting besproken dat onderzocht dient te worden  in hoeverre moeder op emotioneel vlak kan aansluiten bij de behoeften van G. Daarbij dient tevens onderzocht te worden of moeder over de pedagogische vaardigheden beschikt om G met zijn specifieke problematiek, de structuur en stabiliteit te kunnen geven die hij nodig heeft om zich te kunnen ontwikkelen.

[…]

Het overige deel van het verzoek tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling zal worden behandeld ter zitting van 16 oktober 2017, om 13:30 uur. Voor die tijd dient de F het onderzoek naar moeder te hebben afgerond. […].

2.5       Op 15 september 2017 heeft verweerster op verzoek van F verslag uitgebracht van een door haar uitgevoerd onderzoek. Voor dit onderzoek heeft verweerster beschikt over het plan van aanpak van F en de beschikking van de kinderrechter. Dit onderzoek bestaat voorts uit het observeren van G en zijn moeder in drie situaties, spelen, fruithapje en wandelen en een gesprek met moeder.

2.6       Als onderzoeksvraag heeft zij in haar verslag vermeld:

G wordt augustus 2 jaar en woont vanaf zijn geboorte bij een pleeggezin. Moeder, die in H in een opvanghuis voor vrouwen woont, wil graag dat G weer bij haar komt wonen of dat haar rol als moeder op afstand duidelijker is en zij meer kan betekenen voor hem dan alleen een omgangsregeling van eens in de maand gedurende twee uurtjes bij pleegmoeder thuis.

Onderzoek en advies m.b.t. de vragen moeder en F (lees: F)

Wat kan gezegd worden over haar vaardigheden om G op te voeden en met hem om te gaan?

Als advies heeft zij vermeld:

Geadviseerd wordt de omgangsregeling uit te breiden zoals voorgesteld in de Beschikking van de rechtbank, met het perspectief dat G op termijn bij moeder thuis komt wonen. Daarbij is van belang om het proces te volgen en te evalueren of het gaat zoals gewenst, dus in het belang van G.

Op grond van het onderzoek zijn er de volgende aandachtspunten in de opvoedingsondersteuning:

Moeder’s taalgebruik naar G. Eén vraag stellen, en geen waarom-vragen. Hij is pas twee jaar, en G loopt achter in zijn taalontwikkeling, zowel in zijn taalgebruik als in het begrijpen van taal. Het is belangrijk dat moeder haar taalgebruik leert afstemmen op G. Dit geldt ook voor zijn spel. Met hem leren spelen op het niveau van een peutertje. Zowel opvoedingshulp thuis alsook ondersteuning via I is aangewezen.

2.7       Bij e-mail van 11 oktober 2017 hebben klagers op dit verslag gereageerd en daarin (onder meer) het volgende opgemerkt:

(…) Wij zijn dan ook te allen tijde bereid mee te werken aan een terug naar huis plaatsing, mits dit een zorgvuldig proces is en het belang van een kind voorop staat.

Wat we enorm jammer vinden is dat in dit onderzoek niet alle betrokkenen (pleegzorg, het I waar G naar toe gaat en wij als pleegouders) zijn meegenomen in uw onderzoek. G is 1 uurtje bij u gezien en zonder verder alle betrokkenen te benaderen. Hierdoor is het onderzoek ons inzien onvolledig en heeft verstrekkende gevolgen.

G gaat naar het I en om u een indruk te geven om wat voor mannetje het gaat hebben we een schrijven van het I bijgevoegd.

G zal op 14 november onderzocht worden bij J ivm vermoeden van een Cerebrale Visusstoornis. (…)

2.8       Verweerster heeft daarop bij e-mail van 12 oktober 2017 als volgt geantwoord:

(…)

Mij is door F gevraagd om een interactieonderzoek te doen gericht op de opvoedingsvaardigheden van moeder, en geen onderzoek van G.

Dat jullie opkomen voor het belang van G is vanzelfsprekend. Ook ik doe dit en ook de F. Moeder heeft ook belangen, maar het belang van G staat voorop.

De rechter weegt mijn advies en jullie mening en die van de F. En er zijn advocaten hoorde ik die meedenken.

Wat uiteindelijk het beste is voor F bepaalt de rechter (…).

2.9       De rechtbank heeft bij beschikking van 24 juli 2019 (onder andere) een verzoek tot beëindiging van het gezag van moeder afgewezen, de ondertoezichtstelling verlengd tot 29 juli 2020 en de machtiging uithuisplaatsing verlengd tot 29 januari 2020, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.

2.10     Bij beschikking van 28 januari 2020 heeft het gerechtshof K de beschikking van de rechtbank vernietigd en (onder meer) het gezag van moeder over G beëindigd en de F tot voogd benoemd.

3.         De klacht en het standpunt van klagers

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster een advies heeft uitgebracht

(i) zonder notie te nemen van de context (zonder raadpleging van achtergrondinformatie, zonder gesprek met de pleegouders en onder observatie thuis of bij het I);

(ii) terwijl zij zich niet aan de vraagstelling heeft gehouden, danwel de vraagstelling eigenhandig heeft uitgebreid;

(iii) zonder feiten en meningen behoorlijk te scheiden;

(iv) zonder een enkel voorbehoud te maken bij haar advies.

Inmiddels heeft een beoordelingsonderzoek plaatsgevonden door L, waarbij tevens het onderzoek door verweerster is beoordeeld. L concludeert dat de opvoedingsvaardigheden die nodig zijn om een kind als G op te voeden, niet te bepalen zijn aan de hand van de pogingen tot spel, het geven van een fruithapje en een wandeling.

Volgens klagers voldoet het rapport evenmin aan de criteria die het CTG heeft geformuleerd.

4.         Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden.

Desgevraagd heeft zij verklaard dat de F haar aanvankelijk had verzocht de in de beschikking van 21 juli 2017 genoemde onderzoeksvraag volledig te beantwoorden. Zij zegt dat zij daarop heeft geantwoord dat zij het onderzoek naar moeder niet wilde doen omdat dit niet tot haar deskundigheid behoorde en dat dit door een psycholoog gedaan moest worden die ervaren is in onderzoek van volwassenen. Zij heeft laten weten wel een interactieonderzoek te kunnen doen met betrekking tot de opvoedingsvaardigheden van moeder. Volgens verweerster ging de F daarmee akkoord en is in overleg de onderzoeksvraag geformuleerd.

In de visie van verweerster is haar onderzoek dan ook slechts een onderdeel van het door de kinderrechter opgedragen onderzoek. Zij is ervan uitgegaan dat er nog een onderzoek naar moeder zou plaatsvinden en dat informatie van het I en de pleegouders zou worden ingewonnen.

Verweerster verklaart dat zij gaandeweg een eigen onderzoeksmethode heeft ontwikkeld, die is ontstaan door de onderzoeksvragen van F gericht op de opvoedingsvaardigheden van ouders, waarvoor interactieonderzoek nodig was. Het is een ‘practice based’ methode. Zij heeft vaker dergelijke onderzoeken in opdracht van F uitgevoerd en heeft daarop nooit negatieve terugkoppeling ontvangen. Bij haar interactieonderzoek vraagt zij vooraf informatie die relevant is voor de onderzoeksvraag, gericht op de opvoedingsvaardigheden van de ouders. In de onderzoeken voor F heeft zij altijd voldoende gehad aan het plan van aanpak. In het onderhavige geval beschikte zij ook over de beschikking van de rechtbank.

Verweerster is van mening dat deze moeder, die het grote verlangen heeft om haar kind dat na de geboorte in een pleeggezin is geplaatst zelf te kunnen opvoeden, en die open staat voor opvoedingsondersteuning een kans moest krijgen. Moeder een kans geven door de omgangsregeling uit te breiden met het perspectief van wonen bij haar, zou haar optimaal motiveren om zich te ontwikkelen in de gewenste richting. Voorts was zij van mening dat het de verantwoordelijkheid was van alle betrokken hulpverleners om de ontwikkeling van G te volgen. Dan zou gaandeweg duidelijk worden of moeder in staat zou zijn G zelf op te voeden of niet. Uit het rapport van L leidt zij af dat de ontwikkeling van G is gevolgd en geëvalueerd en dat het niet zo is gelopen als gewenst. 

Tijdens het vooronderzoek zegt verweerster dat zij inmiddels van mening is dat haar advies te summier en te vaag is geweest. Het is niet begrepen zoals het was bedoeld.

5.         De beoordeling

5.1.      Ontv ankelijkheid klagers

Om als rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 65, lid 1 sub a, van de Wet BIG te worden aangemerkt, dient sprake te zijn van een rechtstreeks bij het onderzoek – zoals in het onderhavige geval door verweerster is verricht – betrokken belang. Het belang van klagers is rechtstreeks betrokken omdat zij als pleegouders mede het belang van hun pleegkind vertegenwoordigden en het onderzoek – dat plaats­vond in het kader van een beslissing over de uithuisplaatsing – mede is ingegeven met het oog op dit belang. Klagers zijn dan ook rechtstreeks belanghebbenden in de zin van artikel 65, lid 1 sub a, van de Wet BIG en daarom ontvankelijk in de klacht [1] .

5.2.      Inhoudelijke beoordeling

Ter toetsing staat of verweerster bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klager klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep terzake als norm was aanvaard. Bij de tuchtrechtelijke beoordeling van beroepsmatig handelen gaat het niet om de vraag of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de aangeklaagde beroepsbeoefenaar binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in zijn beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard.

5.3.      Het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) heeft de Beroepscode voor Psychologen opgesteld en ook de Algemene Standaard Testgebruik AST-NIP 2017. In de Beroepscode staan de richtlijnen en gedragsregels die aan het beroepsmatig handelen van een psycholoog worden gesteld. De AST-NIP 2017 is een uitwerking en verbijzondering van de Beroepscode en bevat richtlijnen en informatie om te komen tot een verantwoorde testkeuze en het juist gebruik van psychodiagnostische instrumenten in het kader van de psychodiagnostiek en/of psychologische interventies. De minimale kwaliteitseisen waaraan rapportages dienen te voldoen komen grotendeels overeen met de eisen die volgens vaste jurisprudentie van verenigingstuchtrechtelijke instanties en tuchtcolleges voor de gezondheidszorg op grond van marginale toetsing aan rapportages worden gesteld.

5.4.      Het Centraal Tuchtcollege heeft in dat verband de volgende criteria geformuleerd:

1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;

2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;

3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;

4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;

5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.

Het college toetst ten volle of het onderzoek door de deskundige uit het oogpunt van

vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of de deskundige in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.

5.5.      Het college is van oordeel dat het onderzoeksrapport van verweerster niet aan bovengenoemde minimumvereisten voldoet en overweegt daartoe als volgt.

5.6.      Het rapport vermeldt niet alle feiten, omstandigheden en bevindingen waar het op berust. Evenmin vermeldt het de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen.

Gebleken is dat de onderzoeksvraag, zoals door verweerster in het rapport weergegeven, tot stand gekomen is in overleg met de jeugdzorgwerker van F naar aanleiding van een schriftelijk verzoek vergezeld van de beschikking van de rechtbank en het plan van aanpak. Dit schriftelijke verzoek is niet in het rapport vermeld, evenmin als een weergave van het overleg dat daarop heeft plaatsgevonden. Dat geldt ook voor de mededeling van verweerster aan F dat voor het resterend deel van het door de rechtbank gewenste onderzoek een andere deskundige benaderd zou moeten worden. Dat de onderzoeksvraag in de visie van verweerster slechts een onderdeel van dat onderzoek bestreek, volgt dan ook niet uit het rapport.

Ook een telefoongesprek met de pleegmoeder is niet in het rapport vermeld, evenmin als de indruk die dat telefoongesprek bij verweerster had achtergelaten, namelijk dat er bij de pleegouders een zeker wantrouwen bestond, terwijl die indruk blijkbaar wel een rol heeft gespeeld bij het verdere onderzoek. Immers, uit de verklaring van verweerster bij gelegenheid van het vooronderzoek blijkt dat verweerster ervan uitging dat pleegouders er ‘natuurlijk’ op hoopten dat zij moeder ongeschikt zou verklaren.

Voorts is in het rapport weliswaar vermeld dat zij aan beschikbare gegevens het plan van aanpak en de beschikking van de rechtbank had, maar nergens wordt concreet vermeld welke informatie uit die documenten door verweerster bij haar onderzoek is betrokken, op welke wijze en hoe zij die informatie heeft gewogen ten opzichte van de overige bevindingen. Van enige literatuurvermelding is geen sprake.

Ook is het college met klagers van oordeel dat het rapport niet telkens op heldere wijze onderscheid maakt tussen feiten en meningen, bijvoorbeeld daar waar zij de verwerking door moeder van trauma’s in het verleden en het steunend netwerk benoemt. Deze omstandigheden worden als feit gepresenteerd, maar niet gebleken is dat die vaststelling is gebaseerd op andere informatie dan de mededelingen van moeder.

5.7.      Het rapport geeft voorts geen blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden. Verweerster heeft ter zitting toegelicht dat de onderzoeksvraag die zij in haar rapport heeft vermeld, betrekking heeft op het tweede gedeelte van de door de rechtbank weergegeven onderzoeksvragen, te weten: “Daarbij dient tevens onderzocht te worden of moeder over de pedagogische vaardigheden beschikt om G met zijn specifieke problematiek, de structuur en stabiliteit te kunnen geven die hij nodig heeft om te kunnen ontwikkelen.” Het rapport maakt echter niet inzichtelijk op welke wijze zij die onderzoeksvraag operationeel heeft gemaakt naar de door haar gehanteerde onderzoeksmethode. Hoewel zij onderkent dat bij de beantwoording van de vraag naar de opvoedingsvaardigheden van moeder, zowel de eigen bagage van moeder, als de bijzondere behoeften van G factoren van belang zijn, blijkt niet dat en hoe die factoren bij haar onderzoek betrokken zijn. Integendeel, verweerster heeft laten weten dat zij niet deskundig is op het gebied van psychologisch onderzoek bij volwassenen en dat zij geen ervaring heeft met PTSS. Ook heeft zij, behoudens het plan van aanpak, geen informatie ingewonnen over de vaardigheden die voor de opvoeding van G noodzakelijk zijn. Verder blijkt niet dat en hoe zij zich een beeld heeft gevormd van het steunend netwerk van moeder.

Onduidelijk is op welke wijze zij dan tot conclusies kon komen over de vaardigheden van de moeder ten aanzien van de opvoeding van G met zijn specifieke problematiek. Niet duidelijk wordt hoe haar onderzoeksmethode de vraag naar de mogelijkheden tot het bieden van structuur en stabiliteit kan beantwoorden. Dit element komt ook niet kenbaar terug in de rapportage.

Over haar onderzoek heeft zij aangevoerd dat zij gaandeweg haar eigen methode heeft ontwikkeld, gericht op de opvoedingsvaardigheden van ouders, waarvoor interactie nodig was. Dit is een practice-based methode. Desgevraagd heeft zij daarover verklaard dat deze methode gebaseerd is op haar eigen kennis en ervaring maar dat er geen effectiviteitscontrole heeft plaatsgevonden. Zij heeft de methode diverse keren gebruikt ten behoeve van onderzoeken voor F en heeft daarop nooit terugkoppeling gekregen. Wel heeft F een aantal maal opnieuw om dit interactieonderzoek gevraagd, waaruit zij opmaakte dat de methode werkte. Dit is naar het oordeel van het college volstrekt onvoldoende om de effectiviteit van een gehanteerde methode te kunnen beoordelen. 

Het college oordeelt dat aldus niet is gebleken van een geschikte methode om de onderzoeksvragen te beantwoorden.

5.8.      In het rapport wordt evenmin op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen.  

Uit het rapport kan niet worden afgeleid hoe verweerster de door haar gebruikte bronnen (zoals bijvoorbeeld de kennis uit het plan van aanpak en eventuele literatuur) heeft verwerkt in haar onderzoek. Weliswaar heeft zij achteraf gewezen op literatuur die betrekking had op observaties, maar niet blijkt of, en op welke manier zij deze literatuur heeft toegepast bij haar onderzoek en op welke wijze die literatuur richting heeft gegeven aan het onderzoek. Evenmin blijkt op welke wijze zij de bevindingen van haar interactieobservatie heeft gewogen in het licht van de overige haar bekende informatie.

Een goed rapport geeft op inzichtelijke wijze weer welke stappen de onderzoeker heeft genomen en op welke wijze de bevindingen zijn verwerkt en gewogen, en op welke manier aldus tot de getrokken conclusies is gekomen. Deze stappen ontbreken in het rapport. Dit maakt het onderzoek niet reproduceerbaar.

5.9       Tot slot constateert het college dat verweerster, ondanks de door haar zelf benadrukte beperkte omvang van het onderzoek, in het rapport conclusies trekt die de reikwijdte van het onderzoek en haar eigen deskundigheid te buiten gaan. Zo concludeert zij dat moeder overkomt als voldoende vaardig wat betreft het omgaan met eigen emoties en dat zij de trauma’s in de relatie met haar vader een plek heeft gegeven. Volgens haar eigen mededelingen had haar onderzoek echter geen betrekking op psychologisch onderzoek van moeder, omdat verweerster niet deskundig is op het gebied van volwassenen. Verder heeft zij ter zitting verklaard dat zij geen ervaring heeft met PTSS. Zij had zich dan ook moeten onthouden van conclusies over de emotionele vaardigheden van moeder en de stand van zaken betreffende haar PTSS.

Voorts wordt door verweerster geadviseerd de omgangsregeling uit te breiden met het perspectief dat G op termijn bij moeder thuis komt te wonen. Weliswaar heeft verweerster in de tuchtprocedure verklaard dat zij bij haar advies ervan uitging dat er, voor de beslissing over het perspectief voor G, nog nader onderzoek zou plaatsvinden naar de psychische gesteldheid van moeder en dat er informatie zou worden ingewonnen bij het I en bij de pleegouders, maar daarvan maakt zij in het rapport geen melding en evenmin verbindt zij aan haar advies een voorbehoud dat daarmee samenhangt. Ook wordt geen melding gemaakt van het feit dat verweerster, naar eigen zeggen, van mening was dat er een evaluatie moest plaatsvinden na een jaar en dat er een leertraject voor moeder moest worden opgezet met videotraining.

5.10.  Het college concludeert dat het rapport aan geen van bovengenoemde criteria voldoet. Het beroepsmatig handelen van verweerster is dan ook niet gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend hetgeen ten tijde van haar onderzoek in de beroepsgroep terzake als norm was aanvaard.

De conclusie van het voorgaande is dat de klacht in al haar onderdelen gegrond is. Verweerster heeft gehandeld in strijd met de zorg die zij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens klagers had behoren te betrachten.

5.11.    Ter zitting heeft verweerster toegegeven dat zij bovengenoemde kwaliteitseisen niet kende. Ook nadat zij bekend was geworden met deze kwaliteitseisen heeft zij evenwel geen blijk ervan gegeven in te zien wat het belang van die kwaliteitseisen is en evenmin dat haar onderzoek en rapport in het licht daarvan ruim onder de maat waren. Zij heeft, ook tijdens de behandeling ter zitting, in dit opzicht geen tekenen van zelfreflectie getoond. Het college vindt dit bijzonder zorgelijk omdat bij het opstellen van dit soort rapportages de belangen van zeer kwetsbare kinderen in het geding zijn.

Het college is dan ook van oordeel dat een voorwaardelijke schorsing een passende maatregel is, waarbij als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat verweerster een bijscholingstraject volgt, dat specifiek is gericht op het opstellen van onderzoeksrapportages. Ook zal zij een intervisietraject of leertherapie dienen te volgen die is gericht op zelfreflectie.

5.12.    Het is het college bekend dat verweerster naar eigen zeggen haar praktijk heeft neergelegd en met pensioen is gegaan. Ook heeft zij zich inmiddels laten uitschrijven uit het BIG-register. Dat weerhoudt het college evenwel niet van het opleggen van na te melden maatregel. Voor het geval verweerster zich opnieuw zou laten inschrijven in het BIG-register zal de proeftijd op dat moment van kracht worden.

6. De beslissing

Het college:

-          verklaart de klacht gegrond;

-          schorst de bevoegdheid van verweerster om de aan de inschrijving in het register verbonden bevoegdheden uit te oefenen voor de duur van een half jaar;

-          beveelt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het college later anders mocht bepalen, op grond dat verweerster voor het einde van een proeftijd van twee jaren:

a) zich heeft schuldig gemaakt aan enig handelen of nalaten in strijd met de goede zorg die zij als GZ-psycholoog behoort te betrachten, of in strijd is met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt;

b) zich niet heeft gehouden aan de navolgende bijzondere voorwaarden:

- verweerster zal gedurende de proeftijd van twee jaren een nascholingstraject volgen gericht op het opstellen van onderzoeksrapportages;

- verweerster zal gedurende de proeftijd van twee jaren een intervisie- of leertherapie volgen, gericht op zelfreflectie; een en ander om herhaling te voorkomen en zolang de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd dit nodig acht;

- bepaalt dat de proeftijd ingaat op het moment dat verweerster weer is ingeschreven in het register en geldt gedurende de periode dat zij daarin is ingeschreven.

Aldus beslist door:

J.F. Aalders, voorzitter,

Th.A.M. Deenen, W.C.B. Hoenink, en T.A.W. van der Schoot, leden-beroepsgenoten,

S. Colsen, lid-jurist,

bijgestaan door H.D. Coumou secretaris,

en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2020 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.

WG                                                                                                     WG

secretaris                                                                                           voorzitter


[1] Zie CTG 14 mei 2013, ECLI:NL:TGZCTG:YG2935