ECLI:NL:TGZRAMS:2020:159 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2020/047
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2020:159 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-12-2020 |
| Datum publicatie: | 22-12-2020 |
| Zaaknummer(s): | 2020/047 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster verwijt verweerder onder meer dat hij ondanks toezegging haar niet als patiënt heeft teruggenomen na de sluiting van het Slotervaartziekenhuis waardoor zij geen goede behandeling heeft gekregen en dat hij haar 'chanteert' om voor een operatie te kiezen omdat hij anders weigert haar te behandelen. Verweerder voert verweer. Ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing naar aanleiding van de op 19 februari 2020 binnengekomen klacht van:
A ,
wonende te B,
k l a a g s t e r,
gemachtigde: C,
tegen
D,
longarts,
werkzaam te E,
v e r w e e r d e r,
gemachtigde: mr. A.C. de Die, advocaat te Amsterdam.
1. De procedure
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift;
- het verweerschrift;
- correspondentie met betrekking tot het mondelinge vooronderzoek;
- de repliek;
- de dupliek.
De klacht is de openbare zitting van 17 november 2020 behandeld.
Klaagster en haar gemachtigde waren afwezig zonder bericht van verhindering. Verweerder was aanwezig en werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde voornoemd. Mr. De Die heeft een toelichting gegeven aan de hand van een pleitnotitie die aan het college is overgelegd.
2. De feiten
2.1 Klaagster is bekend met zeldzaam en complex longlijden. Klaagster heeft een chronische bronchopleurale fistel links en een infectieus probleem: kolonisatie (dragerschap) van Serratia marcescens en Stenotrophomonas, beide multiresistent. Klaagster werd tot oktober 2018 ambulant periodiek thoracaal gespoeld via een verblijfskatheter in het F te E. Ook lijdt klaagster aan actieve erosieve, invaliderende reumatoïde arthritis.
2.2 Verweerder was vanaf oktober 2016 tot december 2018 werkzaam in het F. In deze periode was verweerder de behandelaar van klaagster.
2.3 Op 12 oktober 2018 is klaagster overgeplaatst van het F naar het G in E voor embolisatie vanwege hemoptoë. Doordat de pathologische bronchiaalarterie niet met voldoende selectie kon worden aangehaakt is de embolisatie gestaakt.
2.4 Op 15 oktober 2018 zou er een nieuwe poging tot embolisatie plaatsvinden, maar deze is niet doorgegaan. Klaagster weigerde van kamer te veranderen en heeft zich tegen medisch advies in laten terugplaatsen naar het F
2.5 Op 7 februari 2018 heeft klaagster een embolisatie ondergaan in het E H, locatie H. In het E H is er een discussie ontstaan tussen het behandelteam en klaagster over de vervolgbehandeling. Hierover staat, zover van belang, het volgende genoteerd in het medisch dossier:
“(…) Het advies is om patiente op te nemen voor intraveneus behandeling met meropenem, echter patiente geeft aan dat ze dat niet wil uit angst voor resistentie vorming voor meropenem. Daar het spoelen een half jaar niet heeft plaats gevonden is het huidige voorstel om dit weer op te pakken.
Helaas is een poging dit op te starten op de dagbehandeling om logistieke redenen niet gelukt. Er werd een klinische opnemen geregel om een start te maken met thorax spoelingen. Echter, patiente gaf aan enkel te willen spoelen op de behandelkamer en tevens was zij niet tevreden over het spoelen met NaCL. Zij heeft onverrichter zake het ziekenhuis weer verlaten. Daar patiente enkel in de behandelkamer geholpen wil worden met spoelen.
Patiente wenst da wij elke 2 weken een plek op de behandelkamer reserveren gedurende 2 uur (dit geeft zij zelf aan dat dat de tijd is die zij nodig heeft) om een thoraxspoeling te verrichten. Helaas kunnen wij dit niet faciliteren voor een behandeling die ook op de afdeling gegeven kan worden. Patient wil derhalve een second opinion in het G. Mede omdat haar eerder behandeld arts uit het e, [naam behandelaar], inmiddels in het G werkzaam is.”
Ook is toen de mogelijkheden besproken van een thoracostomie. Klaagster zag een dergelijke ingreep, ondanks de risico’s en mogelijke complicaties van een chronisch empyeem, zoals infecties en hypertrofie bronchiaal arteriën met kans op massale hempotoë, niet zitten. Vervolgens is klaagster voor een second opinion verwezen naar het G.
2.6 Op 2 augustus 2018 zag het hoofd van de afdeling longziekten van het G klaagster op de polikliniek. Tijdens dit consult gaf klaagster aan dat ze zich niet kon vinden in de (vervolg)behandeladviezen van het behandelteam in het E H. Zij wilde graag weer onder behandeling komen van verweerder. Het hoofd van de afdeling heeft vervolgens voor klaagster een afspraak gemaakt met verweerder.
2.7 Op 12 september 2019 zag verweerder klaagster op de polikliniek. Klaagsters wensen waren: een plek om te spoelen, voorschrijven van medicatie en beeldvormend onderzoek. Verweerder heeft met klaagster afgesproken om haar casus te bespreken in het aan multidisciplinair overleg (MDO) en de behandelmogelijkheden van klaagster te bespreken met het hoofd van de afdeling.
2.8 Van 21 november 2019 tot 17 december 2017 is klaagster opgenomen geweest in het E H in verband met hemoptoë. Daarnaast werd een hydropneumothorax op basis van empyeem rechts vastgesteld. Klaagster werd geadviseerd om de thoraxdrain rechts te laten verwijderen, maar omdat klaagster dit niet wilde is dit niet gebeurd. Op verzoek van klaagster is ze voor verdere poliklinische controle verwezen naar het G.
2.9 Op 15 januari 2020 is klaagster in het multidisciplinair overleg besproken. In het medisch dossier staat hierover:
“Status na empyeem links wv IPC drain en spoeling gecompliceerd door bronchopleurale fistel. Hemoptoe bij pathologische bronchiaalarterieen wv 2x colling: persisterend enig hemoptoe. Recent empyeem rechts Multiresistente bacteriele flora beiderzijds. Wens patiente beiderzijds pleurale spoelingen links met NACL en antibiotica
MDO advies: verwijderen IPC drain en aanbrengen thoracostomie gezien bronchopleurale fistel: geen indicatie pleurale spoelingen”
2.10 Na het MDO heeft verweerder de casus van klaagster besproken met een cardiothoracaal chirurg uit het G. Hij onderschreef het advies van het MDO.
2.11 Op 6 februari 2020 heeft verweerder het behandeladvies met klaagster besproken en toegelicht. Verweerder heeft aangegeven wat hij haar aan behandeling kon bieden – thoracotomie – en welke behandelingen niet mogelijk waren – spoelen, medicatie voorschrijven en beeldvormend onderzoek verrichten. Daarop gaf klaagster aan dat zij het dossier wilde sluiten in het G. In het medisch dossier staat hierover:
“Behandelmogelijkheid in MDO en na overleg CTC besproken: wenst deze niet (schort keuze op). Geeft aan dat ze haar in het G niet meer willen zien (staat zo niet gedocumenteerd in brief G) Wil een longarts voor foto’s en medicatie voorschrijven, waaronder Cotrimoxazol ampullen voor in borsthole spoelen. Zegt dat ze dat de afgelopen tijd zelf gespoeld heeft nadat ik aangehaald had dat ze sedert einde E tijdperk niet meer gespoeld heeft. Ik heb aangegeven wat de mogelijkheden zijn en wat niet mogelijk is (spoelen, ampullen voorschrijven). Reactie: wenst dossier wordt afgesloten (…)”
3. De klacht en het standpunt van klaagster
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder:
1. klaagster heeft gechanteerd in de vorm van: geen operatie, geen behandeling;
2. heeft geweigerd klaagster te behandelen: een ernstige patiënt zonder behandeling en/of medicatie naar huis sturen;
3. misbruik heeft gemaakt van vertrouwen door klaagster iets voor te spiegelen waarvan al lang en breed bekend is dat dit niet tot de mogelijkheden zou behoren.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1. Het college zal de klachtonderdelen, die het verwijt behelzen dat verweerder klaagster ten onrechte heeft geweigerd te behandelen volgens haar wensen, gezamenlijk behandelen. Het college is van oordeel dat de klacht ongegrond is en overweegt daartoe als volgt.
5.2. Het betreft hier een patiënt met een complex en zeldzaam ziektebeeld waarvoor richtlijnen of standaarden ontbreken. Dit heeft tot gevolg dat verweerder op grond van de beschikbare kennis, in overleg met collega’s en naar beste inzicht tot een behandeladvies moest komen. Uit het dossier en uit hetgeen ter zitting is besproken is het college gebleken dat verweerder zorgvuldig heeft onderzocht en gedocumenteerd welke behandelmogelijkheden er waren in het G en wat niet mogelijk was.
5.3. Het college is op basis van de stukken en hetgeen ter terechtzitting is besproken van oordeel dat verweerder op begrijpelijke gronden heeft gesteld dat de medische indicatie voor de door klaagster gewenste behandelingen: het spoelen met antibiotica en beeldvormende onderzoeken, ontbrak. Voor het pleurale spoelen bestond zelfs een contra-indicatie in verband met het risico op infecties en het bloed dat zij ophoestte. In de spoeling zit namelijk een bloedverdunner die het risico op een massale hemoptoë vergroot. Evenals verweerder is het college van oordeel dat een arts zich bij medische beleidskeuzes niet moet laten leiden door de wensen van de patiënt, die medisch gezien buiten de professionele grenzen liggen. Artsen hebben primair een eigen professionele verantwoordelijkheid. Zij dienen te allen tijde te toetsen of hetgeen hun wordt gevraagd, past binnen hetgeen gezien wordt als een redelijke bekwame beroepsuitoefening. Het college is van oordeel dat de wensen van klaagster niet realistisch waren. Indien verweerder volgens de wensen van klaagster zou hebben gehandeld, zou hij voorbij zijn gegaan aan zijn eigen verantwoordelijkheid als longarts.
5.4. De enige geïndiceerde behandeling die verweerder haar kon bieden was een thoracostomie. Deze behandeling wilde klaagster niet en was voor klaagster reden om verweerder te vragen om het dossier te sluiten, zie hiervoor onder 2.10. Omdat klaagster door het E H naar het G was verwezen voor een tweede mening, en klaagster in december nog was opgenomen in het E H, verkeerde verweerder in de veronderstelling dat het E H de behandeling van klaagster zou voortzetten. Het was beter geweest als verweerder hierover, en over de resultaten van de second opinion, direct contact had opgenomen met het E H, maar dit valt hem niet tuchtrechtelijk te verwijten.
6. De beslissing
Het college verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door:
E.A. Messer, voorzitter,
J.J.C.M. Rooijmans-Rietjens, B.E.E.M. van den Borne en C.M.F. Kruijtzer, leden-arts,
R.E. van Hellemondt, lid-jurist,
bijgestaan door A. Kerstens, secretaris,
en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2020 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.
WG secretaris WG voorzitter