ECLI:NL:TGZRAMS:2020:158 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2020/112
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2020:158 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-12-2020 |
| Datum publicatie: | 16-12-2020 |
| Zaaknummer(s): | 2020/112 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster verwijt verweerder dat hij tekortgeschoten is in zijn informatieplicht betreffende de bij haar verrichte liposuctie, nu zij lipoedeem heeft. Ook had verweerder volgens haar eerst andere behandelopties moeten voorstellen en heeft hij de liposuctie niet goed uitgevoerd. Klacht ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing naar aanleiding van de op 6 mei 2020 binnengekomen klacht van:
A,
wonende te B,
k l a a g s t e r,
gemachtigde: mr. S. Soeltan, advocaat te ’s-Gravenhage,
tegen
C,
plastisch chirurg,
(mede) werkzaam te D,
v e r w e e r d e r,
gemachtigde: mr. E.E. Rippen, verbonden aan VvAA Rechtsbijstand te Utrecht,
1. De procedure
1.1. Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- een aanvullend stuk van klaagster, ingekomen op 9 juni 2020;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de correspondentie betreffende het vooronderzoek;
- de repliek met de bijlagen;
- de brief, ingekomen op 9 september 2020, waarbij de gemachtigde van verweer-der afziet van het nemen van een dupliek.
1.2. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.
1.3. De klacht is in raadkamer behandeld.
2. De feiten
Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:
2.1. Klaagster, geboren in 1997, heeft zich tot E te D gewend, omdat zij last had van vetophopingen op beide benen.
2.2. Verweerder is sinds 2010 werkzaam als plastisch chirurg. Hij werkt één dag per week in de E te D en voor het overige in een ziekenhuis.
2.3. Op 11 mei 2018 heeft klaagster haar eerste consult gehad bij verweerder. Tijdens dat gesprek is aan klaagster uitgelegd dat zij kan kiezen voor een tumescente (dat wil zeggen: met inspuiting van vloeistof en niet droog) liposuctie-operatie. In het medisch dossier staat over dit consult onder meer:
“(…) Onderzoek: Wat forse bovenbenen, deels lipoedeem. Vetoverschot bilplooi, bui-tenzijde en binnenzije bovenbenen en knieën. (…)”
Na het consult zijn foto’s gemaakt en heeft klaagster de behandelovereenkomst onderte-kend.
2.4. Op 18 mei 2018 heeft tumescente liposuctie plaatsgevonden van de bilplooi, bui-tenzijde en binnenzijde bovenbenen en knieën, een en ander onder volledige narcose. Klaagster mocht diezelfde dag de kliniek verlaten.
2.5. Op 1 juni 2018 had klaagster een controle-afspraak bij de E. Haar hechtingen zijn verwijderd door een verpleegkundige. Klaagster heeft toen gewezen op plooien die waren ontstaan na de operatie en heeft de verpleegkundige gevraagd of deze nog zouden weg-trekken. Dit was volgens de verpleegkundige het geval. De zwelling moest nog (verder) wegtrekken.
2.6. Op 31 augustus 2018 heeft de laatste controle-afspraak plaatsgevonden, waarbij ook foto’s zijn gemaakt. Klaagster heeft daarbij aangegeven niet tevreden te zijn over de bilplooi. Er is een nieuwe liposucie-operatie voorgesteld om de bilplooi gladder te krijgen. Klaagster heeft aangegeven hierover te zullen nadenken.
2.7. Een week later heeft verweerder klaagster gebeld. Zij gaf toen aan nog verdrietig te zijn over het resultaat en te willen nadenken over een eventuele nabehandeling bij verweerder. Verweerder had haar deze uit coulance aangeboden.
2.8. Op 14 september 2018 heeft de moeder van klaagster namens klaagster een klacht ingediend bij de E. Op 21 september 2018 zou nog een nagesprek plaatsvinden in de E, maar dat gesprek heeft nooit plaatsgevonden. Eind 2018 heeft klaagster de E aan-sprakelijk gesteld voor door haar geleden schade. De aansprakelijkheidsverzekeraar van de E heeft de aansprakelijkheid afgewezen.
2.9. Klaagster heeft zich uiteindelijk gewend tot Polikliniek F, waar zij is behandeld door een cosmetisch arts, G. Deze heeft klaagster een tweede behandeling afgeraden. Op 5 februari 2019 heeft klaagster een eerste hersteloperatie gehad. Daarna heeft zij nog vier hersteloperaties ondergaan.
3. De klacht en het standpunt van klaagster
3.1. De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder:
a. tekort is geschoten in zijn informatieplicht ex artikel 7:448 j. art. 7:450 van het Burgerlijk Wetboek (BW) door klaagster niet voor te lichten over de diagnose li-poedeem, wat deze diagnose precies inhoudt en wat de (grote) risico’s zijn van een liposuctie bij deze diagnose. Zij is enkel gewezen op de algemene risico’s. Volgens klaagster had verweerder niet zomaar mogen over gaan tot liposuctie, maar had hij eerst bij klaagster moeten nagaan of zij voor deze aandoening al on-der behandeling was (geweest) van bijvoorbeeld de huisarts, een dermatoloog of een fleboloog. Volgens klaagster heeft zij hierdoor geen weloverwogen beslissing kunnen maken. Klaagster verwijst onder meer naar de Richtlijn Lipoedeem van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereolgie (de NVDV) uit 2013 en de veldnorm Tumescente Liposuctie onder Tumescente Lokale Anesthesie uit 2014 van de NVDV
b. heeft nagelaten klaagster te wijzen op alternatieve behandelmethoden. Bij een diagnose lipoedeem moet eerst conservatief worden behandeld;
c. niet bekwaam genoeg was om bij haar de diagnose lipoedeem te stellen. De dia-gnose ‘deels’ lipoedeem kan niet en klopt ook niet met zijn conclusie dat liposuc-tie moet plaatsvinden aan de gehele beide (boven)benen van klaagster;
d. niet bekwaam genoeg was liposuctie te verrichten bij een patiënt met lipoedeem, nu hij de daartoe benodigde expertise (op het gebied van trainingsleer, graded activity en cognitief gedragsmatige principes met toepassing van de juiste klini-metrie) mist. Volgens de Richtlijn moet lipoedeem eerst conservatief worden be-handeld;
e. liposuctie heeft uitgevoerd in een niet in lipoedeem gespecialiseerd centrum waar sprake is van een goede klinimetrie en een multidisciplinaire samenwerking;
f. de liposuctie heeft uitgevoerd onder alghele narcose, terwijl dit gezien de lipoe-deem had moeten gebeuren onder plaatselijke verdoving, omdat volgens klaag-ster dan de lymfevaten niet kunnen beschadigen. Verweerder heeft klaagster hierover ook niet voorgelicht;
3.2. Klaagster verzoekt – naast gegrondverklaring van haar klacht – tevens een kos-tenvergoeding ex artikel 69 lid 5 van de wet op de Beroepen in de Individuele Gezond-heidszorg (wet BIG).
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1. Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van pro-fessioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het ge-ven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig hande-len is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, reke-ning houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard. In het tuchtrecht is persoonlijke verwijtbaarheid uitgangspunt.
Ad a, b en c: Schending informatieplicht diagnose lipoedeem en behandeling daarvan;
5.2. Het college ziet aanleiding klachtonderdelen a, b en c gezamenlijk te behandelen. Deze klachtonderdelen gaan uit van de aanname dat bij klaagster de diagnose lipoedeem had moeten worden gesteld en dat hierdoor de gebruikelijke uitleg en voorlichting die klaagster wel heeft gehad (dit wordt door klaagster ook niet betwist) over de voorgestel-de behandeling (liposuctie op de bovenbenen en billen) niet meer toereikend was.
5.3. Vooropgesteld wordt dat lipoedeem een beschrijvende diagnose is, die wordt gehanteerd bij een abnormale, disproportionele vetverdeling, waarbij (secundair) een lymfedrainage probleem kan ontstaan. Het is een chronische aandoening. In de literatuur worden criteria gehanteerd om de uiterlijke kenmerken van deze aandoening te om-schrijven, maar - zoals ook in de door klaagster genoemde Richtlijn staat - zijn die criteria niet eenduidig. Bij klaagster waren drie van de 5 ‘A’-kenmerken (pagina 8 klaagschrift) niet aanwezig en tevens zijn de F-kenmerken ook niet genoemd in de anamnese. Als men uitgaat van deze ontbrekende kenmerken, kan de diagnose ‘lipoedeem’ volgens deze Richtlijn bij klaagster niet worden gesteld.
5.4. Dat verweerder heeft opgeschreven dat bij klaagster sprake was van ‘deels lipoe-deem’, moet dan worden gezien in het licht van de hiervoor genoemde beschrijvende functie van de diagnose: lokaal meer disproportionele vetophopingen dan op andere de-len van het het been of het lichaam. Dat verweerder vervolgens concludeert dat liposuc-tie moet plaatsvinden op beide (gehele) bovenbenen is daarmee ook niet in tegenspraak: ook een proportionele laag overtallig vet kan worden behandeld met liposuctie. De wijze van omschrijven getuigt dus niet van onbekwaamheid, noch kan worden gezegd dat een verkeerde diagnose is gesteld.
5.5. Maar of er bij klaagster nu wel of niet moet worden gesproken van lipoedeem, een en ander verandert niet de omstandigheid dat bij klaagster sprake was van ophoping van lokaal subcutaan vet. De conservatieve maatregelen die klaagster beschrijft als ‘alterna-tieve behandeling’ zoals bewegen, afvallen en een drukkous, kunnen daarbij ondersteun-dend zijn en zijn meer in het algemeen als leefstijl aan te bevelen, maar zij verhelpen een dergelijke lokale vetophoping niet. De Richtlijn Lipoedeem waar klaagster naar verwijst, beschrijft de mogelijkheid van een conservatieve behandeling en van een chirurgische behandeling, maar schrijft niet dwingend voor dat eerst een conservatieve behandeling moet zijn gevolgd. Op basis van het niet aanwezig zijn van alle 5 ‘A’ kenmerken bij klaag-ster, bestond er ook geen indicatie voor het eventueel eerst conservatief behandelen van klaagster.
5.6. De risico’s bij het verwijderen van subcutaan vet door middel van tumescente liposuctie (dus met inspuiting van vloeistof), zijn bij abnormale lokale subcutane vetop-hopingen niet anders dan bij het verwijderen van vet door middel van liposuctie in het algemeen. Verweerder heeft dus kunnen volstaan met de algemene voorlichting over de operatie (met name de verwachtingen wat betreft het resultaat) en de risico’s (mogelijke complictaties en littekens) daarvan.
5.7. Gelet op het voorgaande falen de klachtonderdelen a, b en c.
Klachtonderdelen d, e en f: Niet bekwaam om operatie uit te voeren, geen gespecialiseerd centrum en wijze van verdoving
5.8. Naar het oordeel van het college is voorts niet gebleken dat verweerder de opera-tie - het verwijderen van vet middels tumescente liposuctie - niet had mogen uitvoeren. Ook indien er (deels) sprake is van lipoedeem, kan de operatie zo worden uitgevoerd (zie ook pagina 27 Richtlijn: Liposuctie onder STLA en vibrerende cannules is een effectieve behandeling voor lipoedeem) en deze behandeling wordt in de literatuur beschouwd als een veilige operatie voor de lymfevaten. De aanwezigheid van lipoedeem brengt daarbij niet met zich dat alleen een hiertoe ge(sub)specialiseerde arts de liposuctie had mogen uitvoeren. Zoals gezegd gaat het in alle gevallen om het verwijderen van subcutane vet-ophopingen waarbij dezelfde werkwijze wordt gehanteerd en dezelfde risico’s gelden.
5.9. Dat verweerder en de kliniek zich niet mede richten op eventuele (aanvullende) niet invasieve behandelingen, brengt ook niet met zich dat verweerder klaagster had moeten doorverwijzen naar een andere kliniek en operateur voor de uitvoering van de operatie.
5.10. Of het verwijderen van vet middels tumescente liposuctie gebeurt onder lokale verdoving of volledige narcose maakt niet uit. Dit is niet relevant voor het operatieresul-taat. Wel is de behandeling onder algehele anesthesie over het algemeen meer comfor-tabel voor de patiënt. Dit klachtonderdeel faalt eveneens.
5.11. De behandeling is ook lege artis uitgevoerd. De klachtonderdelen d, e en f falen eveneens.
5.12. Het is jammer dat de operatie voor klaagster niet het gewenste resultaat heeft gegeven. Garanties ten aanzien van het te bereiken resultaat kunnen echter niet worden gegeven. Dit is ook aangegeven in de door klaagster ondertekende behandelovereen-komst. Het ongewenste resultaat is niet het gevolg van een onjuiste diagnose, onjuiste operatie indicatie of onjuist uitgevoerde operatie. De conclusie van het voorgaande is dat de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is. Verweerder kan met betrekking tot de klachtonderdelen geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de be-roepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.
5.13. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten van klaagster.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klachtonderdelen kennelijk ongegrond;
- wijst het verzoek ex artikel 69 lid 5 wet BIG af.
Aldus beslist op 16 december 2020 door:
J. Recourt, voorzitter,
P. Houpt en R.A. Christiano, leden-arts,
bijgestaan door C. Neve, secretaris.
WG WG
secretaris voorzitter