ECLI:NL:TGZRAMS:2020:155 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2020/066

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2020:155
Datum uitspraak: 14-12-2020
Datum publicatie: 14-12-2020
Zaaknummer(s): 2020/066
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klager verwijt huisarts niet adequaat te hebben gehandeld bij klachten, die uiteindelijk lymfeklierkanker bleken te zijn.   Klacht ongegrond

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

Beslissing naar aanleiding van de op 26 februari 2020 bij het regionaal tuchtcollege te Zwolle binnengekomen en na doorzending op 13 maart 2020 bij het regionaal tuchtcollege te Amsterdam binnengekomen klacht van:

A,

wonende te B,

k l a g e r,

tegen

D

huisarts,

werkzaam te B,

v e r w e e r s t e r,

gemachtigde: mr. M.C. Hazenberg, verbonden aan VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.

1.         De procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-                 het klaagschrift met de bijlagen;

-                 het verweerschrift met de bijlagen;

-                 de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;

-                 het proces-verbaal van het op 21 september 2020 gehouden vooronderzoek.

De klacht is op 3 november 2020 op een openbare zitting behandeld. Partijen waren aanwezig. Klager werd bijgestaan door zijn schoonmoeder E, verweerster door mr. Hazenberg voornoemd.

2.         De feiten

2.1.      Verweerster is als huisarts verbonden aan Gezondheidscentrum F te B, waar ongeveer 12.000 patiënten in zorg zijn. Er werken zes huisartsen, die voor de waarneming een koppel vormen, en een aantal AIOS (één per twee huisartsen). Patiënten hebben een vaste huisarts binnen het gezondheidscentrum, maar kunnen ook bij een van de andere huisartsen terecht. Verweerster werkt parttime (70%).

2.2.      Klager, geboren op oktober 1992, was in de periode waarop de klacht ziet (september 2015 tot oktober 2017) patiënt van verweerster.

2.3.      Op 9 september 2015 consulteert klager de waarnemer van verweerster. Over dit consult staat in het medisch dossier het volgende:

S Sinds 3-4 mnd last van steken in schouders, begon in rechter schouder, nu in beide en uitstralend in

S de nek. Gaan zoeken op internet en gelezen over Hodgkin en lymfklierkanker. Klachten alleen bij

S alcoholgebruik. Soms ook daarbij benauwd, warm en transpireren. Moeheid-, afvallen-, eetlust

S normaal,

O Gezond ogende jongeman. Normaal postuur, geen bewegingsbeperkingen. Pulm: VAG bdz Cor: S1,

O S2, S- Geen lymfklieren palpabel cervicaal.

E Pijnklachten schouder, gerelateerd aan alcoholgebruik, soms ook benauwd.

P Uitleg: geen aanwijzingen voor ernstige ziekten, klachten lijkten te worden geluxeerd door alcohol.

P Proberen te minderen met alcohol. Indien klachten erger worden of ook zonder alcohol optreden

P retour.

2.4.      Daarna, op 10 november 2015, bezoekt klager de aan de praktijk verbonden physician assistant met pijnklachten aan beide schouders. Deze stelt geen bijzonderheden vast. Op 1 december 2015 bezoekt hij met een gescheurde teennagel de AIOS. Er vindt een halve nagelextractie plaats. Over dit consult staat verder in het dossier:

S Houdt last van klachten van drukkend gevoel op de borst, komend vanuit de nek/schouders, alleen bij

S alcohol gebruik. Laatst weer paar slokken bier en meteen klachten. Benauwd en angstig gevoel.

S Geen nare ervaringen in verleden qua alcohol, is wel heel bewust als hij alcohol drinkt of het weer

S gaat gebeuren

E Drukkend gevoel, lijkt angst/spanningsgerelateerd.

P Aangegeven dat ik geen somatische oorzaak ken van dergelijke klachten, zou ook uiting van bepaalde

P spanning/angst kunnen zijn. Ik overleg met collegae, belafspraak 1 week.

2.5.      De belafspraak vindt een week later plaats, waarbij klager wordt verwezen naar de fysiotherapeut.

2.6.      Tot april 2017 consulteert klager nog enkele malen dezelfde AIOS en eenmaal een collega huisarts. Eén keer gaat het om een ongeval, de andere keren om schouder- en benauwdheidsklachten.

2.7.      Op 25 april 2017 consulteert klager verweerster. Over dit consult staat in het medisch dossier het volgende:

S sinds december last van de luchtwegen. Ook dyspneu bij inspanning (voetbal). regelmatig slijm. Is ook

S een aantal keren goed ziek geweest. daarnaast last van het bewegingsapparaat van de thorax: last

S van de nek-schouders costale aanhechtingen bij sternum.

O pulm: bij diepe in en expiratie rhonchi

O keel: rood

E overgevoelige luchtwegen

P ventolin op proef en longfunctie. nadenken over

P allergietest

P R/1 st ventolin diskus 200mcg 60 (14Z1I)

2.8.      Na dit consult (het enige consult met verweerster in de betreffende periode) consulteert klager nog enkele malen het gezondheidscentrum en op 1 augustus 2017 wordt hij door een (andere) AIOS verwezen naar de longarts. Deze stelt vast dat klager een gevorderd klassiek Hodgkinlymfoom heeft, stadium IV-B, prognostische IPS-score 3, PFS met 5 jaar geschat ongeveer 75%.

2.9.      Op 27 oktober 2017 is klager overgestapt naar een andere huisarts binnen het gezondheidscentrum

3.         De klacht en het standpunt van klager

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster niet adequaat heeft gehandeld doordat zij zijn klachten gedurende twee jaar niet serieus heeft genomen, waardoor hij een veel zwaardere behandeling heeft moeten ondergaan.

4.         Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1.      Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2.      Het college stelt vast dat verweerster in de periode waarover de klacht gaat, klager één keer in persoon heeft gezien. Dat was op 25 april 2017, anderhalf jaar nadat klager zich voor het eerst met klachten over pijn in de schouder tot de waarnemer van verweerster wendde. In het waarnemingsconsult van 9 september 2015 heeft klager gezegd dat zijn klachten alleen optraden bij alcoholgebruik en heeft hij de mogelijke link met de ziekte van Hodgkin gelegd. Wat de waarnemer met deze suggestie heeft gedaan kan het college niet nagaan. Op grond van de verdere anamnese en het lichamelijk onderzoek heeft hij geconcludeerd dat er geen aanwijzingen voor een ernstige ziekte waren. Hij zag geen symptomen zoals moeheid, gewichtsverlies, gebrek aan eetlust of palpabele klieren. Klager heeft in het consult van 1 december 2015 met de AIOS ook aangegeven dat zijn klachten alleen optraden bij alcoholgebruik. Hoe de AIOS dit aspect heeft gewogen, kan het college evenmin nog nagaan. De AIOS dacht aan spanningsgerelateerde klachten, maar hield het, na collegiaal overleg, op schouderklachten en verwees klager naar de fysiotherapeut. In het consult met verweerster op 25 april 2017 is de koppeling van pijn met alcoholgebruik niet benoemd.

5.3.      Het college overweegt dat de ziekte van Hodgkin zeer zelden voorkomt. Sommige huisartsen zien in hun werkzame leven het ziektebeeld nooit, anderen hooguit een of enkele keren. Pijn na alcoholgebruik is een karakteristiek symptoom voor de ziekte van Hodgkin, maar, mede door de lage incidentie, zullen veel huisartsen hiervan niet op de hoogte zijn. Dat verweerster, die wel in het dossier heeft kunnen lezen over pijn na alcoholgebruik, hier niet op is aangeslagen, kan het college daarom begrijpen. De grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening worden daarmee niet overschreden. Dat neemt niet weg dat het college goed kan invoelen hoe zuur de gang van zaken is geweest voor klager, die zelf het mogelijke verband van dit symptoom met de ziekte van Hodgkin op internet had gevonden en dit nadrukkelijk heeft gezegd tegen de waarnemer.

5.4.      Dat verweerster onvoldoende regie heeft gehad, is volgens het college niet gebleken. Klager is regelmatig gezien door de AIOS, van wie de consulten dagelijks worden teruggekoppeld naar verweerster of haar duohuisarts. Op deze manier was verweerster nauw bij de behandeling van klager betrokken, ook al zag zij hem niet zelf. Nadat aanvankelijk de schouderklachten werden geduid als problemen van het bewegingsapparaat, waarbij later differentiaal-diagnostisch ook werd gedacht aan spanningsgerelateerde klachten, concludeerde verweerster op 25 april 2017 tot een longgerelateerde aandoening. Toen de behandeling daarvoor niet bleek te werken, vond verwijzing naar de longarts plaats. Achteraf kan worden vastgesteld dat twee jaar lang op het verkeerde spoor is gezeten, maar verweerster heeft in het traject diverse mogelijkheden overwogen en behandelingen geprobeerd. Niet kan worden gezegd dat klagers problemen onvoldoende aandacht hebben gehad of dat sprake is geweest van een tunnelvisie. Zoals verweerster heeft verklaard, is bij haar geen niet-pluisgevoel opgekomen, en het college kan haar hierin volgen. Dat zij klager op enig moment niet zelf op consult heeft gevraagd, kan haar niet worden verweten, nu er bij haar geen alarmbellen zijn afgegaan en naar het oordeel van het college ook niet hoefden af te gaan.

5.5.      Dat na het stellen van de diagnose de zorg onder de maat is gebleven, kan naar het oordeel van het college niet worden gezegd, al had verweerster hier voortvarender kunnen optreden. Naar eigen zeggen was het ongelukkig dat zij op beslissende momenten afwezig was. Hier waren echter diverse redenen voor (verhuizing, niet werken op vrijdag, een tijd niet werkzaam in oktober 2017). Ook heeft ze nog contact gehad met de vader van klager, die met de praktijk had gebeld uit onvrede over het diagnostisch traject en het uitblijven van een telefoontje van verweerster. Een – toevallig – contact in de praktijk met de moeder van klager heeft zij laten passeren, omdat zij vanwege de boosheid van de moeder bang was olie op het vuur te gooien. De zorg is verder overgenomen door de collega van verweerster, naar wie klager was overgestapt. In het gezondheidscentrum is een VIM-procedure gevolgd, waarin de procedures voor welke arts de patiënt bij een spreekuurbezoek ziet, tegen het licht zijn gehouden.

 5.6.     De conclusie van het voorgaande is dat de klacht (in al haar onderdelen) ongegrond is. Verweerster kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt. Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal de beslissing zodra zij onherroepelijk is op na te melden wijze worden bekendgemaakt.

6. De beslissing

Het college:

- wijst de klacht af;

- bepaalt voorts dat de beslissing ingevolge artikel 71 van de Wet BIG in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan het tijdschrift Medisch Contact ter bekendmaking zal worden aangeboden.

Aldus beslist door:

J. Brand, voorzitter,

D.E. de Jong, A. Medema en V.M. Schijf, leden-arts

J.C.J. Dute, lid-jurist,

bijgestaan door  S. Verdaasdonk, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2020 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.

WG                                                                                                     WG

secretaris                                                                                            voorzitter