Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRAMS:2020:130 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2020/050

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2020:130
Datum uitspraak: 21-10-2020
Datum publicatie: 21-10-2020
Zaaknummer(s): 2020/050
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Gegrond, geen maatregel
Inhoudsindicatie: Klacht tegen huisarts in verband met voorschrijven pijnstilling in derde trimester zwangerschap, terwijl deze medicatie alsdan gecontraindiceerd is.     Gegrond, geen maatregel

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

Beslissing naar aanleiding van de op 20 februari 2020 binnengekomen klacht van:

A ,

wonende in B,

k l a a g s t e r,

tegen

C ,

arts,

werkzaam in B,

v e r w e e r d e r,

gemachtigde: mr. M.H.M. Mook, als jurist werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand in Leusden.

1.          De procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-                 het klaagschrift met de bijlagen;

-                 het verweerschrift met de bijlagen;

-                 de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;

-                 het proces-verbaal van het op 30 juli 2020 gehouden vooronderzoek.

Klaagster heeft geen gebruik gemaakt van de haar geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

De klacht is op een openbare zitting behandeld. Verweerder werd bijgestaan door mr. Mook. Klaagster was afwezig zonder bericht van verhindering.

2.          De feiten

2.1.       Op 29 januari 2020 heeft klaagster contact opgenomen met de huisartsenpraktijk waar verweerder werkzaam is, in verband met flankpijn links. Zij herkende deze klachten als niersteenklachten, omdat ze eerder nierstenen had gehad. Verweerder wist dat klaagster op dat moment 29 weken zwanger was.

2.2.       Verweerder heeft klaagster onderzocht en uit de anamnese en het lichamelijk onderzoek bleek een verdenking op nierstenen.

2.3.         Verweerder heeft de NHG Richtlijn Urinesteenlijden erop nageslagen. Daarin staat (kort gezegd) dat bij hevige klachten Diclofenac intramusculair moet worden gegeven en dat bij een contra-indicatie voor Diclofenac morfine moet worden gegeven. Vervolgens moet een middel worden voorgeschreven waarmee patiënt zelf de pijn gedurende enkele dagen kan bestrijden. Het gaat dan om Diclofenactabletten of –zetpillen, en bij contra-indicatie daarvoor om morfine.

2.4.       Verweerder heeft het Farmacotherapeutisch Kompas inzake toepassing Diclofenac en zwangerschap gecontroleerd. Daarin staat als advies voor het gebruik van Diclofenac tijdens de zwangerschap:

            “Advies: Tijdens het 1e en 2e trimester uitsluitend gebruiken op strikte indicatie en in    een zo laag mogelijke dosering en zo kort mogelijk. Gebruik is gecontra-indiceerd

            tijdens het 3e trimester.”

2.5.       De zwangerschap van klaagster bevond zich op dat moment in het derde trimester, maar verweerder heeft zich dat niet gerealiseerd. Hij dacht, als gevolg van een misrekening, dat de zwangerschap zich in het tweede trimester bevond.

2.6.       Hij heeft klaagster daarom behandeld conform het advies voor gebruik van Diclofenac tijdens het 1e en 2e trimester van de zwangerschap. Hij heeft haar Diclofenac per injectie toegediend en haar, na haar eerst te hebben gemonitord, diezelfde middag een recept verstrekt voor Diclofenactabletten in de laagst mogelijke dosering.

2.7.       Klaagster heeft twee dagen later, op 31 januari 2020, contact opgenomen met haar verloskundige, omdat zij zich zorgen maakte over het gebruik van Diclofenac. De verloskundige heeft contact opgenomen met verweerder en tijdens dit gesprek kwam verweerder er achter dat de zwangerschap van klaagster zich niet in het tweede, maar in het derde trimester bevond. Hij heeft vervolgens contact opgenomen met de dienstdoende gynaecoloog  om te overleggen over de voor te schrijven medicatie. Mede aan de hand van dit overleg heeft verweerder morfine voorgeschreven en dit in het medisch dossier genoteerd.

2.8.       Verweerder heeft vervolgens contact opgenomen met klaagster om zijn excuses aan te bieden en om te vragen hoe het ging, en om met haar het gewijzigde behandelplan te bespreken. Klaagster vertelde dat zij geen klachten meer had gehad en dat zij daarom nog geen Diclofenactabletten had ingenomen. Verweerder heeft haar laten weten dat hij morfine had voorgeschreven voor het geval de pijnklachten zouden terugkeren. Ook heeft hij geadviseerd om 5 dagen later haar urine te laten controleren, en heeft hij gezegd dat zij ook eerder mocht terugkomen bij hevige klachten. Klaagster is niet meer teruggekomen voor controle.

2.9.       Aan het einde van de dag, nog steeds op 31 januari 2020, heeft de partner van klaagster contact opgenomen met de praktijk. Omdat verweerder afwezig was, heeft de assistente een terugbelafspraak gemaakt voor maandag 3 februari 2020. Op maandag heeft verweerder telefonisch contact geprobeerd op te nemen met de partner van klaagster, maar daarbij kreeg hij klaagster aan de lijn. Zij liet hem weten dat overleg met haar partner niet meer nodig was.

2.10.     Op 10 februari 2020 heeft verweerder geprobeerd om contact te krijgen met klaagster om te vragen hoe het ging, maar dat is niet gelukt. Hij heeft haar voicemail ingesproken.

2.11.     Verweerder is elektronisch geïnformeerd door de verloskundige dat klaagster medio april is bevallen van een jongetje. Verweerder heeft klaagster niet meer teruggezien op het spreekuur. Zij is nog wel als patiënt ingeschreven.

3.          De klacht en het standpunt van klaagster

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder aan klaagster medicatie heeft toegediend en voorgeschreven die zij niet mag hebben tijdens haar zwangerschap.

4.          Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft erkend dat hij klaagster Diclofenac heeft toegediend en voorgeschreven, terwijl dat gecontra-indiceerd was tijdens het derde trimester van de zwangerschap. Hij wijst er wel op dat hij, op het moment dat hij zijn fout ontdekte, er alles aan heeft gedaan om zijn fout voor zover mogelijk te herstellen.

5.          De beoordeling

5.1.       Zoals verweerder zelf ook heeft erkend, heeft hij Diclofenac toegediend en voorgeschreven aan klaagster terwijl dat gecontra-indiceerd was, omdat de zwangerschap van klaagster zich in het derde trimester bevond. Hiermee staat vast dat de klacht gegrond is.

5.2.       Het college ziet desondanks geen aanleiding om verweerder een maatregel op te leggen. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat verweerder, op het moment dat hij erachter kwam dat hij een fout had gemaakt in de berekening van het trimester waarin de zwangerschap verkeerde, direct zijn verantwoordelijkheid heeft genomen. Hij heeft contact opgenomen met de gynaecoloog om te overleggen over de aan klaagster voor te schrijven medicatie en na dit overleg (en aanpassing van de medicatie) heeft hij contact opgenomen met klaagster om zijn excuses aan te bieden en uit te leggen wat er fout was gegaan. Bovendien heeft verweerder aangegeven lering te hebben getrokken uit wat er gebeurd is. In de huisartsenpraktijk is een aanpassing in het systeem doorgevoerd, waardoor in een oogopslag zichtbaar is dat en hoe lang een patiënt zwanger is.

Gelet hierop is het tuchtcollege van oordeel dat het opleggen van een maatregel geen redelijk tuchtrechtelijk doel meer dient.

5.3.       Het college merkt ten slotte op dat zij het - juist gelet op de schuldbewuste houding en de adequate reactie van verweerder - betreurt dat klaagster na het indienen van de klacht op geen enkele manier bereikbaar was voor het college. Zij heeft niet gereageerd op e-mails en telefoontjes van het college en zij is, zonder afmelding, niet verschenen tijdens zowel het vooronderzoek als de zitting. Daardoor was er geen mogelijkheid om te onderzoeken of partijen nader tot elkaar konden komen (en de klacht mogelijk had kunnen worden ingetrokken).

6.          De beslissing

Het college:

-        verklaart de klacht gegrond;

-        legt aan klager geen maatregel op.

Aldus beslist door:

J.F. Aalders, voorzitter,

A. Wewerinke, J.C. van der Molen en A. Medema, leden-arts,

R.E. van Hellemondt, lid-jurist,

bijgestaan door M.G. Verkerk, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken op (datum) door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.

  WG                                                                                                      WG

secretaris                                                                                            voorzitter