Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZCTG:2020:84 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.176

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2020:84
Datum uitspraak: 17-03-2020
Datum publicatie: 24-03-2020
Zaaknummer(s): c2019.176
Onderwerp: Onheuse bejegening
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:  

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2019.176 van:

A., tandarts, werkzaam te B.,

appellant, verweerder in eerste aanleg,

gemachtigde: mr. L.H.E. Drenthe, advocaat te Amsterdam,

tegen

C., werkzaam te B., verweerder in beroep, klager in eerste aanleg, gemachtigde: mr. E.E. Hoogeterp, advocaat te Zwolle.

1.         Verloop van de procedure

C. – hierna klager – heeft op 11 september 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle tegen A. – hierna de tandarts of appellant – een klacht ingediend. Bij beslissing van 16 mei 2019, onder nummer 247/2018, heeft dat college de klachtonderdelen 1, 2 en 3 gegrond verklaard, klachtonderdeel 4 ongegrond verklaard, de bevoegdheid van de tandarts om de aan de inschrijving verbonden bevoegdheden uit te oefenen voor de duur van een half jaar geschorst, waarvan één maand onvoorwaardelijk en vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en bepaald dat deze beslissing nadat deze onherroepelijk is geworden in geanonimiseerde vorm in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften ‘Tijdschrift voor Gezondheidsrecht’, ‘Gezondheidszorg Jurisprudentie’, ‘Dentz magazine’ en het ‘Nederlands Tandartsenblad’.

De tandarts is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. Klager heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

Het Centraal Tuchtcollege heeft van beide partijen nog nadere correspondentie ontvangen.

De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak C2019.177 behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 21 januari 2020, waar zijn verschenen klager, bijgestaan door mr. E.E. Hoogeterp, voornoemd, en de tandarts, bijgestaan door mr. L.H.E. Drenthe, voornoemd.

Partijen hebben ter zitting hun standpunten nader toegelicht.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd. Hierbij is de tandarts aangeduid als verweerder en zijn echtgenote (eveneens aangeklaagd (in de gelijktijdige behandelde zaak als hiervoor genoemd) als verweerster. Tezamen zijn zij aangeduid als verweerders.

“DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

De verstandhouding tussen de praktijk van klager, die van verweerders en de D.

Verweerders voeren een tandartsenpraktijk onder de naam E,. Deze voert 24, veelal op elkaar gelijkende, handelsnamen.

De praktijk maakt deel uit van de tandartsenkring D. (verder de D. te noemen). Klager is secretaris van de D.. Binnen de D. hebben de deelnemers zich verbonden aan de Regeling voor de opvang van tandheelkundige spoedgevallen buiten praktijkuren (de Spoedregeling). In de Spoedregeling is bepaald dat de deelnemers en hun eventuele waarnemers en/of plaatsvervangers - kort gezegd - adequaat spoedzorg verlenen. Door ondertekening van de Spoedregeling verklaren de deelnemers zich akkoord en bekend met de praktijkrichtlijn “Opvang tandheelkundige spoedgevallen buiten praktijkuren (2012)”. In de regeling is ten aanzien van de bereikbaarheid van de dienstdoende tandarts opgenomen dat deze persoonlijk bereikbaar is en “het gebruik van een antwoordapparaat is niet toegestaan”. In vergaderingen van de D. hebben de andere leden diverse keren aan verweerder laten weten dat zij dit aldus uitleggen dat de tandarts die de spoeddienst doet zelf telefonisch bereikbaar moet zijn, zonder tussenkomst van een tandartsbemiddelingsbureau.

Op zaterdag 12 mei 2018, de praktijk van verweerders had spoeddienst, heeft patiënt F. het spoednummer gebeld vanwege kiespijn. De telefoniste van het tandartsenbemiddelingsbureau die F. aan de lijn kreeg noteerde zijn gegevens en de praktijk bij wie hij patiënt is, namelijk de praktijk van klager. De telefoniste vertelde F. dat hij om 20.30 uur terecht kon bij de praktijk van verweerders. Om 20.30 uur trof F. echter een gesloten deur aan. Om 20.45 uur meldde een tweede patiënt zich bij de praktijk. Om 21.00 uur heeft de tweede patiënt weer het spoednummer gebeld. De telefoniste vertelde toen dat de patiënten de volgende dag terecht konden in de praktijk. F. heeft zich op maandag 14 mei 2018 gewend tot de praktijk van klager.

Op dinsdag 15 mei 2018 is op naam van verweerster aan F. een e‑mailbericht gestuurd waarin - kort gezegd - de fout bij het tandartsbemiddelingsbureau wordt gelegd. Aangegeven wordt dat het tandartsbemiddelingsbureau daarvoor verantwoordelijk is, excuses worden aangeboden en aan F. wordt gemeld dat hij een klacht kon indienen bij de klachtenservice van de KNMT. F. heeft dat gedaan.

Per e-mail van 30 augustus 2018 heeft verweerster aan F. toestemming gevraagd om zijn gegevens te gebruiken om een melding of handhavingsverzoek te doen tegen de Centrale doktersdienst G. en hem laten weten dat hij ook zelf een melding daar kon doen. ‘Hoe meer meldingen er komen hoe beter.’

In een e-mailbericht van 13 juni 2018 aan de KNMT met een kopie aan F. is op naam van verweerster onder meer geschreven:

“Voor mij is de klacht nog lang niet naar tevredenheid afgehandeld. Zeker niet aangezien uit alles blijkt dat dhr. F. een reeds voor-ingevuld klachtenbrief is verstrekt door tandarts [naam klager, RTG]; voornamelijk bedoeld om zijn lopende vete tegen mijn praktijk via de KNMT uit te spelen en niet handelend in het belang van dhr. F. waar ik al gelijk vanaf de maandag na het incident mee in gesprek probeerde te komen. (…) Exemplarisch was namelijk het feit dat door een geheel andere waarnemend tandarts in onze tandartsenkring, nota bene op dezelfde vergadering waar u het hier over heeft, een nog veel ergere fout in een spoeddienst begaan was. Schouder ophalend werd dit door o.a. tandarts [naam klager], nota bene coördinator van de spoeddiensten van onze D., ter kennis aangenomen; het interesseerde gewoon niemand wat. Men nam de moeite niet eens om de tandartspraktijkhouder (een oudere KNMT collega) - verantwoordelijke voor de praktijk waar dit gebeurde- überhaupt hiervan te informeren. Het gebeurt dus helaas vaker binnen onze D. dat patiënten zich voor niets bij de spoeddienst melden, de verontwaardiging van collega [naam klager] lijkt echter zeer selectief en vooral op mijn persoon gericht.

Belangrijker nog, in de hoofdzaak van de klacht heb ik nog altijd geen antwoord of uitleg van de doktersdienst G., waarom de betreffende medewerker dhr. F. en mij evident twee geheel verschillende verhalen heeft verteld. (…) welke boodschap dhr. F. heeft aan de selectieve signalen die vooral collega [naam klager] wenst af te geven, vraag ik mij ten sterkste af. (…)”

Verweerster heeft op 20 maart 2018 een klacht tegen klager ingediend bij de commissie intern tuchtrecht van de KNMT. Verweerster was tijdens haar zwangerschap in 2018 vrijgesteld van diensten. Op 22 mei 2018 heeft zij per e‑mailbericht (met een kopie aan verweerder) aan de plaatsvervangend coördinator van de spoeddiensten verzocht om binnen 14 dagen met aanpassingen in het dienstenrooster te komen omdat zij na haar bevalling nog steeds arbeidsongeschikt was. Zij gaf daarbij aan dat de enige volgende stap de gang naar de rechter was en dat zij een kopie van de e-mail aan haar advocaat zou sturen.

Klager heeft daarop namens het bestuur aan verweerster op 30 mei 2018 per e-mail gevraagd om een afschrift van een doktersverklaring of AOV-melding.

Op 6 juni 2018 hebben verweerders een tuchtklacht ingediend tegen klager die inhoudelijk gelijk was aan de klacht bij de KNMT.

Op 20 juli 2018 heeft verweerster per e-mailbericht aan klager gemeld dat haar herstel niet volgens verwachting verliep en dat zij nog steeds 50% arbeidsongeschikt was. Zij verzocht herverdeling van de diensten voor de maanden augustus en september 2018. Op 3 augustus 2018 heeft een collega van klager namens de D. nogmaals om een document gevraagd waaruit zou blijken dat zij gedeeltelijk arbeidsongeschikt was. Toen de collega een dergelijk document had ontvangen heeft hij aan klager gevraagd de diensten voor oktober 2018 te herverdelen. Klager heeft dat gedaan.

In een e-mailbericht van 18 september 2018 op naam van verweerster is aan 23 collega’s in de regio B. geschreven:

“Onlangs heb ik moeten constateren dat e-mails betreffende mijn arbeidsongeschiktheid die ik in goed vertrouwen met het D.bestuur gedeeld heb, door [naam klager] in allerlei ongerelateerde kwesties gebuikt zijn. Tevens heeft het er alle schijn van dat hij deze e-mails ook met diverse patiënten gedeeld heeft. (…) Dit is niet alleen een ernstige privacy schending, ook mijn vertrouwen in het D.bestuur is ernstig geschonden en het is ook hoogst oncollegiaal wat er gebeurt is. (…) daarom verzoek ik het D.bestuur als ook de leden van de D. zo spoedig mogelijk een standpunt in te nemen over dit specifieke gedrag als ook de positie van [naam klager] binnen het D.bestuur. Het D.bestuur is verantwoordelijk voor de ontstane situatie. (…)”

Op 23 oktober 2018 heeft verweerder als reactie op de uitnodiging voor de D.vergadering aan het bestuur van de D. het volgende geschreven:

“Nog steeds ben ik verbaasd en ontdaan over de manier waarop jullie lijken te denken dat behoorlijk ernstige incidenten, begaan door jullie mede-bestuurslid [naam klager] en mede uit naam van jullie bestuur, uit zichzelf over zullen gaan als je er maar geen aandacht aan besteedt. Laat ik jullie gelijk uit de droom helpen, dat is dus niet zo.

Dat [naam klager] een conflict met ons heeft is iedereen ondertussen wel duidelijk, dat hij de D. en zijn bestuurslidmaatschap hiertoe aanwend en misbruikt, is ronduit onacceptabel.

Overduidelijk is zowel het vertrouwen als ook de privacy van [naam verweerster] ernstig geschonden doordat jullie [naam klager] blijkbaar hebben toegestaan om het voor heel andere doeleinden te gebruiken dan waarvoor [naam verweerster] het aan jullie voorgelegd heeft. Dit is hoogst onprofessioneel en ernstig oncollegiaal. Wat gaan jullie hieraan doen? Helaas is dit al lang niet meer het enige wat speelt:

·         Wederom zijn er wederom uit naam van het bestuur, door [naam klager], allerlei ongefundeerde beschuldigingen en tevens smaad-en lasterschrift geuit jegens het O. (O.). Niet alleen richting diverse instanties maar ook aan patiÀ‹‹nten. We hebben het O. op de hoogte gesteld en het wordt zo langzamerhand misschien tijd dat jullie hen wat tekst en uitleg gaan geven. Jullie zijn immers in het bestuur van een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid en dus hoofdelijk aansprakelijk, dit voor de gedragingen die gewoon echt niet meer door de beugel kunnen

·         Het bevreemd ons dat [naam klager] ook in naam van het bestuur de klacht inzake de spoeddienst van [naam verweerster] naar allerlei derden en instanties zegt door te sturen. Zeer opmerkelijk aangezien dit niet gebeurt is met de klacht in de spoeddienst inzake H.; zelfs de praktijkeigenaar, tandarts I.is niet eens door [naam klager] op de hoogte gebracht en de klacht is zelfs uit de notulen gecensureerd (en dit is niet de eerste keer) – gelukkig hebben wij de bandopnames nog die we indien nodig aan de inspectie IGJ kunnen overleggen. Dit terwijl de kwestie ernstiger was en er zelfs onlangs nog een CTG uitspraak over een redelijk identieke zaak is geweest –te vinden onder nummer ECLI:NL:TGZCTG:2018:181. Ik ben er geen voorstander om voor elke kleine gebeurtenis direct aan allerlei instanties en autoriteiten meldingen te doen, maar ik hoor graag waarom het bestuur hier anders in staat en vooral waarom onbenulliger kwesties wel gemeld worden terwijl ernstiger zaken als ware verborgen worden gehouden van instanties en autoriteiten. Gelijke behandeling lijkt mij in deze niet zo veel gevraagd.

Dan hebben we het ook nog niet eens over het aansporen van patiÀ‹‹nten om klachten in te dienen tegen [naam verweerster] en hen dan mede als bestuurslid van de D. weer op zeer brutale wijze te intimideren als het niet opportuun geacht wordt dat derde instanties erbij betrokken worden zoals de inspectie (IGJ). Een beetje vreemd van een bestuurslid om in de laatste D.vergadering te eisen dat de onderste steen boven komt, maar in compleet blinde paniek te raken zodra [naam verweerster] het voorstel oppert om de kwestie van de dokterswacht aan de inspectie (IGJ) voor te leggen. À

Laat het even duidelijk zijn, ik heb [naam klager] al eerder voorgesteld om de eer aan zichzelf te houden en met waardigheid uit het bestuur te treden. Jammer genoeg heeft hij dit pertinent afgeslagen en dan rest mij geen andere keus dan de kwestie op deze manier voor te leggen aan de gehele D..

Graag zie ik dan ook de positie van [naam klager] binnen het bestuur geagendeerd worden op de komende vergadering. De vraag is tevens in hoeverre jullie als overige bestuursleden hoofdelijke aansprakelijkheid wensen te blijven delen met [naam klager] en de mogelijke gevolgen daarvan.

Graag zie ik dat de agenda op dit punt nog even aangepast wordt.”

Verweerder heeft de klacht tegen klager bij het tuchtcollege op 21 december 2018 ingetrokken onder de vermelding dat hij zich tevens expliciet alle rechten voorbehoudt om de klacht op een later tijdstip in aangepaste vorm alsnog in te dienen.

De praktijk van verweerders en hun patiënten

Tussen medio 2017 en medio 2018 zijn er circa 250 patiënten overgestapt van de praktijk van verweerders naar de praktijk van klager. Ter zitting werd aangegeven dat het inmiddels om 300 à 400 patiënten gaat. De redenen die de patiënten aangeven voor de overstap zijn onverklaarbaar hoge declaraties, schending van het informed consent, schending van de privacy van patiënten, opdringerige telefoontjes als er niet snel een vervolgafspraak wordt ingeboekt, telkens wisselende tandartsen en assistentes, pijnlijke behandelingen, het verlies van vertrouwen in de tandarts, ontevredenheid over de uitgevoerde behandelingen en lastige communicatie. Klager heeft in veel gevallen van de patiënten die zijn overgestapt niet zo spoedig mogelijk de volledige tandheelkundige dossiers uit de praktijk van verweerders ontvangen.

Naar aanleiding van het verzoek van een naar de praktijk van klager overgestapte patiënt om zijn dossier werd in de loop van 2018 vanuit het e-mailadres van de praktijk van verweerders onder meer geschreven:

“Voor het versturen van uw dossier, zal de tandarts de gegevens oftewel op een CD branden, oftewel via een digitaal en versleuteld bestand versturen, zodat de kwaliteit van de röntgen foto’s gewaarborgd blijft. De vergoeding voor het digitaal verstrekken van een patiëntendossier is wettelijk vastgesteld op €5,-. Deze kunt u contant of per pin voldoen aan de balie, bijvoorbeeld als u de cd komt ophalen.

Als u een CD per post op uw huisadres wilt ontvangen kunnen we deze naar u opsturen maar dan zullen wel de portokosten aan u doorberekend worden, bovenop de wettelijke vergoeding.”

In de e-mail is een link opgenomen naar de website van de consumentenbond. Naar aanleiding van wat er op de website van de consumentenbond staat werd vanuit het

e-mailadres van de praktijk van verweerders nog geschreven:

“Helaas hebben we ook kunnen constateren dat de link op Consumentenbond NIET klopt. U kunt dit nalezen bij de autoriteit persoonsgegevens. Een klein deel van uw dossier (uw naw.gegevens+verzekering data) vallen onder de dataportabiliteit van de AVG en die kunt u kosteloos ontvangen. In de WGBO staat letterlijk dat redelijke koste gerekend mogen worden en dat is niet veranderd per 25 mei. Het is jammer te constateren dat de Consumentenbond mensen misleid.

De kosten voor de rest van het dossier blijven onveranderd en het termijn is 6 weken. Dit kunt u bij de autoriteit persoonsgegevens nalezen.”

Vanuit de praktijk van klager is op 17 september 2018 per e-mail aan de praktijk van verweerder bericht:

“Op verzoek van diverse patiënten vragen wij u met klem de opgevraagde dossiers aan de patienten te overhandigen. Wij ontvangen dagelijks diverse mailtjes en telefoontjes van patienten dat u deze weigert af te geven. Ook geven patiënten aan dat u nog steeds probeert de kosten voor opvragen van het dossier bij de patient in rekening brengt.

Voor u is het goed om te weten dat sinds 25 mei jl. de AVG van kracht is. Deze Europese wetgeving staat boven de WGBO. Sterker nog de kosten voor het opvragen van het dossier is in de wet WGBO komen te vervallen en verwijst terug naar de AVG. De AVG stelt dat u geen kosten meer in rekening mag brengen.

(….)

U belemmert onze praktijk in vervolgbehandelingen alsmede zorgt u voor overbelasting op de patient door ook de gemaakte rontgenfoto’s niet af te geven. Dit is een laatste nog klemmend verzoek aangezien deze patient en alle overige patienten al maanden wachten. (…)”

Op 23 juli 2018 heeft de advocaat van verweerders een voormalige patiënt van hun praktijk, naar aanleiding van een, door hem anoniem geplaatste, negatieve recensie over de praktijk op de website Independer, per e-mailbericht en per brief gesommeerd het commentaar per direct te verwijderen en verwijderd te houden, bij gebreke waarvan verweerders hem in rechte zouden betrekken en een schadevergoeding zouden vragen.

Independer heeft aan de voormalige patiënt laten weten: “Het is al eens eerder voorgekomen dat uw tandarts heeft gedreigd met een rechtszaak en advocaat indien een patiënt een review niet liet verwijderen.”

Deze patiënt heeft zijn tandheelkundig dossier van de praktijk van verweerders in oktober 2018, een jaar na overstap uit de praktijk, ontvangen.

Het college heeft geconstateerd dat ten tijde van de zitting een website ten name van één van de handelsnamen van de praktijk van verweerders nog steeds actief is, waarop wordt vermeld:

Opvragen patiëntendossier

Wij komen helaas tegen dat er nogal wat onduidelijkheid is over het patiëntendossier en het opvragen hiervan. Uit jurisprudentie blijkt dat het dossier geen eigendom van de patiënt is maar van de zorgverlener. De zorgverlener heeft de verplichting om op verzoek van de patiënt een kopie van het dossier ter beschikking te stellen, de patiënt is verplicht eventuele kosten die daarbij gemoeid zijn te voldoen [onderstreping RTG]. Beide verplichtingen kunnen via de rechter afgedwongen worden.

Achtergronden

In het verleden gebeurde het regelmatig dat gegevens opgevraagd werden en vervolgens nooit opgehaald. Of als deze eerst opgevraagde gegevens uiteindelijk verwijderd waren, werd er een jaar of zo later weer opnieuw om de gegevens gevraagd. Dit is uitermate storend en zonde van onze tijd.

Wij nemen de kwaliteit en de aard van de gegevens die wij verstrekken zeer serieus dus het kost tijd om zorg te dragen dat hier geen fouten in worden gemaakt. Bij misbruik van deze regeling kunnen dan ook kosten in rekening gebracht worden.

(…)

Voor het verstrekken van patiëntengegevens heeft Tandzorg J. een maandelijks herhalende procedure waarin de gegevens eind van de maand / begin van de nieuwe maand verstrekt worden*****. Let wel, alleen geldige aanvragen worden binnen dit termijn afgehandeld, zie hiervoor het onderwerp “Het verzoek”.”

Verweerder heeft namens de praktijk in een e-mailbericht van 26 maart 2019 aan de praktijk van klager aangegeven dat hij waarschijnlijk binnenkort alle Zorgmail berichten direct zal laten blokkeren en voor het verzenden van berichten WeTransfer zal gaan gebruiken. Op de website van de tandartspraktijk ‘tandarts aan het diep’ (ook van verweerder en verweerster) is een link naar WeTransfer opgenomen.

Verweerders en de IGJ

In het proces-verbaal van het gehoor van de IGJ in de onderhavige tuchtklachtprocedures is onder meer het volgende vermeld:

“Vanaf 2008 gerekend zijn er 22 meldingen over andere zorgverleners gedaan bij de IGJ door [naam verweerder]. Daarmee wenst [naam verweerder] het handelen of nalaten van collega’s aan de kaak te stellen. De meldingen gaan ook over beroepsbeoefenaren in andere disciplines, niet alleen over tandartsen. Er zijn 24 WOB-verzoeken door [naam verweerder] ingediend. Deze hebben we teruggebracht naar 18. In de andere verzoeken bleek geen sprake van een WOB-verzoek maar een vraag aan de Inspectie.

In het begin stuurde [naam verweerder] meteen dreigbrief met het WOB-verzoek mee om bij vertraging eventueel een bedrag naar hem over te maken. Ik leg u één voorbeeld over. Ik heb toestemming van de Inspectie om u stukken te overhandigen bij dit gehoor. U zult door mij overgelegde stukken aan het verslag van dit gehoor hechten.

[naam verweerder] laat zich uit op social media over de Inspectie en inspecteurs. Hij schoffeert onder meer een oud-collega van mij op social media. Ik overhandig u een door [naam verweerder] geschreven artikel met de titel ‘K. is een rund’. Mijn collega’s de heer K. en mw. L. hebben een randvoorwaardelijk onderzoek gedaan naar de praktijk. Daarop zijn verbeterpunten aangedragen. [Naam verweerder] maakt bezwaar tegen elk verbeterpunt. 

[Naam verweerder] heeft een brief naar het ministerie van VWS gestuurd dat hij de inspecteurs K. en L. wil wraken. Er is tevens een brief door [naam verweerder] naar de gemeenteraad gestuurd waar K. politiek actief is. [Naam verweerder] heeft daarin onder meer geschreven dat hij vindt dat K. frauduleus handelt. Aan de burgemeester heeft [naam verweerder] aantijgingen van valsheid in geschrifte door K. geschreven. In de koptekst stond opgenomen ‘van corruptie verdachte ambtenaar’. Dat heeft in 2016 gespeeld. De heer K. heeft de Inspectie intern verzocht om dit nader te onderzoeken. Uiteindelijk is door de Inspectie besloten om er niet op te reageren om [naam verweerder] geen groter platform te geven.

Ook in het kader van regelgeving omtrent radiologie en straling is [naam verweerder] actief en doet WOB-verzoeken. De autoriteit nucleare veiligheid en straling en ISZW (voormalige arbeidsinspectie), zijn ook bekend met WOB-verzoeken van [naam verweerder].

Dat gaat er vooral om dat wij wel buitenlandse diploma’s erkennen in Nederland, maar dat buitenlands gediplomeerden wel kennis moeten hebben van Nederlandse regelgeving ter zake. Er wordt dan om een aanvullende module gevraagd. Het buitenlandse diploma wordt wel erkend. Dit betrof de voormalige collega van [naam verweerder], de heer M., die bij hem in de praktijk werkte. Er werd van M. geëist dat hij via nascholing wel aantoonbaar kennis had van de Nederlandse regelgeving ter zake.

Over dit onderwerp heeft [naam verweerder] ook diverse brieven gestuurd, over de Europese wet- en regelgeving en wij hebben daarop gereageerd. 

Wat verder speelt is een civielrechtelijke procedure door [naam verweerster] aangespannen tegen de Inspectie. Op basis van de Wet bijzondere persoonsgegevens wordt geëist dat wij in onze inspectiegegevens alles over haar verwijderen.

Medio februari 2019 heeft de Inspectie van P. advocaten een melding ontvangen betreffende de onderhavige tuchtklacht(en), medio februari 2019. 

Er is geen enkele andere tandarts in Nederland die zoveel energie van de Inspectie vraagt als [naam verweerder].

Destijds is bij het randvoorwaardelijk onderzoek door K. en L. een aantal verbeterpunten aangegeven. [Naam verweerder] is over de meeste verbeterpunten de discussie aangegaan of heeft daartegen bezwaar gemaakt.

Het handelen van [naam verweerder] is voor de Inspectie in die zin ontwrichtend dat de Inspectie door de meldingen van [naam verweerder] over anderen zodanig geformuleerd zijn dat de Inspectie daar wel onderzoek naar moet doen. Elk verzoek gaat gepaard met dreigingen van procedures of openbaarmaking op social media.

Bij de inspectie wordt gewerkt aan de hand van prioritering. Zonder deze meldingen van [naam verweerder] zouden de meldingen minder prioriteit krijgen.

Een ruwe schatting is dat de afgelopen zes jaar circa een kwart FTE bezig geweest is met de verzoeken, meldingen en dreigingen van [naam verweerder]. Dit gaat voornamelijk over de WOB-verzoeken. Hierbij moet veel uitgezocht worden en overleg met de WOB-jurist in Den Haag plaatsvinden.” 

Verweerder en het tuchtrecht

Dit tuchtcollege heeft eerder vier klachten van patiënten tegen verweerder behandeld.

-      De eerste klacht is door het regionaal tuchtcollege gegrond verklaard en aan verweerder is toen een waarschuwing opgelegd. De klager heeft die klacht tijdens de beroepsperiode ingetrokken omdat verweerder het teveel betaalde had teruggestort (nr. C2010.342).

-      De tweede klacht is in eerste instantie deels gegrond en in tweede instantie geheel ongegrond verklaard (nr. C2010.04).

-      De derde klacht is afgewezen in eerste aanleg. Er is geen beroep ingesteld (RTC Zwolle nr. 226/2012).

-      De vierde klacht, met name over onprofessionele communicatie met een patiënt, is in eerste en tweede instantie gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. De motivering van de maatregel was dat nog volstaan kon worden met een waarschuwing omdat verweerder niet eerder was geconfronteerd met een tuchtrechtelijk verwijt (nr. C2015.450).

Verweerder heeft in één van deze zaken vier wrakingverzoeken gedaan en in een andere zaak een klacht ingediend tegen de secretaris van het college. Drie wrakingverzoeken zijn afgewezen en één wrakingverzoek is niet in behandeling genomen. De klacht tegen de secretaris is ongegrond verklaard.

Verweerder heeft meer dan tien tuchtklachten ingediend tegen tandartsen. Veel klachten heeft hij weer ingetrokken (en soms daarna weer ingediend) en in verschillende klachten was hij niet-ontvankelijk. Een enkele klacht was gegrond.

Ter zitting heeft verweerder laten weten dat hij die dag weer een klacht bij dit tuchtcollege had ingediend tegen klager.

3.      HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT

Klager stelt voorop dat hij tegen verweerders geen klacht kan indienen bij de interne tuchtrechter, omdat zij geen lid zijn van de KNMT.

Hij verwijt verweerders - zakelijk weergegeven - dat zij in strijd handelen met het belang van een goede uitoefening van de gezondheidszorg omdat zij:

a.      zich niet houden aan de afgesproken dienstregeling;

b.      zich grievend uitlaten over een collega;

c.       niet, niet volledig en niet kosteloos medische dossiers verstrekken;

d.      zorg van onvoldoende kwaliteit verlenen.

Klager is van oordeel dat verweerders het vertrouwen van patiënten in de medische stand van de tandarts als beroepsgroep schaden. Klager meent dat verweerders de rotte appel binnen de D. zijn, mede door hun uiterst oncollegiaal en onprofessioneel gedrag, waarbij zij niet schromen wet- en regelgeving aan hun laars te lappen, patiënten verkeerd te informeren en de patiënten van klager negatief te beïnvloeden door insinuerende berichten aan hen te richten. Door het blokkeren van berichten die via Zorgmail worden verstuurd worden de collega-beroepsgenoten van verweerders benadeeld. Verweerders belemmeren daarmee klager in het uitoefenen van goede tandheelkundige zorg. Zij handelen daarmee in strijd met hetgeen een goed beroepsbeoefenaar betaamt.

4.      HET STANDPUNT VAN VERWEERDERS

Verweerders voeren - zakelijk weergegeven - aan dat klager onvoldoende heeft gespecificeerd welke klachten tegen verweerder en welke tegen verweerster zijn gericht.

Verder stellen verweerders zich op het standpunt dat klager geen rechtstreeks belanghebbende is in de zin van art. 65 lid 1 sub a van de Wet BIG.

Tot slot voeren verweerders aan dat geen sprake is van laakbaar handelen. Op dit verweer wordt hieronder zo nodig nader ingegaan.     

5.      DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

De positie van verweerder en verweerster

5.1

Verweerders zijn echtelieden en voeren samen een tandartspraktijk. Soms is niet kenbaar wie van hen beiden namens de praktijk naar buiten treedt, soms begint de een een e-mailwisseling en maakt de ander die af, verweerster laat haar standpunt vaak vertolken door verweerder en zowel in deze procedure als daarbuiten scharen verweerders zich geheel aan elkaars zijde. Daarom wordt bij de beoordeling alleen onderscheid tussen hen beiden gemaakt voor zover dat relevant is.

De ontvankelijkheid

5.2

Indien zoals hier een zorgverlener klaagt tegen een collega, is deze zorgverlener als rechtstreeks belanghebbende in zijn klacht ontvankelijk indien hij aannemelijk maakt dat hij een concreet eigen belang heeft dat geplaatst kan worden in het kader van de individuele gezondheidszorg. Dat is hier zonder meer het geval voor wat betreft de eerste drie klachtonderdelen. Daarin is aannemelijk gemaakt dat er sprake is van schending van de waarneemregeling, het zich grievend over klager uitlaten en het niet (tijdig, volledig en kosteloos) afgeven van dossiers. Voor wat betreft het klachtonderdeel dat betrekking heeft op de kwaliteit van de door verweerders verleende zorg, geldt het volgende. In het algemeen heeft een zorgverlener geen rechtstreeks belang als hij een klacht indient over de door een andere zorgverlener geleverde kwaliteit van zorg. In dit geval is echter aannemelijk gemaakt dat om diverse redenen (meer dan) 250 ontevreden patiënten zijn overgestapt van de praktijk van verweerders naar die van klager met alle problemen van dien voor klager. Daarbij heeft hij erop gewezen dat hij bij overgestapte patiënten weer het vertrouwen moet opbouwen, dat hij bij hen schade moet herstellen en dat hij bij het verlenen van de tandheelkundige zorg gehinderd wordt door de problemen die verweerders veroorzaken bij het afgeven van de dossiers. Derhalve heeft klager ook op dit onderdeel rechtstreeks belang bij het indienen van een klacht en kan hij dus volledig worden ontvangen in zijn klacht. 

Het inhoudelijke oordeel

5.3

Ingevolge artikel 47 van de Wet BIG zijn verweerders ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen aan tuchtrechtspraak onderworpen -kort gezegd- ter zake van handelen of nalaten ten opzichte van patiënten of diens naaste betrekkingen (de eerste tuchtnorm) en enig ander handelen in die hoedanigheid in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg (de tweede tuchtnorm).

Bij zijn inhoudelijk oordeel wijst het college erop, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen, zowel wat betreft de eerste tuchtnorm als wat betreft de tweede tuchtnorm, is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

Het eerste klachtonderdeel

5.4

Verweerders voeren aan dat het verbod op het gebruik van een antwoordapparaat niet inhoudt dat zij geen tandartsbemiddelingsbureau mogen inschakelen. Het gaat er in deze tuchtzaak niet om dat een beslissing wordt gegeven over wie op dit punt het gelijk aan zijn zijde heeft. Feit is echter dat verweerders binnen de D. alleen staan in hun uitleg van de Spoedregeling. Door die uitleg kunnen verweerders niet rechtstreeks gebeld worden, zijn zij minder toegankelijk in de spoeddiensten dan de overige tandartsen en vullen zij de spoeddiensten anders in dan wanneer de andere tandartsen spoeddienst hebben. Hierdoor wordt de kans op problemen voor patiënten (zoals die zijn genoemd door klager) vergroot. Verweerders hebben hiermee in strijd gehandeld met de zorg die zij als beroepsbeoefenaar behoren te betrachten ten opzichte van diens patiënten en, gelet op de hierboven weergegeven omstandigheden, ook anderszins in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg. Het klachtonderdeel is dus vanwege schending van zowel de eerste als de tweede tuchtnorm gegrond.

Het tweede klachtonderdeel

5.5

Door de e-mail van 13 juni 2018 aan de KNMT ook te sturen aan een patiënt, is door of op naam van verweerster een patiënt onnodig deelgenoot gemaakt van de vete die verweerders kennelijk ervaren tussen hen en klager en van de kritiek die verweerders hebben op klager. In de e-mailwisseling over de al dan niet arbeidsongeschiktheid van verweerster trad klager op als secretaris en coördinator spoeddiensten van de D.. Voor zover al van belang, hebben verweerders niet concreet gemaakt dat klager hierbij de privacy van verweerster heeft geschonden. Van hun zijde wordt echter binnen de D. fors en weinig professioneel van leer getrokken tegen klager. Het college wijst erop dat de KNMT-gedragsregels voor tandartsen in artikel 3.1 bepalen dat de tandarts in het belang van patiënten en van de professie zal streven naar een onderlinge verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen en dat de tandarts zich zal onthouden van het in het openbaar of ten opzichte van patiënten uiten van kritiek op een collega. In beide gevallen is sprake van een zodanige schending van deze gedragsregels dat sprake is van handelen als tandarts in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg (de tweede tuchtnorm). Het klachtonderdeel is eveneens gegrond.

Het derde klachtonderdeel

5.6

Verweerders zijn ingevolge artikel 456 van Boek 7 Burgerlijk Wetboek gehouden zo spoedig mogelijk een patiënt een afschrift te verstrekken van zijn dossier. In verband met de inwerkingtreding van de Algemene verordening gegevensbescherming mogen daarvoor per 25 mei 2018 niet langer kosten worden berekend. Verweerders hebben het afgeven van de dossiers nodeloos ingewikkeld gemaakt voor patiënten, hebben hun langer dan toegestaan kosten in rekening gebracht en hen verkeerd voorgelicht. Daarnaast is klager belemmerd in de zorg die hij deze patiënten vervolgens verleende. Dit klachtonderdeel betreft daarmee de eerste en de tweede tuchtnorm en slaagt dus ook.

Het vierde klachtonderdeel

5.7

Betreffende het vierde klachtonderdeel overweegt het college het volgende. De door klager genoemde aantallen overgestapte patiënten (inmiddels ruim meer dan 250, eenmaal 60 in een week en eenmaal 22 op een dag) zijn door verweerders slechts zeer ten dele betwist. Klager kan, voor zover hij nog daarover beschikt, met inschrijfformulieren aantonen dat een substantieel deel van deze patiënten is overgestapt vanwege de bij de feiten genoemde redenen. Het grote aantal overgestapte patiënten in combinatie met de reden die patiënten hiervoor geven, roept zeker de vraag op of de communicatie en de bejegening niet beneden de maat zijn. Echter dit is niet voldoende om in tuchtrechtelijke zin aan te nemen dat daadwerkelijk van onvoldoende kwaliteit van tandheelkundige zorg sprake is geweest. Klager heeft verder dit klachtonderdeel niet feitelijk onderbouwd. Dit klachtonderdeel kan daarom niet slagen.

De maatregel

5.8

Het college kan bij het bepalen van de op te leggen maatregel niet heen om de informatie die is verschaft door de IGJ en de zowel tegen verweerder als door hem en/of verweerster ingediende tuchtklachten, zoals met verweerder ter zitting besproken. Met name verweerder, maar ook verweerster via hem, vertoont in deze achtergrondinformatie hetzelfde gedrag als in de gegrond verklaarde klacht (C2015.450), namelijk het voortdurend in conflict komen met patiënten en met name met andere tandartsen. Verweerders hanteren daarbij kennelijk als stelregel dat de aanval de beste verdediging is. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat hij hiermee ook misstanden die hij in het algemeen in de tandheelkunde signaleert aan de kaak stelt. Klachten bij diverse instanties worden veelal als wapen ingezet. Klachten die even zo vaak weer worden ingetrokken dan wel niet-ontvankelijk zijn. Verweerder heeft zoals hij ter zitting heeft betoogd soms een punt, maar daar gaat het hier niet om. Het gaat om de conflicterende wijze waarop verweerders met anderen omgaan. Waarbij zij voor lief nemen dat tandartsen tegen wie zij klachten indienen en acties ondernemen, naar algemeen bekend is, zowel privé als professioneel daaronder te lijden hebben. Dit staat wel heel ver af van de wijze waarop volgens de geldende gedragsregels meningsverschillen moeten worden opgelost. Uiteindelijk hebben ook patiënten hieronder te lijden. En dat niet alleen doordat verweerders onjuist omgaan met de afgifte van dossiers maar ook doordat verweerders op oneigenlijke en onnodig harde wijze strijd voeren met collega’s. Alles bij elkaar genomen handelen verweerders hiermee in ernstige mate in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg.

Met verweerder is ter zitting besproken of hij en zijn echtgenote in staat zijn met meer terughoudendheid om te gaan met klachten tegen collega’s. Hij heeft toegezegd dat hij hierbij voortaan eerst het advies van andere tandartsen zal inwinnen en aan zijn advocaat zal overlaten of deze bereid is een klacht in te dienen. Het college acht het van groot belang dat de schade die wordt toegebracht door verweerders in de toekomst wordt teruggebracht. Het college zal daarom gezien de ernst van de normschending een schorsing van aanzienlijke duur opleggen, maar deze in het geval van verweerder voor een groot deel voorwaardelijk en in het geval van verweerster, vanwege haar geringere aandeel, geheel voorwaardelijk vaststellen.

5.9

Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal deze beslissing worden gepubliceerd.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden:

1.      Appellant en appellante in zaak C2019.177, echtelieden, zijn beiden tandarts en voeren gezamenlijk een praktijk in B.. Klager is eveneens tandarts. Hij voert binnen een afstand van 500 meter van de praktijk van appellanten eveneens een tandartsenpraktijk. Zijn echtgenote is als assistente in zijn praktijk werkzaam.

2.      De verstandhouding tussen appellanten en klager en zijn echtgenote is ronduit slecht. Deze wordt gekenmerkt door conflicten, onderling wantrouwen en uiteenlopende visies op (aspecten van) de beroepsuitoefening. Er worden over en weer klachten ingediend waardoor de verstandhouding verder verslechtert.

3.      De tandartsen maken allen deel uit van de D.  (hierna : de D.) die een dienstregeling heeft opgesteld voor de opvang van tandheelkundige spoedgevallen buiten praktijkuren. In de regeling is opgenomen dat de tandarts persoonlijk bereikbaar is en dat het gebruik van een antwoordapparaat niet is toegestaan.

4.      Op 12 mei 2018 had appellante in zaak C2019.177 dienst. Een patiënt van klager, F., heeft de spoeddienst gebeld wegens kiespijn en kreeg een tandartsbemiddelingsbureau aan de lijn die hem verwees naar de praktijk van appellanten. F. trof daar een dichte deur. Appellante in zaak C2019.177 heeft F. op 15 mei 2018 een excuusmail gestuurd en hem gewezen op de klachtenregeling van de KNMT. F. heeft daarop een klacht ingediend. In een email van 13 juni 2018 (door het Regionaal Tuchtcollege geciteerd op p. 4 van deze uitspraak) heeft appellante in zaak C2019.177 aan de KNMT haar ongenoegen geuit over de rol van klager in deze kwestie en een kopie daarvan gestuurd aan F..

5.      Van de tandartspraktijk van appellanten is in 2017 en 2018 een substantieel deel van de patiënten overgestapt naar de praktijk van klager. Over het exacte aantal verschillen partijen van mening.

6.      Klager verwijt de tandartsen dat zij in strijd handelen met een goede uitoefening van de gezondheidszorg omdat zij:

1.      Zich niet houden aan de afgesproken dienstregeling;

2.      Zich grievend uitlaten over een collega;

3.      Niet, niet volledig en niet kosteloos medische dossiers verstrekken;

4.      Zorg van onvoldoende kwaliteit verlenen.

7.        Het Regionaal Tuchtcollege heeft in deze zaak de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) gehoord buiten aanwezigheid van partijen.

4.         Beoordeling van het beroep

De omvang van het geding

4.1       De tandarts is in beroep gekomen, omdat hij het niet eens is met de gegrondverklaring van de klachtonderdelen 1, 2 en 3 en met de opgelegde maatregel. De tandarts verzoekt het Centraal Tuchtcollege de klachtonderdelen 1, 2 en 3 alsnog ongegrond te verklaren.

4.2       Klager is het daar niet mee eens en verzoekt het Centraal Tuchtcollege het beroep te verwerpen.     

4.3       Tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 4 is door klager geen beroep ingesteld.  Dit klachtonderdeel is daarom niet meer aan de orde.

4.4       Het Centraal Tuchtcollege wijst allereerst op het volgende. Partijen hebben in deze procedure over en weer veel onderwerpen naar voren gebracht die kennelijk bedoeld zijn om de ander in een kwaad daglicht te stellen. Een groot aantal onderwerpen houdt echter geen verband met de klachtonderdelen 1, 2 en 3. Dit geldt bijvoorbeeld voor de bij het Regionaal Tuchtcollege namens de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) afgelegde verklaring over het aantal door de tandarts bij de IGJ ingediende klachten over collega-tandartsen en het aantal door de tandarts en zijn echtgenote geregistreerde handelsnamen. Zaken waarover niet is geklaagd vallen buiten de omvang van dit geding en zullen door het Centraal Tuchtcollege daarom bij de beoordeling van het beroep buiten beschouwing worden gelaten. Het Centraal Tuchtcollege zal alleen ingaan op de feiten en standpunten die relevant zijn voor de beoordeling van de klachtonderdelen 1, 2 en 3. Het medisch tuchtrecht heeft tot doel de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg te bewaken en te bevorderen en de patiënt te beschermen tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen van een zorgverlener. Het gaat daarbij om een algemeen belang. Het medisch tuchtrecht is niet bedoeld en ook niet geschikt om een oordeel te vellen over ernstig verstoorde verhoudingen tussen zorgverleners onderling. Dit is alleen anders als door die verstoorde verhoudingen risico’s ontstaan voor de kwaliteit van de patiëntenzorg.

De wijze van beoordelen van de klacht

4.5       Klager heeft tegen beide tandartsen een gelijkluidende klacht ingediend. Het Regionaal Tuchtcollege heeft in de bestreden beslissing overwogen dat bij de beoordeling van de klacht alleen onderscheid tussen de beide tandartsen, die samen een praktijk voeren, wordt gemaakt voor zover dat relevant is. Het Centraal Tuchtcollege is het niet eens met deze wijze van beoordelen. In het medisch tuchtrecht geldt immers als uitgangspunt dat een klacht slechts gegrond kan worden bevonden als er sprake is van persoonlijke verwijtbaarheid van de aangeklaagde zorgverlener. Dat de tandartsen gezamenlijk een praktijk uitoefenen maakt dat niet anders.

4.6       Het Centraal Tuchtcollege zal hierna eerst per klachtonderdeel bezien of klager klachtgerechtigd is, dat wil zeggen of klager kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende, als bedoeld in artikel 65, lid 1, onder a, van de Wet op de Beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Klager moet bij het indienen van de klacht een concreet en rechtstreeks belang hebben dat verband houdt met de individuele gezondheidszorg. Wanneer dit het geval is (en het handelen waarover wordt geklaagd onder de werkingssfeer van de eerste dan wel tweede tuchtnorm valt, als bedoeld in artikel 47, lid 1, onder a en b, van de Wet BIG), zal vervolgens worden beoordeeld of de tandarts, gelet op de feiten, hier persoonlijk een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Klachtonderdeel 1

4.7       Klachtonderdeel 1 houdt in dat de tandarts zich niet heeft gehouden aan de binnen de D. gemaakte afspraken over de opvang van tandheelkundige spoedgevallen, zoals neergelegd in de Regeling voor de opvang van tandheelkundige spoedgevallen buiten praktijkuren (hierna: de Spoedregeling). Hierin is over de bereikbaarheid van de dienstdoende tandarts opgenomen dat deze persoonlijk bereikbaar is en dat het gebruik van een antwoordapparaat niet is toegestaan. Volgens klager betekent dit dat het de tandarts niet was toegestaan om tijdens spoeddiensten gebruik te maken van de diensten van een tandartsbemiddelingsbureau. Hij wijst er daarbij op dat in vergaderingen van de D. andere deelnemers de tandarts hier herhaaldelijk op hebben gewezen.

4.8       Indien de deelnemende tandarts zich niet aan de gemaakte afspraken van de Spoedregeling houdt wordt de D. als zodanig daardoor rechtstreeks in zijn belang geraakt. Het eigen belang van de D. is gelegen in een adequaat functionerende opvangregeling voor de patiënten van de deelnemende tandartsen.  Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt niet dat klager de klacht heeft ingediend namens de D. in zijn hoedanigheid van secretaris van de D. of dat hij daartoe door de D. is gemachtigd. Klager heeft de klacht ingediend op persoonlijke titel. Klager heeft naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege daarbij geen eigen belang maar een van de D. afgeleid belang. Klager is in dit geval dus geen rechtstreeks belanghebbende, als bedoeld in voormeld artikel 65, lid 1, onder a, Wet BIG  bij klachtonderdeel 1. Het Centraal Tuchtcollege is het daarom niet eens met het Regionaal Tuchtcollege dat klager in klachtonderdeel 1 kan worden ontvangen. Dat college heeft dit klachtonderdeel dus ten onrechte inhoudelijk beoordeeld. Het Centraal Tuchtcollege zal daarom de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege op dit punt vernietigen en klager alsnog niet-ontvankelijk verklaren in zijn klacht.

Klachtonderdeel 2

4.9       Klachtonderdeel 2 houdt in dat de tandarts zich grievend heeft uitgelaten over klager, een collega-tandarts. Klager doelt daarbij – zo is ter terechtzitting door hem bevestigd – vooral op de e-mail van 13 juni 2018 aan de klachtenservice van de KNMT. Hierin wordt gesproken over de ‘lopende vete’ van klager tegen de praktijk van de tandarts en wordt ook kritiek geleverd op het handelen van klager. Patiënt F. heeft deze e-mail in kopie ontvangen. Volgens klager wordt hij door de inhoud van de e-mail bij een patiënt van hem in diskrediet gebracht.

4.10     Klager wordt door dit handelen rechtstreeks in zijn belang geraakt. Dit belang heeft ook te maken met de individuele gezondheidszorg, omdat het van invloed kan zijn op het vertrouwen dat patiënt F. in hem als zorgverlener heeft. Klager is dus rechtstreeks belanghebbende, als bedoeld in voormeld artikel 65, lid 1, onder a van de Wet BIG. Het handelen valt onder de werkingssfeer van de tweede tuchtnorm, als bedoeld in artikel 47, eerste lid, onder b, van de Wet BIG. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager dus terecht in klachtonderdeel 2 ontvangen.

4.11     Wat de feiten betreft, is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat niet is gebleken en door klager ook niet aannemelijk is gemaakt dat de e-mail van 13 juni 2018 afkomstig is van de tandarts. De e-mail is verzonden vanaf het e-mailadres van de echtgenote van de tandarts en ook door haar ‘ondertekend’. De verdere inhoud van de e‑mail leidt ook niet tot de conclusie dat de e-mail desondanks door de tandarts is verstuurd. Dit betekent dat de tandarts niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de inhoud van de e-mail en dat hem hiervan geen persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Het Centraal Tuchtcollege is het daarom niet eens met het Regionaal Tuchtcollege dat klachtonderdeel 2 gegrond is. Het Centraal Tuchtcollege zal dit deel van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege vernietigen en de tweede klacht alsnog ongegrond verklaren.

Klachtonderdeel 3

4.12     Klager stelt dat tussen medio 2017 en medio 2018 ongeveer 250 patiënten zijn overgestapt van de praktijk van de tandarts naar de praktijk van klager. Klachtonderdeel 3 houdt in dat de tandarts keer op keer heeft nagelaten de patiëntendossiers van de patiënten die de overstap naar de praktijk van klager hebben gemaakt aan klager of die patiënten te verstrekken, dan wel dit niet volledig, niet tijdig of niet kosteloos heeft gedaan. Dit ondanks herhaalde verzoeken van de betrokken patiënten, aldus klager.

4.13     Klager wordt door dit handelen van de tandarts rechtstreeks in zijn belang geraakt en dit belang heeft ook te maken met de individuele gezondheidszorg. Niet uitgesloten is immers dat hij hierdoor als opvolgend tandarts van de overgestapte patiënten wordt gehinderd in het leveren van goede tandheelkundige zorg. Het handelen van de tandarts waarover wordt geklaagd valt onder de werkingssfeer van de eerste en tweede tuchtnorm, als bedoeld in artikel 47, eerste lid, onder a en b, van de Wet BIG. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager dus terecht in klachtonderdeel 3 ontvangen.

4.14     Wat de feiten betreft is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat niet is komen vast te staan en klager ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat de tandarts (stelselmatig) heeft geweigerd om aan overgestapte patiënten hun dossiers te verstrekken of dat bij hem sprake was van onwil om dit te doen. Ter terechtzitting is hierover van de zijde van de tandarts verklaard dat binnen zijn praktijk een protocol bestaat voor het op verzoek verstrekken van een patiëntendossier. Dit is nader toegelicht en daarbij is aangegeven dat patiënten normaal gesproken ongeveer twee tot drie weken nadat zij daarom hebben gevraagd, bij uitzondering na vier weken, het patiëntendossier, dat dan op een cd is gebrand, bij de praktijk kunnen ophalen.

4.15     Een deel van de overgestapte patiënten, zo is ter terechtzitting naar voren gekomen, heeft de tandarts echter nooit om verstrekking van het patiëntendossier gevraagd. Een ander deel heeft dit wel gedaan en daadwerkelijk – ook volgens klager –  een cd met daarop het dossier van de tandarts ontvangen. De stukken in deze zaak bevatten onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat de tandarts in nog andere, concrete gevallen, in afwijking van de door hem geschetste werkwijze, steevast heeft geweigerd om de patiëntendossiers te verstrekken, dan wel niet tijdig heeft verstrekt. Klager heeft dit klachtonderdeel naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege onvoldoende geconcretiseerd en ook niet met bewijsstukken onderbouwd.

4.16     Het Centraal Tuchtcollege acht het, gelet op de stukken, wel mogelijk dat de praktijk van de tandarts, in strijd met de Algemene verordening gegevensbescherming, gedurende enige tijd na de inwerkingtreding daarvan in mei 2018, voor het verstrekken van het dossier aan patiënten nog een vergoeding heeft gevraagd. Het lijkt aannemelijk dat hij er aanvankelijk nog niet van op de hoogte was dat de wettelijke regeling in dit opzicht is gewijzigd. Ter terechtzitting heeft de tandarts dit overigens tegengesproken. Wat daarvan ook zij, niet is gebleken dat de tandarts in die periode een patiëntendossier niet heeft willen verstrekken aan een naar de praktijk van klager overgestapte patiënt, om de enkele reden dat hij daarvoor geen vergoeding kreeg. Dat dit het geval zou zijn is door klager niet geconcretiseerd en ook niet met bewijsstukken onderbouwd.  

4.17     Alles overziende, ziet het Centraal Tuchtcollege onvoldoende grond om te oordelen dat de tandarts heeft gehandeld in strijd met de in artikel 7:456 van het Burgerlijk Wetboek opgenomen verplichting om desgevraagd aan patiënten een afschrift van het patiëntendossier te verstrekken. Dit betekent dat het Regionaal Tuchtcollege ook klachtonderdeel 3 ten onrechte gegrond heeft verklaard. Ook dit onderdeel van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege zal worden vernietigd en het klachtonderdeel zal alsnog ongegrond worden verklaard.

conclusie

4.18     Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, komt het Centraal Tuchtcollege tot het oordeel dat het beroep van de tandarts slaagt. De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege zal worden vernietigd, voor zover deze betrekking heeft op de gegrondverklaring van de klachtonderdelen 1, 2 en 3 waarvoor aan de tandarts een maatregel is opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege zal, opnieuw rechtdoende, klager niet‑ontvankelijk verklaren in klachtonderdeel 1 en de klachtonderdelen 2 en 3 alsnog ongegrond verklaren. Dit betekent dat de aan de tandarts opgelegde maatregel komt te vervallen.

4.19     Om redenen aan het algemeen belang ontleend gelast het Centraal Tuchtcollege de publicatie van deze uitspraak.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

vernietigt de beslissing waarvan beroep, voor zover deze betrekking heeft op de klachtonderdelen 1, 2 en 3;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart klager niet-ontvankelijk in klachtonderdeel 1 en verklaart de klachtonderdelen 2 en 3 ongegrond;

verstaat dat de opgelegde maatregel van (deels voorwaardelijke) schorsing van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 48 lid 1 onder d van de  Wet BIG voor de duur van

6 maanden komt te vervallen;

bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aan­geboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie, Dentz magazine en het Nederlands Tandartsenblad met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is gegeven door: C.H.M. van Altena, voorzitter; J. Legemaate en

R. Prakke-Nieuwenhuizen, leden‑juristen en M. Fokke en R. van der Velden, leden-beroepsgenoten, en E.D. Boer, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2020.

Voorzitter  w.g.                      Secretaris  w.g.