Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZCTG:2020:72 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.123

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2020:72
Datum uitspraak: 03-03-2020
Datum publicatie: 05-03-2020
Zaaknummer(s): c2019.123
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht tegen gz-psycholoog. Klager en klaagster zijn de broer respectievelijk dochter van de overleden patiënte. Patiënte verbleef in verband met een suïcide poging vanaf maart 2017 tot en met 6 juni 2017 op de gesloten afdeling van een zorginstelling waar verweerster, gz-pyscholoog, werkzaam was. Op laatstgenoemde datum is patiënte overgeplaatst naar de woongroep waar zij eerder verbleef. Verweerster was gedurende de opname op de gesloten afdeling medebehandelaar van patiënte. Zij maakte onderdeel uit van een multidisciplinair team. In augustus 2017 is patiënte door suïcide overleden. Klagers verwijten verweerster in verband met het overlijden van patiënte dat zij in strijd heeft gehandeld met de zorg die zij behoorde te betrachten. Verweerster zou geen oog hebben gehad voor de gezondheidstoestand van patiënte maar uitsluitend bestuurlijk beleid hebben uitgevoerd, met de dood van patiënte tot gevolg. Patiënte was aangewezen op behandeling in een veilige omgeving maar er is geen enkele poging gedaan om patiënte te laten opnemen in een veiliger instelling. Patiënte is door verweerster aan haar lot overgelaten. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege komt, zij het op andere gronden, tot datzelfde oordeel en verwerpt het door klagers ingestelde beroep.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2019.123 van:

C. en D., beiden wonende te E., appellanten, klagers in eerste aanleg,

tegen

H., gz-psycholoog, werkzaam te E., verweerster in beide instanties, gemachtigde: mr. J.M. de Vries te Eindhoven.

1.                  Verloop van de procedure

C. en D. - hierna klagers - hebben op 20 augustus 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen H. - hierna de gz-psycholoog - een klacht ingediend. Bij beslissing in raadkamer van 5 april 2019, onder nummer 18134c, heeft dat College de klacht afgewezen. Klagers zijn van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De gz-psycholoog heeft een verweerschrift in beroep ingediend. De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaken C2019.092 en C2019.093 behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 9 januari 2020, waar zijn verschenen klager C. en de gz-psycholoog, laatstgenoemde bijgestaan door mr. De Vries. Klager trad ook op als gemachtigde van klaagster D.. De zaak is over en weer bepleit. Klager en mr. De Vries hebben dat mede gedaan aan de hand van schriftelijke aantekeningen die zij aan het Centraal Tuchtcollege hebben overgelegd.

2.                  Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Klager is de broer van wijlen mevrouw AA., geboren in 1966 en overleden op

17 augustus 2017 (hierna aangeduid als: patiënte). Klager was tevens haar mentor en bewindvoerder. Klaagster is één van de twee dochters van patiënte. Patiënte was bekend met schizofrenie van het paranoïde type en zwakbegaafdheid. De ex-man van patiënte was reeds overleden. Op 14 december 2012 is patiënte geplaatst in een zorginstelling. In 2016 is zij vandaaruit overgeplaatst naar een woongroep. Zij verbleef daar op vrijwillige basis en werd ambulant behandeld door een psychiater van het FACT-team. Aanvankelijk gebruikte patiënte medicatie in de vorm van een Xeplion-depot. Op initiatief van de toenmalige behandelaar is deze medicatie in

juni 2016 omgezet in oraal Risperdal (risperidon), 2 mg. Vanaf medio maart 2017 is een andere FACT-psychiater (hierna: de FACT-psychiater) bij de behandeling van patiënte betrokken. Klagers hebben tegen deze FACT-psychiater ook een klacht bij dit tuchtcollege ingediend.

In het zorgdossier van patiënte staat bij de datum van 28 december 2016 genoteerd (alle citaten inclusief eventuele taal- en/of typefouten):

“(…) [naam patiënte; college] heeft zeep gedronken, wilde dood. (…)”

Bij de datum van 11 maart 2017 staat in het zorgdossier van patiënte genoteerd:

“rapportage ivm crisiscontact. (…) gebeld ivm inname douchegel/handzeep als suicide poging. somatisch geen gevaar aldus HAP. (…)”

In het zorgdossier van patiënte staat bij de datum van 12 maart 2017 genoteerd:

“(…) Om 14.45 belde de zus van dat [naam patiënte; college] gezien is door naaste bekenden van de familie bij het kanaal, mw is in het kanaal gelopen en meteen door omstanders eruit gehaald. (…)”

Op dezelfde dag is patiënte in het ziekenhuis opgenomen vanwege een (mogelijke) longinfectie.

Op 14 maart 2017 is patiënte in het ziekenhuis gezien door de FACT-psychiater. In het zorgdossier van patiënte heeft deze bij de datum van 14 maart 2017 te 14:45 uur het volgende genoteerd:

“Advies: opnemen op een afdeling, instellen op xeplion volgens protocool, ontslag na oefenen met verlof en goede afspraken met de familie, FACT [plaatsnaam; college] doet mee in de beoordeling wanneer cliente terug naar het [naam woongroep waar patiënte tot ziekenhuisopname had verbleven, hierna: woongroep; college] kan. Gezien het effect van Xeplion depot in het verleden, de kans is groot dat cliente snel opknapt na instellen op de depot. i.p. ontslag niet eerder dan de 2de depot dosis.”

Op 17 maart 2017 is patiënte uit het ziekenhuis ontslagen. Zij is vervolgens vrijwillig opgenomen op de (gesloten) crisisafdeling voor mensen met een licht verstandelijke beperking en psychiatrische problematiek van de zorginstelling waar zij vanaf

14 december 2012 tot in 2016 had verbleven. Een collega van verweerster werd vanaf het moment van opname hoofdbehandelaar en heeft het opnamegesprek gevoerd. Verweerster was als gz-psycholoog een van de medebehandelaars van patiënte. Verweerster heeft naar aanleiding van het opnamegesprek van haar collega een behandelplan opgesteld waar het haar expertise betrof. Patiënte werd ingesteld op depotmedicatie. Doel van de behandeling was stabilisatie door instelling op depot. Eind april was naar het oordeel van de hoofdbehandelaar voldaan aan de beschreven opnamedoelen en werd een ontslaggesprek gepland. Bij de datum 28 april 2017 te 11:00 uur schrijft een collega van verweerster in het zorgdossier van patiënte:

“De broer van pte. belt: hij is benaderd voor een ontslaggesprek op 4 mei a.s. maar hij is van mening dat ze niet terug kan naar [naam woongroep; college]. Het risico dat ze weer een suicidale actie onderneemt blijft aanwezig, vindt hij, want volgens broer zegt ze, als haar daar naar gevraagd wordt, dat ze hoopt dat ze het niet weer doet. Hij beaamt dat ze het na het starten van het depot even beter maakte, maar vindt dat het nu weer wat minder gaat.

Ik heb aangegeven dat de vraag bij opname was hervatten van depot zodat ze weer gaat functioneren zoals voorheen toen ze op depot was ingesteld. En dat er nog overleg plaats vindt met betrokkenen.

Broer vindt zelfs dat ze niet alleen 24-uurstoezicht maar ook een gesloten deur nodig heeft. Ik heb al wel benoemd dat plaatsen met een gesloten deur nog maar heel weinig bestaan.”

Het ontslaggesprek werd uiteindelijk verzet naar 11 mei 2017, omdat op 4 mei 2017 het FACT-team niet kon aansluiten. Bij de datum 11 mei 2017 te 15:00 uur heeft verweerster in het zorgdossier van patiënte het volgende genoteerd:

“(…)

Evaluatiegesprek/ontslaggesprek:

Afwezig: broer=mentor.

Aanwezig: pte, [naam; college] spv FACT, [naam; college], begeleiding [naam woongroep; college, vpk [naam; college].

Zus zou ipv broer aansluiten. Was echter verkeerd gereden. Met vpk [naam; college] afgesproken dat zij zus bijpraat over het gesprek, het beleid.

evaluatie: indruk van het FACT is dat patiente het al vrij snel behoorlijk goed maakt, zoals pte is als ze in goede doen is. Echter, sinds een week een wat meer wisselend beeld en mede daarom wat meer zorgen vanuit de begeleiding van de [naam woongroep; college] of ze wel terug kan op dit moment. Aangegeven dat pte het al die tijd goed gemaakt heeft, het mogelijk spannend vindt om terug te gaan. Pte hier op bevragen is eigenlijk niet mogelijk. Je krijgt geen betrouwbaar en heldere informatie van pte. Van belang is daarom op het gedrag te varen. Ten einde te toetsten of patiente het inderdaad beter, goed blijft maken spreken we af een plan van terugkeer te maken, zodat pte kan wenne, de begeleiding, maar ook fam. (…)

Begeleiding [naam woongroep; college] en FACt zijn het eens met voorgesteld beleid.

Vpk [naam; college] zal in overleg met hen en familie een plannetje maken, met max. 3 weken. Pte wil graag sneller over. Indien mogelijk kan zij wat betreft ook eerder met ontslag in overleg met [naam woongroep; college].”

Bij de datum 11 mei 2017 te 20:37 uur is door de verpleegkundige in het zorgdossier van patiënte genoteerd:

“Vanmiddag zus ingelicht over het plan om terug te werken naar [naam woongroep; college]. Vind dit toch wel erg moeilijk maar begrijpt dat opnamedoelen behaald zijn. Familie is wel heel angstig voor herhaling. Zou aan broer doorgeven contact met mij te zoeken om e.e.a. af te spreken. [Naam patiënte; college] geeft in het gesprek aan dat ze niet met de taxi wil gaan. Is bang voor vreemde mensen om met hen mee te gaan. Familie is dus erg belangrijk in terugwerken naar [naam woongroep; college]. Broer belde later op de avond terug. Gaf aan ingelicht te zijn door zus, maar zoals hij altijd al aan heeft gegeven is hij niet eens met beleid hier. Weigert dus om mee te werken met terugkeer [naam woongroep; college], dit zou dan inhouden dat [naam patiënte; college] daar niet naartoe kan om op te bouwen (aangezien zij weigert om met ander vervoer te gaan). (…)”

Een plan van terugkeer, zodat patiënte zou wennen aan de woongroep, is niet gerealiseerd.

Bij de datum 6 juni 2017 te 14:45 uur staat in het zorgdossier van patiënte genoteerd:

“Is vandaag met ontslag gegaan (…) Tegen de wens van de familie in. (…)”

Vanaf dat moment verbleef patiënte in de eerder genoemde woongroep en is verweerster niet meer bij de behandeling van patiënte betrokken. Op 17 augustus 2017 pleegt patiënte vervolgens suïcide.

3. Het standpunt van klagers en de klacht

Klagers verwijten verweerster in verband met het overlijden van de patiënte dat zij in strijd heeft gehandeld met de zorg die zij behoorde te betrachten. Zij zou geen oog hebben gehad voor de gezondheidstoestand van patiënte maar uitsluitend bestuurlijk beleid hebben uitgevoerd, met de dood van patiënte tot gevolg. Patiënte was aangewezen op behandeling in een veilige omgeving maar er is geen enkele poging gedaan om patiënte op te laten nemen in een veiligere instelling. Patiënte is door verweerster aan haar lot overgelaten.

4. Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft – kort en zakelijk weergegeven – als volgt gereageerd. Zij raakte betrokken bij de behandeling van patiënte na haar ontslag vanuit het ziekenhuis. Het doel van de opname was het instellen op depotmedicatie en het stabiliseren van patiënte naar het (toestands)beeld van voor de afbouw van het depot (juni 2016). Eind april 2017 was volgens het team voldaan aan dit opnamedoel, waardoor ontslag van de gesloten crisisafdeling aan de orde was. Daarnaast gaf patiënte aan dat zij graag terug wilde naar de woongroep. Er werden ook geen termen aanwezig geacht voor een gedwongen voortzetting van het verblijf bij de instelling. Het ‘terugwenplan’ is gemaakt met als doel om te toetsen of patiënte zich goed genoeg voelde om met ontslag te kunnen. In de dagen en weken die volgen na het ontslaggesprek werd geen achteruitgang in patiëntes toestandsbeeld waargenomen.

Verweerster heeft op 26 mei 2017 nog met een andere behandelaar overlegd over het bezwaar dat klager ten aanzien van het ontslag had, waarbij verweerster heeft aangegeven zelf wel achter het ontslag te staan vanwege de stabiele situatie van patiënte. Verweerster stelt zich op het standpunt dat zij niet meer kon doen da zij heeft gedaan en dat er op 6 juni 2017 geen contra-indicaties voor het ontslag van patiënte waren.

5. De overwegingen van het college

Het college is van oordeel dat de klacht ongegrond is en overweegt daartoe als volgt.

De invulling van de rol van verweerster is vastgelegd in het behandelplan. In de

behandelovereenkomst staat de discipline van verweerster (‘pso’) vermeld als een van de disciplines die betrokken is bij de opname en bij de beoordeling van het toekennen van onbegeleide vrijheden. Dit zijn de enige taken die haar in deze casus zijn toebedeeld, zo blijkt uit het behandelplan. Het college is van oordeel dat verweerster in het licht van deze toebedeelde taken heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam handelend gz-psycholoog mag worden verwacht. Zij heeft zorgvuldig gewerkt rondom het opstellen en bespreken van het behandelplan. Van het toekennen van vrijheden is geen sprake geweest, althans dit blijkt niet uit de overlegde voortgangsrapportage. Verweerster is niet betrokken geweest hij de

verdere beoordeling van de vraag of patiënte voldoende was ingesteld op depotmedicatie en of zij kon worden ontslagen. Dit lag ter beoordeling bij de hoofdbehandelaar. Gesteld noch gebleken is dat verweerster is gevraagd daarover haar professioneel oordeel te geven.

Verweerster kan dan ook niet worden verweten dat zij geen poging heeft gedaan om patiënte te laten opnemen in een veiligere instelling. Voor zover de klacht mede aldus zou moeten worden begrepen dat van verweerster een meer actieve rol had mogen worden verwacht, kan het college dit niet onderschrijven. De werkwijze binnen de instelling was zo ingericht dat iedere discipline een eigen taak en verantwoordelijkheid had, dat de hoofdbehandelaar daar waar nodig gebruik kon maken van iedere discipline en dat binnen het MDO een afstemming plaatsvond. Op grond waarvan dan van verweerster een meer actieve houding mocht worden verwacht en het ontbreken daarvan een tuchtrechtelijk verwijt oplevert, hebben klagers niet toegelicht. De verwijten treffen naar het oordeel van het college dan ook geen doel.”

3.                  Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor onder “2. De feiten” zijn weergegeven, met dien verstande dat het Centraal Tuchtcollege opmerkt dat de FACT-psychiater niet vanaf medio maart 2017 maar vanaf januari 2017 bij de behandeling van patiënte betrokken is geweest.

4.                  Beoordeling van het beroep

Procedure

4.1       In beroep is de schriftelijke klacht over het beroepsmatig handelen/nalaten van de gz-psycholoog nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van die in eerste aanleg geformuleerde klacht en het daarover in eerste aanleg door partijen gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 9 januari 2020 is dat debat voortgezet.

4.2              In beroep hebben klagers hun klacht herhaald en nader toegelicht. Het beroep strekt ertoe dat de klacht alsnog gegrond wordt verklaard.

4.3       De gz-psycholoog heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

Beoordeling

4.4       Het Centraal Tuchtcollege stelt voorop dat klagers in beroep alleen die klachten ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege kunnen voorleggen die onderdeel waren van de oorspronkelijke klacht, zoals voorgelegd aan het Regionaal Tuchtcollege. Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep. Voor zover in beroep sprake is van uitbreiding van de klacht, kunnen klagers daarin dus niet worden ontvangen.

4.5       Anders dan het Regionaal Tuchtcollege heeft overwogen, is de gz-psycholoog wel degelijk betrokken geweest bij de besluitvorming rondom de terugplaatsing van patiënte vanuit de zorginstelling naar de woongroep. Zij heeft hierbij weliswaar geen doorslaggevende beslissingsbevoegdheid gehad – dat had de regiebehandelaar van patiënte –, maar zij heeft hierover wel haar oordeel gegeven, als lid van een multidisciplinair team. In dat verband rapporteerde de gz-psycholoog aan en overlegde zij met de regiebehandelaar. Op basis van haar eigen contact met patiënte en de waarnemingen van de (dagelijkse) begeleiding van patiënte (en de rapportages in dit verband), kon de gz-psycholoog naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege in redelijkheid als haar oordeel geven dat patiënte stabiel genoeg was om te kunnen terugkeren naar de woongroep. De gz-psycholoog heeft zich aldus op een juiste wijze gekweten van haar taak binnen het multidisciplinaire team. Van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen in deze is het Centraal Tuchtcollege niet gebleken. 

4.6       Met het Regionaal Tuchtcollege, zij het op andere gronden, komt het Centraal Tuchtcollege dus tot het oordeel dat de klacht van klagers ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat het beroep van klagers zal worden verworpen. 

5.                  Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verklaart klagers niet-ontvankelijk in het beroep voor zover zij in beroep nieuwe klachten hebben ingediend;

verwerpt het beroep voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door: E.J. van Sandick, voorzitter; B.J.M. Frederiks en

A. Smeeïng-van Hees, leden-juristen en E.D. Berkvens en B. van Giessen, leden-beroepsgenoten en N. Germeraad-van der Velden, secretaris.

       Uitgesproken ter openbare zitting van 3 maart 2020.

                        Voorzitter   w.g.                                             Secretaris  w.g.