ECLI:NL:TGZCTG:2020:230 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.064

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2020:230
Datum uitspraak: 18-12-2020
Datum publicatie: 18-12-2020
Zaaknummer(s): c2020.064
Onderwerp: Schending beroepsgeheim
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht tegen huisarts. Klaagster heeft eind 2016 haar huurwoning moeten verlaten en was nadien met haar zoon dakloos geworden. De klacht houdt in dat de huisarts (a) heeft geweigerd een kopie van haar volledige dossier aan haar te doen toekomen, (b) haar ten onrechte niet heeft verwezen naar de juiste hulpverlener en geen adequate hulp heeft verleend voor haar klachten, (c) zijn beroepsgeheim heeft geschonden en zonder toestemming van klaagster informatie aan maatschappelijk werk heeft verstrekt en (d) vanaf september 2019 haar alle hulp heeft geweigerd. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2020.064 van:

A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,

tegen

C., huisarts, werkzaam te D., verweerder in beide instanties,

gemachtigde: mr. J.S.M. Brouwer, verbonden aan DAS Rechtsbijstand.

1.         Verloop van de procedure

A. – hierna klaagster – heeft op 30 september 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen C. – hierna de huisarts – een klacht ingediend. Bij beslissing van

16 januari 2020, onder nummer 19/374, heeft dat college de klacht kennelijk ongegrond verklaard.

Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De huisarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 27 november 2020, waar zijn verschenen klaagster, in persoon, en de huisarts, in persoon en bijgestaan door mr. J.S.M. Brouwer, voornoemd.

Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2.       De feiten

Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1.      Klaagster staat sinds 15 juni 2016 als patiënte ingeschreven in de huisartsenpraktijk waar onder meer verweerder huisarts is.

2.2.      Op 7 december 2016 is klaagster met haar zoon uit haar huurwoning gezet en dakloos geworden.

2.3       Op 12 januari 2017 heeft klaagster het spreekuur van verweerder bezocht en haar situatie besproken. In overleg met klaagster heeft verweerder contact opgenomen met het maatschappelijk werk van het dorpsteam van D.. Hij heeft daarbij vernomen dat er al uitgebreid contact met klaagster is geweest en dat haar hulp is aangeboden.

2.4.      Op 23 januari 2017 heeft klaagster telefonisch contact gehad met POH GGZ. Klaagster heeft meegedeeld geen contact met maatschappelijk werk te willen omdat die in het complot zitten. De POH heeft een telefonische vervolgafspraak met klaagster gemaakt.

2.5.      Op 1 februari 2017 heeft klaagster telefonisch contact met de POH GGZ gehad. Klaagster heeft daarin gezegd dat niemand iets voor haar doet.

2.6.      Op 20 februari 2017 heeft de huisartsenpraktijk van verweerder een verzoek van klaagster ontvangen om een kopie van haar dossier digitaal naar haar te sturen. Een vervanger van verweerder heeft meegedeeld dat zij een papieren dossier kan ontvangen, nadat hij het dossier van haar voormalige huisartsen heeft gelezen. Hij heeft met klaagster afgesproken dat een kopie van het dossier vanaf 27 februari 2017 klaarligt.

2.7.      Klaagster heeft op 9 maart 2017 de kopie van haar dossier en de gegevens van haar voorgaande huisartsen opgehaald.

2.8.      Op 10 augustus 2017 heeft klaagster het spreekuur van verweerder bezocht in verband met hypertensie. Zij heeft bij die gelegenheid aangegeven dat zij haar dossier wil inzien en het niet eens is met hoe dingen zijn verwoord. Ook heeft zij gezegd dat zij de opmerking van verweerder, dat zij van huisarts moet veranderen, als beroerd heeft ervaren.

2.9.      Klaagster heeft nog een paar keer een consult bij verweerder gehad in verband met klachten van hypertensie. Daarbij heeft verweerder het verzoek om van huisarts te veranderen herhaald.

2.10.    Verweerder heeft, nadat het eind september 2018 onmogelijk bleek telefonisch contact met klaagster te krijgen, de herhaalservice voor klaagster bij de apotheek stopgezet.

2.11.    Op 19 december 2018 heeft verweerder telefonisch contact met klaagster gehad. Daarin zegt klaagster onder meer dat zij haar dossier mist.

2.12.    Op 3 januari 2019 heeft verweerder tijdens een telefonisch contact met klaagster meegedeeld dat haar dossier klaarligt.

2.13.    Op 8 januari 2019 heeft een klachtfunctionaris van SKGZ telefonisch aan verweerder meegedeeld dat klaagster een klacht tegen hem heeft ingediend. De uitspraak op deze klacht van 15 augustus 2019 luidt dat alle onderdelen ongegrond verklaard zijn.

2.14.    Op 10 januari 2019 heeft verweerder klaagster gezien op zijn spreekuur. Bij die gelegenheid heeft hij klaagster nogmaals een kopie van haar dossier verstrekt.

2.15.    In augustus 2019 heeft verweerder klaagster nogmaals gezien op zijn spreekuur.

3.         De klacht en het standpunt van klaagster

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder:

a.                  in strijd met de richtlijn van het KNMG heeft geweigerd een kopie van haar volledige dossier aan haar te doen toekomen. Het dossier bevat bovendien onjuistheden over haar;

b.                  haar ten onrechte niet heeft doorverwezen naar de juiste hulpverlener voor het verwerken van het trauma van 7 december 2016 en geen adequate hulp heeft verleend voor haar klachten van onder andere stress, depressiviteit, moeheid, slaapproblemen;

c.                  zijn beroepsgeheim heeft geschonden. Hij heeft informatie over klaagster aan maatschappelijk werk D. verstrekt zonder toestemming van klaagster;

d.                  vanaf 25 september 2019 alle hulp heeft geweigerd, waaronder de bloeddrukcontrole. Verweerder wil haar weghebben en gedraagt zich daarbij intimiderend.

4.         Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1.      Verweerder heeft aangevoerd dat klaagster driemaal een kopie van haar dossier is verstrekt, op 9 maart 2017, op 28 december 2017 en op 10 januari 2019. Klaagster heeft dit ook niet betwist. Voor zover klaagster bedoelt dat de kopieën niet haar volledige dossier betreffen, overweegt het college dat hiervoor, bij gebreke van een onderbouwing, geen aanknopingspunt kan worden gevonden. Ten aanzien van de onjuistheden in het dossier heeft verweerder aangevoerd te hebben aangeboden om met klaagster hiernaar te kijken en de vermeende onjuistheden eventueel te wijzigen. Dit klachtonderdeel is dan ook niet gegrond.

5.2.      Ten aanzien van klachtonderdeel b. is het college van oordeel dat verweerder uitgebreid heeft weergegeven welke zorg en hulp aan klaagster is verleend. Direct nadat zij uit huis was gezet heeft klaagster hulp ontvangen van POH-GGZ in nauw contact met het maatschappelijk werk uit haar dorp. Toen klaagster in januari 2017 verweerder om hulp vroeg bij de verwerking van het trauma, wilde zij niet door verweerder geholpen worden. Omdat klaagster bovendien niet heeft aangegeven wat zij bedoelt met de “juiste hulpverlener” voor het verwerken van haar psychische klachten ziet het college geen aanleiding om de hulpverlening van verweerder als inadequaat te beoordelen. Ook dit klachtonderdeel kan niet slagen.  

5.3.      Verweerder heeft betoogd dat hij, nadat klaagster naar B. was verhuisd, op verzoek van klaagster in januari 2019 contact heeft opgenomen met maatschappelijk werk in B.. Klaagster vond het lastig om dat zelf te doen, aldus verweerder. Naderhand weigerde klaagster met verweerder te praten over het niet tot stand komen van contact tussen haar en maatschappelijk werk in B..

Op basis van deze gegevens is, naar het oordeel van het college, van het verstrekken van informatie aan maatschappelijk werk zonder toestemming, geen sprake, nog daargelaten dat klaagster niet heeft vermeld om welke informatie het gaat. De gestelde schending van beroepsgeheim is naar het oordeel van het college volstrekt onvoldoende onderbouwd. 

5.4.      Ook het vierde klachtonderdeel kan niet slagen. Verweerder heeft klaagster sinds augustus 2017 verzocht een huisarts in B. te zoeken omdat zij vanaf haar verhuizing naar B. niet meer in het werkgebied van zijn praktijk woont. Verweerder heeft verder goed gedocumenteerd dat en welke hulp hij aan klaagster is blijven verlenen, ook nadat zij naar B. was verhuisd. In augustus 2019 heeft verweerder tijdens een consult nog eens met klaagster willen praten over verandering van huisarts, maar klaagster liep toen boos weg. Van weigering van de noodzakelijke medische zorg hulp is dan ook geen sprake.     

5.5.      Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.

5.6.      De conclusie van het voorgaande is dat de klacht kennelijk ongegrond is.

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.         Beoordeling van het beroep

4.1       Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en met de wijze waarop deze tot stand is gekomen. Zij is van mening dat dat college ten onrechte door haar overgelegde nadere schriftelijke bewijsstukken aan haar retour heeft gezonden. Klaagster verzoekt het Centraal Tuchtcollege om de beslissing in eerste aanleg te vernietigen en de klacht alsnog gegrond te verklaren.

4.2       De huisarts heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep van klaagster te verwerpen.  

4.3       Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat, voor zover in eerste aanleg sprake is geweest van een gebrek in de procedure, dit is hersteld door de behandeling van de zaak in beroep. Klaagster heeft in beroep de gelegenheid gekregen om haar standpunten schriftelijk en mondeling naar voren te brengen en heeft de stellingen van de huisarts zo kunnen weerspreken.

4.4       Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van de in eerste aanleg geformuleerde klacht en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. In beroep is, zoals gezegd, het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat college gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 27 november 2020 is dat debat voortgezet.

4.5       De behandeling van de zaak in beroep heeft geen ander licht op de zaak geworpen. Het Centraal Tuchtcollege kan zich verenigen met de overwegingen en het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege en neemt deze overwegingen en dit oordeel integraal over. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten door de huisarts is geen sprake geweest.

4.6       Uit het voorgaande volgt dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht ongegrond heeft verklaard en dat het beroep moet worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: C.H.M. van Altena, voorzitter; S.M. Evers en

A. Smeeïng-van Hees, leden-juristen en F.M.M. van Exter en M.G.M. Smid-Oostendorp, leden-beroepsgenoten en E.D. Boer, secretaris.

       Uitgesproken ter openbare zitting van 18 december 2020.

            Voorzitter   w.g.                                                        Secretaris  w.g.