ECLI:NL:TGZCTG:2020:226 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.380

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2020:226
Datum uitspraak: 15-12-2020
Datum publicatie: 15-12-2020
Zaaknummer(s): c2019.380
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht tegen huisarts. De klacht heeft betrekking op de behandeling van de moeder van klaagster. Patiënte is na een korte tijdelijke opname in het ziekenhuis teruggekeerd naar het woonzorgcentrum waar zij voordien verbleef. Zij is daar na korte tijd overleden. Klaagster verwijt de huisarts dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld en tekort is geschoten in de zorg voor patiënte. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat klaagster niet heeft gespecificeerd op welke momenten en hoe de huisarts ten opzichte van patiënte heeft gehandeld, terwijl de huisarts aangeeft niet betrokken te zijn geweest bij de zorg voor patiënte. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2019.380 van:

A., wonende in B.,

appellante, klaagster in eerste aanleg,

tegen

C., huisarts, werkzaam in B.,

verweerder in beide instanties,

gemachtigde: mr. S. Slabbers, verbonden aan de stichting VvAA Rechtsbijstand in Utrecht.

1.         Verloop van de procedure

A. – hierna klaagster – heeft op 26 april 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege in Den Haag tegen C. – hierna de huisarts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 19 november 2019, onder nummer 2019-108a, heeft dat College de klacht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Klaagster heeft op tijd beroep tegen die beslissing ingesteld. De huisarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend. Het Centraal Tuchtcollege heeft van klaagster nog nadere correspondentie ontvangen.

De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd behandeld met de zaak A./E. (C2019.381) op de openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van

6 november 2020, waar zijn verschenen klaagster, en de huisarts, bijgestaan door

mr. Slabbers voornoemd.

Partijen hebben hun standpunten bij de mondelinge behandeling over en weer verder toegelicht.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2.       De feiten

2.1  Klaagster is de dochter van mevr. F., geboren

in 1928 en overleden op 14 januari 2018 (verder te noemen de patiënte). Zij was als patiënte vanaf 1996 ingeschreven bij de huisartsenpraktijk G., waar verweerster als huisarts aan verbonden was.

2.2  Patiënte is op 21 december 2017 doorverwezen naar het ziekenhuis voor

Een X-thorax waarna zij is opgenomen. Er bleek sprake te zijn van een uitgebreide gemetastaseerde ziekte. Op 8 januari is patiënte ontslagen uit het ziekenhuis en is zij teruggebracht naar woonzorgcentrum H., waar zij reeds geruime tijd verbleef. Op 14 januari 2018 is patiënte aldaar overleden.

3.      De klacht

Klaagster verwijt de beklaagde zakelijk weergegeven dat hij na het ontslag van patiënte uit het ziekenhuis onzorgvuldig heeft gehandeld en dat hij te kort is geschoten in de zorg jegens patiënte.

4.      Het standpunt van beklaagde

De beklaagde bestrijdt dat hij onzorgvuldig zou hebben gehandeld richting de patiënte nu hij op geen enkel moment betrokken is geweest bij de zorg van patiënte. 

5.      De beoordeling

5.1  Het College overweegt allereerst dat de snelle verergering van de

gezondheidstoestand van patiënte resulterend in haar overlijden voor klaagster ingrijpend en verdrietig moet zijn geweest.

5.2  Het College dient te beoordelen of beklaagde heeft gehandeld in strijd met

de zorg die van hem in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht.  Hierbij gaat het om de persoonlijke verwijtbaarheid van de behandelaar.

5.3  Nu klaagster niet heeft gespecificeerd op welke momenten en hoe de

beklaagde jegens patiënte heeft gehandeld en de beklaagde aangeeft niet betrokken te zijn geweest bij de zorg jegens patiënte, dient de klacht als niet-ontvankelijk te worden afgedaan.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor onder “2. De feiten” zijn weergegeven.

4.         Beoordeling van het beroep

4.1       Klaagster wil met haar beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voorleggen en verzoekt het Centraal Tuchtcollege – impliciet – het beroep gegrond te verklaren.

4.2  De huisarts voert hiertegen verweer en vraagt het Centraal Tuchtcollege het

beroep af te wijzen, althans klaagster niet-ontvankelijk te verklaren in haar klacht, althans de klacht als ongegrond af te wijzen.

4.3       In beroep zijn de schriftelijke klachten over het beroepsmatig handelen van de huisarts nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van die in eerste aanleg geformuleerde klachten en het daarover in eerste aanleg door partijen gevoerde debat.

4.4       In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 6 november 2020 is dat debat voortgezet.

4.5       De behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: A.D.R.M. Boumans, voorzitter;

E.F. Lagerwerf-Vergunst en T.W.H.E. Schmitz, leden juristen en F.M.M. van Exter en M.G.M. Smid-Oostendorp, leden beroepsgenoten en M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 december 2020.

Voorzitter  w.g.    Secretaris  w.g.