ECLI:NL:TGZCTG:2020:210 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.349

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2020:210
Datum uitspraak: 01-12-2020
Datum publicatie: 01-12-2020
Zaaknummer(s): c2019.349
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht tegen jeugdarts. Klaagster is de moeder van een zoon die onderwijs volgt en leerplichtig is. Beklaagde is werkzaam als jeugd- en schoolarts en heeft een onderzoek ingesteld wegens veelvuldig ziekteverzuim van klaagsters zoon. Klaagster heeft haar bevindingen teruggekoppeld aan de school. Klaagster verwijt beklaagde onzorgvuldige verslaglegging en onheuse bejegening. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege bevestigt deze beslissing.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2019.349 van:

A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,

tegen

C., jeugdarts, werkzaam te B., beklaagde in beide instanties,

gemachtigde: mr. M.F. van der Mersch, advocaat

te Amsterdam.

1.         Verloop van de procedure

1.1       A. - hierna klaagster - heeft op 22 januari 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag tegen C. - hierna de jeugdarts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 22 oktober 2019, onder nummer 2019-010 heeft dat College de klacht kennelijk ongegrond verklaard.

Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen.

De jeugdarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

1.2       Bij brief van 28 oktober 20 20 heeft klaagster het Centraal Tuchtcollege verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden. Het Centraal Tuchtcollege heeft dit verzoek bij brief van 30 oktober 2020 afgewezen.

1.3       Voor de terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege heeft het Centraal Tuchtcollege van klaagster een op schrift gestelde mondelinge toelichting voor de zitting van 6 november 2020 ontvangen. De jeugdarts heeft daarvan kennisgenomen. Deze toelichting heeft ook onderdeel uitgemaakt van de behandeling op de terechtzitting en de bespreking in raadkamer.

1.4       Het Centraal Tuchtcollege heeft de zaak behandeld op de terechtzitting van

6 november 2020. Klaagster is niet verschenen. De jeugdarts was aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Van der Mersch.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende feiten en overwegingen ten grondslag gelegd.

            “2.       De feiten

2.1       Klaagster is de moeder van D., geboren op 9 december 2001 (hierna: zoon).  Zoon volgt onderwijs en is leerplichtig.

2.2       Op 1 december 2017 heeft beklaagde, die werkzaam is als jeugd- en schoolarts, een melding ontvangen van de school van zoon met het verzoek een onderzoek in te stellen wegens veelvuldig ziekteverzuim. Het geplande gesprek op

17 januari 2018 is door zoon afgezegd. Bij het vervolgens geplande gesprek op

16 februari 2018 is alleen moeder aan­wezig. Van dit gesprek heeft beklaagde een terugkoppeling verzonden aan klaagster en de school.

2.3       In mei 2018 heeft beklaagde diverse malen geprobeerd een afspraak te maken met klaagster en zoon. In een telefoongesprek heeft beklaagde aan zoon medegedeeld dat hij op 24 mei 2018 de hele dag kon langskomen. Die dag heeft beklaagde rond 15:30 uur een mail aan school gestuurd met daarin onder andere de mededeling dat klaagster en zoon niet zijn verschenen. Op 24 mei 2018 zijn klaagster en zoon uiteindelijk voor onderzoek bij beklaagde geweest.

2.4       Op 25 mei om 8:37 uur heeft beklaagde de volgende mail gestuurd naar onder andere klaagster en de school:

            “ Goede dag allen,

Excuus, ik had de mail net te vroeg verzonden. [Zoon] en zijn moeder zijn gister wel geweest. Mijn spreekuur begint zo, maar ik zal zo snel mogelijk een terugkoppeling schrijven. Mocht ik dat vanmorgen niet halen, dan neem ik telefonisch contact op zodat jullie het gesprek van gister wel mee kunnen nemen in het overleg straks.”

2.5       Op 25 mei 2018 heeft beklaagde van het onderzoek op 24 mei 2018 een schriftelijke terugkoppeling (in de terugkoppeling staat ten onrechte de datum

24 april 2018) naar school gestuurd met daarin onder meer:

“(…) Ik heb weer aangegeven dat hij niet mag ziekmelden voor knieklachten. [Zoon] is het daarmee eens (…)

Ik heb aangegeven dat ik er van uit ga dat je door astma/allergieën in principe niet (vaker dan leeftijdsgenoten) ziek hoeft te zijn. Mocht hij toch nog (vaker) ziek zijn, dan moet hij verwezen worden naar een specialist. Graag zo snel mogelijk, als [zoon] toch weer ziek is, dit laten weten. Dan kan moeder bij de huisarts een verwijzing vragen. (…)

            Re-integratie advies: Leerling kan deelnemen aan volledige lesprogramma”

3.      De klacht

            Klaagster verwijt de beklaagde zakelijk weergegeven:

1)      dat zij een verslag heeft gemaakt waarbij zoon niet ziek mag worden,

2)      dat zij school een mail stuurde waarin ze aangaf dat klaagster en zoon niet bij haar op consult waren gekomen, terwijl klaagster en zoon onderweg waren;

3)      dat zij met de stekker van de laptop klaagster op haar hand heeft geslagen.

4.      Het standpunt van beklaagde

            De beklaagde heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.      De beoordeling

            5.1       De eerste klachtonderdeel gaat over de terugkoppeling die beklaagde aan klaagster en de school heeft gestuurd. In de terugkoppeling van 25 mei 2018, en overigens ook in de andere stukken in het dossier, staat nergens vermeldt dat zoon niet meer ziek mag worden. Enkel is vermeld dat zoon niet meer mag ziekmelden voor knieklachten en dat  voor het geval zoon toch (vaker) ziek is als gevolg van astma en allergie klachten verwijzing naar specialist moet plaatsvinden. Daarmee is het eerste klachtonderdeel ongegrond.

            5.2       Het tweede klachtonderdeel betreft de mail die beklaagde op 24 mei 2018 rond 15:30 uur heeft gestuurd. In het verweerschrift heeft beklaagde uitgelegd dat zij de mail heeft gestuurd omdat op 25 mei 2018 een overleg met alle betrokkenen zou plaatsvinden waarbij het ziekteverzuim van zoon aan de orde zou komen. Nadat klaagster en zoon na het versturen van de mail alsnog waren verschenen, heeft beklaagde op 25 mei 2018 om 8:38 uur een mail gestuurd om de mail van de vorige dag te corrigeren. Deze gang van zaken is door klaagster niet weersproken en vindt ook steun in de stukken. Hoewel het ongelukkig is dat de mail op 24 mei 2018 al was verzonden, heeft beklaagde dit spoedig hersteld met de tweede mail. Ook het tweede klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

            5.3       Het derde klachtonderdeel betreft het slaan met de stekker van de laptop.  Klaagster heeft kunnen lezen dat beklaagde zich niets van dit gestelde voorval kan herinneren. Nu alleen klaagster, zoon en beklaagde bij het gesprek aanwezig waren, is niet vast te stellen hoe dit precies is verlopen. Dat brengt mee dat niet kan worden vastgesteld of beklaagde klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van de klaagster minder geloof verdient dan dat van de beklaagde, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college dus, ook als aan het woord van klaagster en van beklaagde evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen. Ook het derde klachtonderdeel is dus ongegrond.

Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek kennelijk ongegrond worden verklaard ”.

3.         Beoordeling van het hoger beroep

3.1       Klaagster wil met haar beroep de klacht in volle omvang door het Centraal Tuchtcollege laten beoordelen. Het beroep van klaagster strekt ertoe dat het Centraal Tuchtcollege de klacht alsnog op alle onderdelen gegrond verklaart.

3.2       De jeugdarts heeft verweer gevoerd en verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep van klaagster te verwerpen.

3.3       Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van de aan het Regionaal Tuchtcollege voorgelegde klacht en het debat dat partijen daarover bij dat tuchtcollege hebben gevoerd. Het door het Regionaal Tuchtcollege opgebouwde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd.

3.4       In beroep hebben partijen het debat schriftelijk nog een keer gevoerd. Daarbij heeft ieder van hen standpunten ingenomen over de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat college gegeven beschouwingen en beslissingen.

3.5       De bespreking van de zaak op de mondelinge behandeling ter terechtzitting in beroep van 6 november 2020 en daarna in raadkamer heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot het vaststellen van andere feiten of tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege. Mocht er in de procedure bij het Regionaal Tuchtcollege sprake zijn geweest van een onzorgvuldige gang van zaken, zoals klaagster heeft gesteld, dan is dit in de beroepsprocedure rechtgetrokken. De beroepsprocedure is bedoeld om eventuele verzuimen in de behandeling bij het Regionaal Tuchtcollege te herstellen. In beroep zijn partijen nogmaals in de gelegenheid gesteld om dat naar voren te brengen wat volgens hen voor de beoordeling van de zaak van belang is. Deze beroepsgrond van klaagster treft dan ook geen doel.

3.6       Dit betekent dat de klacht van klaagster op alle onderdelen faalt en het beroep zal worden verworpen.

4.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: A.D.R.M. Boumans, voorzitter; T.W.H.E. Schmitz en

E.F. Lagerwerf-Vergunst, leden juristen en M.G.M. Smid-Oostendorp en F.M.M. van Exter, leden beroepsgenoten en D. Brommer, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 1 december 2020.

Voorzitter  w.g.          Secretaris  w.g.