ECLI:NL:TGZCTG:2020:209 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.338

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2020:209
Datum uitspraak: 01-12-2020
Datum publicatie: 01-12-2020
Zaaknummer(s): c2019.338
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht tegen huisarts. De beklaagde huisarts heeft naar aanleiding van een hulpvraag van klager een verwijsbrief opgesteld voor klager. Klager verwijt de beklaagde dat hij zijn medisch beroepsgeheim heeft geschonden door zonder toestemming van klager informatie over hem te delen met de gemeente en zijn participatiecoach, dat hij het medisch dossier van klager heeft aangepast en specialisten in het ziekenhuis ongewenst heeft beïnvloed door zonder toestemming van klager telefonisch overleg over hem te voeren. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege bevestigt deze beslissing.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2019.338 van:

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

gemachtigde: mr. H.J. Oosterhagen, advocaat in Amsterdam,

tegen

C., huisarts, werkzaam te D., beklaagde in beide instanties,

gemachtigde: mr. V.C.A.A.V. Daniels, advocaat verbonden aan Stichting VvAA rechtsbijstand in Utrecht.

1.         Verloop van de procedure

A. - hierna klager - heeft op 28 maart 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag tegen C. - hierna de huisarts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 15 oktober 2019, onder nummer 2019-085 heeft dat College de klacht kennelijk ongegrond verklaard.

Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen.

De huisarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

Het Centraal Tuchtcollege heeft de zaak op de terechtzitting van 6 november 2020 tegelijk behandeld met de zaak C2019.337. De zaken zijn niet gevoegd.

Klager is daar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Oosterhagen. Ook de huisarts was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Daniëls.

Mr. Oosterhagen heeft een pleitnota overgelegd.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende feiten en overwegingen ten grondslag gelegd.

            “2.        De feiten

2.1       Klager is in maart 2017 als patiënt ingeschreven bij de huisartsenpraktijk E., waar beklaagde een van de drie huisartsen is.

2.2       Klager heeft op 27 november 2017 de huisartsenpraktijk gebeld en verzocht om een verwijzing omdat hij een psychische hulpvraag had. De volgende dag heeft beklaagde klager in verband met dit verzoek terug gebeld. De aantekening van dit gesprek luidt:

            “verwijzing psychische hulp

            diverse problematiek, ziet het niet meer zitten ,

            allemaal ellende, valt van de wal in het schip,

            heeft afspraak G. , basis F.”

Na dit consult heeft beklaagde een verwijsbrief geschreven met als hulpvraag: “gaarne psychologische begeleiding basis F., levensfase problematiek, depressief”. Beklaagde heeft de verwijzing gericht aan de F., in de veronderstelling dat hij als psycholoog werkzaam was bij H., dat zich onder meer richt op psychische hulpverlening. In het medisch dossier staat bij 12 februari 2015 genoteerd: “….stress. Al bij psych geweest BTSW”.

            2.3       Op 16 februari 2018 staat in het medisch dossier:

            S          “psycholoog I., externaliserend,

                        dreigementen, wil mensen raken, zorgen dat hij

                        ommekeer niet kan maken, zou willen praten over

                        nemen van eigen verantwoording, zet zichzelf

                        klem, schermt met potentiele buikproblematiek,

                        hoge pijnscores, behoorlijke lijdensdruk, krenken

                        van het falen van het lichaam, wil geen

                        afscheiding nemen van hond, middelengebruik, weed,

            P         doet verzoek voor uitbreiding psychologische hulp,

                        pm domperidon tegen misselijkheid”

2.4       Op 22 november 2018 staat aangetekend dat psycholoog I. beklaagde verzoekt contact met haar op te nemen betreffende klager.

            Hierover staat opgetekend:

            S          “…uitgebreide financiele

                        problemen, gemeente besproken, onvoldoende

                        financien om zich te voeden, steeds bozer,

                        bijstandsuitkering schuldsanering, net onvoldoende

                        budget,

            P         wmo gemeente gebeld, , anne wmo gesproken, heeft

                        uitkering 212 euro extra vanwege voeding

                        alleen deze maand late uitbetaling, maar

                        krijgt dus extra financien gezien omstandigheden”

2.5       Op 21 januari 2019 heeft beklaagde contact met Stichting Klachten en Geschillen Eerstelijnszorg in verband met een klacht die klager tegen hem heeft ingediend.  

3.         De klacht

            Klager verwijt de beklaagde zakelijk weergegeven

-      dat hij zijn medisch beroepsgeheim heeft geschonden door zonder toestemming van klager informatie over hem te delen met de gemeente en zijn participatiecoach (de heer F.);

-      dat hij het medisch dossier van klager heeft aangepast door het daaruit verwijderen van meerdere brieven van huisartsen en specialisten van ziekenhuizen;

-      ongewenste beïnvloeding van specialisten in het ziekenhuis (door zonder toestemming van klager telefonisch overleg over hem te voeren).

            4.         Het standpunt van beklaagde

De beklaagde heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.                  De beoordeling

5.1       Beklaagde heeft klager in de verwijsbrief verwezen naar de heer F.. Hij heeft aangegeven dat hij dit heeft gedaan in de veronderstelling dat deze bij H. werkzaam is en aldaar basis G.-zorg verleent. Beklaagde heeft voorts verklaard dat het gebruik is dat de patiënten hun verwijsbrieven bij de praktijk afhalen en vervolgens zelf aan de specialist overhandigen. Omdat de naam van degene die de verwijsbrief bij de praktijk ophaalt niet wordt geregistreerd, kan niet met zekerheid worden vastgesteld wie die brief bij de huisartsenpraktijk heeft opgehaald en hoe deze in handen van de heer F. is gekomen. Nu alleen de naam van de heer F. op de brief staat maar een verdere adressering ontbreekt, staat vast dat de brief niet vanuit de praktijk is verzonden maar moet zijn opgehaald. Niet is gebleken dat de praktijk de heer F. van het bestaan van de verwijsbrief op de hoogte heeft gesteld. Evenmin is gebleken dat beklaagde zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Hoewel de adressering van de brief aan een verkeerde persoon ongelukkig is te noemen leidt dit gelet op het voorgaande niet tot het oordeel dat beklaagde daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

            5.2       Met betrekking tot het verwijt dat beklaagde het medisch dossier van klager zou hebben aangepast, door het verwijderen van brieven en sturing van gegevens, merkt het college het volgende op. Beklaagde heeft verklaard dat alle door de praktijk gestuurde brieven en ontvangen specialistenbrieven in het dossier van klager zijn opgenomen en dat de essentie in het journaal is opgenomen. Nu klager niet duidelijk heeft kunnen maken welke brieven of gegevens hij mist en het college geen aanleiding ziet om de verklaring van beklaagde in twijfel te trekken, is dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond. 

5.3       Beklaagde heeft ontkend dat hij met een specialist van het ziekenhuis telefonisch overleg over klager heeft gevoerd. Dat brengt mee dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld of beklaagde over klager overleg met specialisten heeft gehad. Hierbij geldt niet het uitgangspunt dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar de omstandigheid dat onvoldoende aannemelijk is dat wat in het patiëntdossier staat vermeld een onjuiste weergave van de werkelijkheid is. Dit laatste geldt evenzeer voor de twee telefonische overleggen tussen de behandelend psycholoog van klager, I., en beklaagde en het telefonisch overleg tussen beklaagde en het WMO-loket van de gemeente. Uit de aantekeningen in het medisch dossier blijkt dat beide contacten met de psycholoog op haar initiatief tot stand zijn gekomen en dat het contact met het WMO-loket is op initiatief van beklaagde tot stand gekomen, als uitvloeisel van zijn laatste contact met de psycholoog. Het college ziet in de aantekeningen betreffende die telefonische contacten wel aanwijzingen voor bezorgdheid om de gezondheid en financiële situatie van klager maar er zijn geen aanwijzingen voor ongewenste beïnvloeding.

Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek kennelijk ongegrond worden verklaard ”.

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de feiten die het Regionaal Tuchtcollege heeft weergegeven in overweging 2. “De feiten” van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Deze weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende, bestreden.

4.         Beoordeling van het hoger beroep

4.1       Uit het beroepschrift van klager blijkt dat hij zijn beroep heeft beperkt tot zijn verwijt dat de huisarts zijn medisch beroepsgeheim heeft geschonden door zonder toestemming van klager informatie over hem te delen met de gemeente en met zijn participatiecoach (klachtonderdeel 1). Klager wil met zijn beroep bereiken dat dit klachtonderdeel alsnog gegrond wordt verklaard.

4.2       De huisarts heeft verweer gevoerd en verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep van klager te verwerpen.

4.3       In beroep is alleen de klacht over de verwijsbrief van de huisarts aan participatiecoach de heer F. aan de orde (klachtonderdeel 1).

4.4       Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van de aan het Regionaal Tuchtcollege voorgelegde klacht en het debat dat partijen daarover bij dat tuchtcollege hebben gevoerd. Het door het Regionaal Tuchtcollege opgebouwde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd.

4.5       Partijen hebben in beroep het debat schriftelijk nog een keer gevoerd. Daarbij heeft ieder van hen standpunten ingenomen over de beschouwingen en beslissingen van het Regionaal Tuchtcollege over het eerste klachtonderdeel. Tijdens de mondelinge behandeling op 6 november 2020 is dat debat voortgezet.

4.6       De bespreking van dit klachtonderdeel ter terechtzitting in beroep en daarna in raadkamer heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege. Het Centraal Tuchtcollege neemt datgene wat het Regionaal Tuchtcollege in rechtsoverweging 5.1 heeft overwogen hier over. Daarmee sluit het Centraal Tuchtcollege zich aan bij het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat het ongelukkig is dat de verwijsbrief aan de verkeerde persoon is geadresseerd, maar dat dit in dit geval niet betekent dat de huisarts daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

4.7       Dit betekent dat klachtonderdeel 1 faalt en dat het beroep zal worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: A.D.R.M. Boumans, voorzitter; T.W.H.E. Schmitz en

E.F. Lagerwerf-Vergunst, leden juristen en M.G.M. Smid-Oostendorp en F.M.M. van Exter, leden beroepsgenoten en D. Brommer, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 1 december 2020.

Voorzitter  w.g.          Secretaris  w.g.