ECLI:NL:TGZCTG:2020:208 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.337
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2020:208 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 01-12-2020 |
| Datum publicatie: | 01-12-2020 |
| Zaaknummer(s): | c2019.337 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen huisarts. De beklaagde huisarts heeft klager regelmatig op consult gezien voor buikklachten. Klager verwijt de beklaagde dat hij klager op een onzorgvuldige manier medicatie heeft voorgeschreven, zijn medisch beroepsgeheim heeft geschonden en klager op een onzorgvuldige manier heeft doorverwezen met verklaringen van niet ter zake deskundigen in het medisch dossier. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege bevestigt deze beslissing. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2019.337 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
gemachtigde: mr. H.J. Oosterhagen, advocaat in Amsterdam,
tegen
C., huisarts, werkzaam te D., beklaagde in beide instanties,
gemachtigde: mr. V.C.A.A.V. Daniels, advocaat verbonden aan Stichting VvAA rechtsbijstand in Utrecht.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna klager - heeft op 28 maart 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege in Den Haag tegen C. - hierna de huisarts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 15 oktober 2019, onder nummer 2019-087 heeft dat College de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen.
De huisarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
Het Centraal Tuchtcollege heeft de zaak op de terechtzitting van 6 november 2020 tegelijk behandeld met de zaak C2019.338. De zaken zijn niet gevoegd.
Klager is daar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Oosterhagen. Ook de huisarts was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Daniëls.
Mr. Oosterhagen heeft een pleitnota overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende feiten en overwegingen ten grondslag gelegd.
“ 2. De feiten
2.1 Klager heeft van juni 2013 tot 6 maart 2017 als patiënt ingeschreven gestaan bij de huisartsenpraktijk waar beklaagde praktijkhouder is.
2.2 Klager is voor met name buikklachten veelvuldig bij beklaagde op consult geweest. Klager is meermalen gezien door maag-darm-lever-specialisten (MDL-artsen) en internisten. Beklaagde heeft klager in het kader van pijnbestrijding tramadol voorgeschreven en hem voedingsadviezen gegeven. In het medisch dossier heeft beklaagde op 15 januari 2014 opgetekend:
“ …Uitleg liever geen nsaid nemen, proberen met tramadol maar laagdrempelig bellen al hij twijfelt of het afdoende is of pijn toeneemt, dan overleg int voor opname”
2.3 Beklaagde heeft klager voor zijn buikklachten, waaronder spastische darm, onder meer Duspatal en Buscopan voorgeschreven en op 11 mei 2016 heeft beklaagde getracht het gebruik van tramadol bij klager te verminderen door hem Tempocol voor te schrijven.
2.4 Op 27 februari 2017 heeft beklaagde in het dossier van klager aangetekend: “Heeft van de HAP oxycodon gekregen ipv tramadol, wil daar graag mee doorgaan, want dat is het enige wat helpt…”
2.5 Beklaagde heeft klager meermaals naar specialisten doorverwezen en daarbij een extract van zijn medische voorgeschiedenis gevoegd, onder meer betreffende diens psychische klachten en eerdere doorverwijzing naar de GGZ.
3. De klacht
Klager verwijt de beklaagde zakelijk weergegeven dat hij
- klager verkeerde medicatie heeft voorgeschreven (diclofenac) en te lang medicatie heeft voorgeschreven (tramadol), dit zonder het juiste overleg hierover;
- zijn medisch beroepsgeheim heeft geschonden (door zonder toestemming van klager over hem met de gemeente te overleggen);
- klager niet op de juiste manier heeft verwezen door het medisch dossier aan te passen en daarin onterecht verklaringen van niet ter zake deskundigen op te nemen.
4. Het standpunt van beklaagde
De beklaagde heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 Eerste klachtonderdeel
Nog afgezien van de vraag of diclofenac inderdaad voor klager gecontra-indiceerd was, is uit het medisch dossier gebleken dat niet beklaagde maar zijn waarnemer klager diclofenac heeft voorgeschreven. Beklaagde kan niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden voor de handelingen van zijn waarnemer, zoals in dit geval het voorschrijven van diclofenac.
5.2 Klager heeft gedurende ongeveer drie jaar tramadol voorgeschreven gekregen. Het college merkt op dat de periode waarin beklaagde klager tramadol heeft voorgeschreven lang is en afwijkt van het gebruikelijke. Dit betekent echter niet zonder meer dat dit niet verantwoord zou zijn. Beklaagde heeft met klager de risico’s van langdurig gebruik van tramadol besproken. Klager heeft tegen beklaagde gezegd dat hij niet aan tramadol verslaafd wil geraken. Klager heeft daarnaast echter aangegeven dat andere middelen bij hem niet effectief waren en bij hem buikkrampen, misselijkheid en braken veroorzaakten. Tevens blijkt uit het medisch dossier dat klager beklaagde meermalen heeft verzocht hem tramadol voor te schrijven. Het college kan beklaagde volgen in zijn verweer dat hij bedenkingen had bij het langdurig voorschrijven van tramadol, dat hij dit ook met klager heeft besproken, maar dat hij dit desondanks heeft voorgezet omdat klager niet met een ander geneesmiddel effectief voor zijn klachten kon worden behandeld. Beklaagde is steeds reëel op de door klager geuite klachten ingegaan en heeft zijn medicijngebruik gemonitord. Het college is van oordeel dat beklaagde – gezien vorenstaande – op goede gronden het voorschijven van tramadol over de genoemde periode heeft kunnen continueren.
Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
5.3 Tweede klachtonderdeel
Verweerder heeft ontkend dat hij met de gemeente over klager overleg heeft gevoerd. Het college heeft in het medisch dossier ook geen aantekeningen of aanwijzingen daartoe aangetroffen. Dat brengt mee dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld of beklaagde dit overleg heeft gehad. Hierbij geldt niet het uitgangspunt dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar de omstandigheid dat onvoldoende aannemelijk is dat wat in het patiëntdossier staat vermeld een onjuiste weergave van de werkelijkheid is.
Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
5.4 Derde klachtonderdeel
Uit de door klager aangeleverde informatie begrijpt het college dat het derde klachtonderdeel betrekking heeft op informatie over de behandeling van klager bij de GGD, in de periode voordat klager patiënt bij beklaagde werd. De passages en stukken waar dit klachtonderdeel betrekking op heeft, zijn alle afkomstig van artsen die in die periode een behandelrelatie met klager hebben gehad. Beklaagde mocht van de juistheid van die gegevens uitgaan en was niet gehouden alle informatie voorafgaand aan zijn behandelrelatie met klager op juistheid te controleren.
Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek kennelijk ongegrond worden verklaard ”.
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de feiten die het Regionaal Tuchtcollege heeft weergegeven in overweging 2. “De feiten” van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Deze weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende, bestreden.
4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1 Uit het beroepschrift van klager blijkt dat hij zijn beroep heeft beperkt tot de beslissing op zijn verwijt aan de huisarts dat deze hem verkeerde medicatie heeft voorgeschreven (diclofenac) en te lang medicatie heeft voorgeschreven (tramadol), dit zonder het juiste overleg hierover (klachtonderdeel 1). Klager wil met zijn beroep bereiken dat dit klachtonderdeel alsnog gegrond wordt verklaard.
4.2 De huisarts heeft verweer gevoerd en verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep van klager te verwerpen.
4.3 In beroep is alleen de klacht over de aan klager voorgeschreven medicatie diclofenac en tramadol aan de orde (klachtonderdeel 1).
4.4 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van de aan het Regionaal Tuchtcollege voorgelegde klacht en het debat dat partijen daarover bij dat tuchtcollege hebben gevoerd. Het door het Regionaal Tuchtcollege opgebouwde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd.
4.5 Partijen hebben in beroep het debat schriftelijk nog een keer gevoerd. Daarbij heeft ieder van hen standpunten ingenomen over de beschouwingen en beslissingen van het Regionaal Tuchtcollege over het eerste klachtonderdeel. Tijdens de mondelinge behandeling op 6 november 2020 is dat debat voortgezet.
4.6 De bespreking van dit klachtonderdeel ter terechtzitting in beroep en daarna in raadkamer heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege. Het Centraal Tuchtcollege neemt datgene wat het Regionaal Tuchtcollege in rechtsoverwegingen 5.1 en 5.2 heeft overwogen hier over. Daarmee sluit het Centraal Tuchtcollege zich aan bij het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat beklaagde niet persoonlijk tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor het voorschrijven van diclofenac aan klager door de waarnemend huisarts en niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door tramadol te blijven voorschrijven.
4.7 Dit betekent dat klachtonderdeel 1 faalt en dat het beroep zal worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: A.D.R.M. Boumans, voorzitter; T.W.H.E. Schmitz en
E.F. Lagerwerf-Vergunst, leden juristen en M.G.M. Smid-Oostendorp en F.M.M. van Exter, leden beroepsgenoten en D. Brommer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 1 december 2020.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.