Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZCTG:2020:158 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.014

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2020:158
Datum uitspraak: 28-08-2020
Datum publicatie: 11-09-2020
Zaaknummer(s): c2020.014
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht tegen gz-psycholoog. De gz-psycholoog heeft in opdracht van de Officier van Justitie in 2017 forensisch psychologisch onderzoek verricht bij klager. In dat kader hebben verschillende gesprekken plaatsgevonden tussen klager en de gz-psycholoog. Klager heeft zijn zienswijze met betrekking tot het conceptrapport naar voren gebracht. Vervolgens heeft de gz-psycholoog de definitieve Pro Justitia rapportage uitgebracht. Klager verwijt de gz-psycholoog dat zij: 1.                  een zeer onrechtmatig geestesstoornisrapport over klagers levensloop heeft opgesteld; 2.                  ten onrechte, heeft gerapporteerd dat hij zou lijden aan een waanstoornis of zelfoverschatting. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2020.014 van:

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

tegen

C., gz-psycholoog, werkzaam te D., verweerster in beide instanties, gemachtigde: mw. mr. A.W. Hielkema, verbonden aan Stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.

1.                  Verloop van de procedure

A. - hierna klager - heeft op 12 september 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen C. - hierna de gz-psycholoog - een klacht ingediend. Bij beslissing van 11 december 2019, onder nummer 19172, heeft dat College de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De gz-psycholoog heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep behandeld op de openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 28 augustus 2020, waar zijn verschenen de gz-psycholoog, bijgestaan door mr. Hielkema, voornoemd. Klager is op juiste wijze uitgenodigd voor de terechtzitting, maar is niet verschenen.

Het Centraal Tuchtcollege heeft na afloop van de mondelinge behandeling op

28 augustus 2020 de zaak in raadkamer beoordeeld en in het openbaar mondeling uitspraak gedaan. Wat hierna volgt is een schriftelijke uitwerking van die uitspraak.

2.                  Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende feiten en overwegingen ten grondslag gelegd.

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Verweerster, gz-psycholoog, heeft in opdracht van de Officier van Justitie in 2017 forensisch psychologisch onderzoek verricht bij klager. Op 8 juni 2017 heeft op een kantoor van NIFP het eerste gesprek tussen klager en verweerster plaatsgevonden. 

Verweerster heeft klager vervolgens op 23 juni en 21 juli 2017 thuis bezocht. Op

14 augustus 2017 hebben klager en verweerster bij klager thuis het conceptrapport van verweerster besproken. Naar aanleiding van dit gesprek heeft klager verweerster een aangetekende brief d.d. 16 augustus 2017 toegestuurd. In voornoemde brief heeft klager zijn zienswijze met betrekking tot het conceptrapport naar voren gebracht. 

Op 23 augustus 2017 heeft verweerster de definitieve Pro Justitia rapportage uitgebracht.

3. Het standpunt van klager en de klacht

Klager verwijt verweerster dat zij:

1.                  een zeer onrechtmatig geestesstoornisrapport over klagers levensloop heeft

opgesteld;

2.                  dat zij, ten onrechte, heeft gerapporteerd dat hij zou lijden aan een

                        waanstoornis of zelfoverschatting.

4. Het standpunt van verweerster

Verweerster bestrijdt dat zij een zeer onrechtmatig geestesstoornisrapport over klagers levensloop heeft opgesteld en dat zij, ten onrechte, heeft gerapporteerd dat klager zou lijden aan een waanstoornis of zelfoverschatting. Voornoemde verwijten volgen niet uit haar onderzoeksbevindingen en de methode van onderzoek.

Verweerster stelt dat de rapportage die zij heeft uitgebracht voldoet aan de eisen die het Centraal Tuchtcollege daaraan stelt:

-verweerster heeft in de rapportage opgenomen welke informatie uit de gerechtelijke stukken bekend was;

-verweerster heeft het onderzoek, waaronder klinisch psychologisch onderzoek, het verzamelen van collaterale informatie en testpsychologisch onderzoek, opgenomen in de rapportage. De informatie uit deze gegevens is op correcte wijze betrokken in de differentiaal diagnostische beschouwing. Daaruit volgt dat verweerster op basis van een geschikte methode van onderzoek de vraagstelling kon beantwoorden;

-verweerster heeft in de differentiaal diagnostische beschouwingen en forensisch psychologische beschouwing uiteengezet op welke gronden de conclusies steunen;

-verweerster heeft in de differentiaal diagnostische beschouwingen en forensisch psychologische beschouwing uiteengezet op welke gronden de conclusies steunen;

- verweerster acht zichzelf deskundig voor het opstellen van de onderhavige rapportage.

5. De overwegingen van het college

Het college stelt voorop dat ter toetsing staat of verweerster bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klager klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard.

Met betrekking tot de klachtonderdelen oordeelt het college als volgt.

Klachtonderdeel 1

Het college stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg de volgende criteria in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling of het onderzoek van verweerster en de betreffende rapportage voldoen aan de daaraan te stellen eisen:

1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;

2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;

3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;

4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;

5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.

Het college is van oordeel dat verweersters rapportage voldoet aan de bovengenoemde criteria en volgt klager derhalve niet in zijn stelling dat verweerster een zeer onrechtmatig geestesstoornisrapport over zijn levensloop zou hebben opgesteld. Uit de rapportage blijkt dat verweerster het onderzoek zorgvuldig en volgens een geschikte methode heeft uitgevoerd, en op een inzichtelijke manier tot haar conclusies is gekomen. Klachtonderdeel 1 is daarmee ongegrond.

Klachtonderdeel 2

Nu klachtonderdeel 1 ongegrond is verklaard, kan klachtonderdeel twee, inhoudende dat verweerster ten onrechte heeft gerapporteerd dat klager zou lijden aan een waanstoornis of zelfoverschatting, ook niet slagen. Het college kan niet concluderen dat verweerster op onterechte wijze tot haar conclusies is gekomen.

Daarbij heeft verweerster klager op 14 augustus 2017 gewezen op zijn inzage-en correctierecht. Klager heeft hier ook gebruik van gemaakt. Zijn opmerkingen maken, als bijlage, deel uit van het definitieve rapport. Tevens maakt het college uit (pagina 22 van) de definitieve rapportage op dat verweerster voldoende inspanning heeft verricht om klagers vragen naar aanleiding van het conceptrapport te beantwoorden en haar bevindingen en conclusies aan klager toe te lichten.

Samenvattend is het college van oordeel dat er geen feiten en/of omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan onzorgvuldig en/of verwijtbaar handelen of nalaten door verweerster jegens klager kan worden vastgesteld. Op grond van het voorgaande wordt de klacht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Op grond van het voorgaande wordt de klacht afgewezen als kennelijk ongegrond. ”.

3.                              Vaststaande feiten en omstandigheden

Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de feiten die het Regionaal Tuchtcollege heeft weergegeven in overweging 2. “De feiten” van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Deze weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende, bestreden.

4.                              Beoordeling van het hoger beroep

4.1              Klager wil met zijn beroep de zaak in volle omvang door het Centraal Tuchtcollege laten beoordelen. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege (impliciet) de klacht alsnog gegrond te verklaren.

4.2              De gz-psycholoog voert gemotiveerd verweer en verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep van klager te verwerpen.

4.3              Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van de aan het Regionaal Tuchtcollege voorgelegde klacht en het debat dat partijen daarover schriftelijk bij dat tuchtcollege hebben gevoerd. Het door het Regionaal Tuchtcollege opgebouwde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd.

4.4              In beroep hebben partijen het debat schriftelijk nog een keer gevoerd. Daarbij heeft ieder van hen standpunten ingenomen over de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat college gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 28 augustus 2020 heeft de gz-psycholoog haar standpunt nader toegelicht. Klager is niet ter terechtzitting verschenen.

4.5              De bespreking van de zaak in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot het vaststellen van andere feiten of tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege.  

Het Centraal Tuchtcollege neemt datgene wat het Regionaal Tuchtcollege onder “5. De overwegingen van het college” heeft overwogen hier over. Daarmee sluit het Centraal Tuchtcollege zich aan bij het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat er geen feiten en/of omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan onzorgvuldig en/of verwijtbaar handelen of nalaten door de gz-psycholoog jegens klager kan worden vastgesteld. Dit betekent dat het beroep van klager moet worden verworpen.

5.                              Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: E.J. van Sandick voorzitter; E.F. Lagerwerf-Vergunst en

A. Smeeïng-van Hees, leden-juristen en E.D. Berkvens en M.A.J. Hagenaars, leden-beroepsgenoten en M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.

       Uitgesproken ter openbare zitting van 28 augustus 2020.

            Voorzitter   w.g.                                            Secretaris   w.g.