Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZCTG:2020:126 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.362

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2020:126
Datum uitspraak: 07-08-2020
Datum publicatie: 07-08-2020
Zaaknummer(s): c2019.362
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klager, piloot, dient een klacht in tegen een bedrijfsarts, werkzaam als onderdeelsarts op de vliegbasis. Klager verwijt de bedrijfsarts dat hij 1) onjuiste informatie heeft toegevoegd aan het medisch dossier van klager, 2) zijn beroepsgeheim heeft geschonden, en 3) zich niet heeft verantwoord voor zijn doen en laten. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klachtonderdelen 1 en 3 gegrond verklaard, de arts ter zake daarvan de maatregel van berisping opgelegd, en de klacht voor het overige afgewezen. Het beroep van de arts richt zich tegen de gegrondverklaring van de klachtonderdelen 1 en 3 en de opgelegde maatregel. Het incidenteel beroep van klager richt zich tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 2. Het Centraal Tuchtcollege laat het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege in stand, behalve voor wat betreft de opgelegde maatregel: in dit specifieke geval kan volgens het Centraal Tuchtcollege worden volstaan met oplegging van de maatregel van waarschuwing.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2019.362 van:

A., bedrijfsarts, werkzaam te B., appellant, tevens verweerder in incidenteel beroep, verweerder in eerste aanleg,

gemachtigde: mr. M.F. van der Mersch,

tegen

D., wonende te E., verweerder in beroep, tevens incidenteel appellant, klager in eerste aanleg.

1.                  Verloop van de procedure

C. - hierna klager - heeft op 7 augustus 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen A. - hierna de arts - een klacht ingediend. Bij beslissing van

4 november 2019, onder nummer 18129, heeft dat College de klachtonderdelen 1 en 3 gegrond verklaard, de arts ter zake daarvan de maatregel van berisping opgelegd, en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. De arts is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. Klager heeft een verweerschrift in beroep ingediend en tevens incidenteel beroep ingesteld. De arts heeft hierop gereageerd met een verweerschrift in het incidenteel beroep. Verder zijn er nog enkele aanvullende stukken in het geding gebracht.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 10 juli 2020, waar zijn verschenen klager en de arts, laatstgenoemde bijgestaan door mr. Van der Mersch. De zaak is over en weer toegelicht. Klager en

mr. Van der Mersch hebben dat gedaan aan de hand van schriftelijke aantekeningen die zij aan het Centraal Tuchtcollege hebben overgelegd.

2.                  Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Klager is op 6 november 1997 in dienst getreden bij de Koninklijke Luchtmacht waar hij van 2000 tot medio 2006 werkzaam is geweest als F-16 piloot. In juli 2006 heeft klager de overstap gemaakt naar het onderdeel luchttransport op de vliegbasis. Klager is aangesteld als kapitein-vlieger op de C-130 Hercules, waarna hij de opleiding tot C-130 vlieger heeft gevolgd. Bij de oprichting van het 336 squadron is klager overgegaan naar dit nieuw opgerichte squadron. Klager is vanaf zijn indiensttreding bij dit squadron tot december 2010 ingezet op de C-130 vluchten.

Verweerder was in 2009 werkzaam als onderdeelsarts op de vliegbasis.

Op 16 november 2009 heeft een gesprek plaatsgevonden in het Sociaal Medisch Team (hierna: SMT). De commandant van het 336 squadron (hierna: de commandant) heeft hierin aangegeven dat hij van mening was dat klager in een andere wereld leefde. Aansluitend aan het SMT heeft vervolgens een gesprek plaatsgevonden tussen de commandant en verweerder. Verweerder heeft naar aanleiding van dit gesprek op

16 november 2009 in het Subjectief/Objectief/Evaluatie/Plan (SOEP) deel van het patiëntendossier van klager genoteerd (alle hiernavolgende citaten overgenomen inclusief taal- en spelfouten):

“/S: gesprek met c336 en in SMT, mag nu niet vliegen van A. leeft mogelijk in een aparte wereld wel incidenten geweest, gaat niet op uitzending, a heeft contact met [naam vliegerpsycholoog]”.

In het systeem is vervolgens door verweerder op 16 november 2009 de volgende diagnose ingevoerd:

“Cas P69 - ICPC P99 Diagnose(s) Overige psychische stoornissen. Andere psychische stoornissen.”

Op 16 november 2009 was klager in het buitenland.

Op 2 december 2009 heeft de commandant aan het personeel van het 336 squadron meegedeeld dat klager in overleg met verweerder vrijwillig deel zou nemen aan een psychologisch dan wel psychiatrisch traject omdat klager in een schijnwereld zou leven. Klager is hier later door collega’s telefonisch van op de hoogte gesteld.

Op 3 december 2009 vond een gesprek plaats tussen verweerder en klager. Verweerder was de mening toegedaan dat klager compos mentis (bij zijn verstand of bij volle bewustzijn, toevoeging college) leek waarna verweerder het volgende heeft genoteerd in klagers patiëntendossier:

“/S: dd 031209 uitgebreid gesproken, lijkt compos mentis, goed georiënteerd in trias, is door C336 aan de grond gezet, groot werkconflict, is daar zeer ontstemd over, voelt zich genaaid, is nu ballsitic aan het gaan met aangifte Kmar, advocaat, bond, enz, betrokkene geeft aan dat een enkele collega hem juist wel steunen, heeft ook regelmatig contact met [naam vliegerpsycholoog]

/O:

/E: wat is er voorgevallen, wordt patiënt wel door collega’s gesteund zoals patiënt beweerd?, overleg gehad met [naam] of patiënt compos mentis is,

/P: dnif (= duty not included flying, toevoeging college), retour SU 101209

Op 10 december 2009 noteerde verweerder in klagers patiëntendossier:

S/ 101209 weer gesproken met betrokken heeft vrijdag gesprek met CVB, is boos, zeer ontevreden

P/ DNIF as maandag evaluatie”

Verweerder is kort daarop vertrokken bij de vliegbasis.

Op 5 januari 2010 noteerde een andere onderdeelsarts in klagers patiëntendossier:

“/S: uitgebreid gesproken, buiten uitingen nav recente gebeurtenissen, geen aanw. voor psychische decompensatie of

/O:

/E:

/P: geen medisch argumenten voor VV (vliegverbod, toevoeging college), B: OVV (beëindigen van het vliegverbod, toevoeging college)”

Klager heeft verweerder op 8 september 2010 een e-mail gestuurd waarin hij onder meer schreef:

“(…) Graag hoor ik van u welke van Lt. Kol. [naam commandant] beweringen u van de noodzaak tot het starten van een psychiatrisch traject hebben overgehaald, zodat ik ook thuis kan uitleggen wat het is geweest waardoor ik enige tijd als vermeend “psychiatrisch patiënt’ door het leven ben gegaan.

Ik kijk uit naar uw reactie op dit e-mailadres.

Bij voorbaat hartelijk dank,

Hoogachtend,

KAP [naam klager]” 

Op 26 juli 2011 heeft klager verweerder opnieuw een e-mail gestuurd:

“(…) Ruim tien maanden geleden schreef ik u onderstaande e-mail. Helaas heb ik geen antwoord mogen ontvangen. Gelet op in gang gezette trajecten bij IGK en COID, en in samenspraak met mijn vakbond een hierop aansluitend traject verzoek ik u opnieuw, vriendelijk doch dringend om mijn e-mail naar eer en geweten te beantwoorden.

Ik vertrouw op uw bereidheid om te reageren en ik kijk uit naar uw antwoord.

Hoogachtend,

KAP [naam klager]”

De Inspectie Militaire Gezondheidszorg heeft op 22 maart 2012 een onderzoek gerapporteerd naar aanleiding van een melding van klager. De Onderzoeksraad Integriteit Overheid heeft op verzoek van de secretaris-generaal van Defensie, naar aanleiding van een melding van klager, een onderzoek ingesteld en op 5 februari 2015 een advies uitgebracht. Bij brief van 29 april 2015 schreef de secretaris-generaal van het ministerie van Defensie aan de voorzitter van voornoemde Onderzoeksraad onder meer:

“(…) Uw onderzoek geeft mij een goed beeld van de gemelde misstanden en de wijze waarop met de melder is omgegaan door de organisatie en de impact die dit heeft gehad op het leven van kapitein [naam klager]. Van dit advies moet, en wil, Defensie leren. (…)”.

3. Het standpunt van klager en de klacht

Verweerder wordt verweten dat hij:

1.                  het medisch dossier van klager heeft vervalst door het ten onrechte toevoegen

van een consult op 16 november 2009 onder de ziektecode “Overige psychische stoornissen, Andere psychische stoornissen”;

2.                  de inhoud van het onder 1. genoemde de consult heeft gedeeld met de toenmalig

squadroncommandant waarmee valse informatie is verspreid en hij zijn beroepsgeheim heeft geschonden;

3.                  zich nimmer voor zijn doen en laten heeft verantwoord.

4. Het standpunt van verweerder

Ad 1. Verweerder stelt dat er geen sprake is geweest van medisch onzorgvuldig handelen.

Op 16 november 2009 heeft de toenmalig commandant van klager in een overleg binnen het Sociaal Medisch Team (hierna: SMT) aan verweerder aangegeven dat hij van mening was dat klager in een andere wereld leefde en hij naar zijn mening professionele hulp nodig had. Van dat gesprek heeft verweerder die dag een aantekening gemaakt in het medisch dossier van klager. Verweerder heeft dat middels de op dat moment gangbare wijze gedaan. Een handeling van verweerder in dat kader diende nu eenmaal onder een werkcode te worden weggeschreven en het was gebruikelijk om dat onder de benaming “consult” te doen, ook al had er geen (lijfelijk) consult plaatsgevonden. Er is geen (voorlopige) diagnose gesteld van overige psychische stoornissen, andere psychische stoornissen. Het gaat om een gebruikte werkcode en verweerder is bij die keuze afgegaan op hetgeen de commandant hem in het SMT heeft gemeld, waarbij verweerder van mening is dat de commandant hem woorden in de mond heeft gelegd en verweerder daarom voor die betreffende specificatie heeft gekozen.

Ad 2. Verweerder neemt geen verantwoordelijkheid voor wat betreft de publiekelijke uitlatingen van de commandant over klager. Verweerder ontkent en betwist dat hij enige medische informatie over klager met de commandant heeft gedeeld.

Ad 3. Verweerder is kort na de hele kwestie met klager vertrokken bij de vliegbasis en gestart met een voltijds management opleiding die veel tijd en energie kostte. Om die reden en omdat hij niet meer de dienstdoende arts was en geen toegang meer had tot klagers patiëntendossier heeft verweerder niet geantwoord op die e-mails. Verweerder ziet in dat hij fatsoenshalve beter wel had kunnen reageren op de e-mails van klager. Verweerder geeft aan dat dit een leermoment voor hem is geweest, hetgeen hij ter harte neemt.

5. De overwegingen van het college

Het college wijst er allereerst op dat het er bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard. In het tuchtrecht is persoonlijke verwijtbaarheid uitgangspunt.

Klachtonderdeel 1

Artsen hebben de wettelijke plicht om een medisch dossier bij te houden met betrekking tot de behandeling of begeleiding van een patiënt. Een zorgvuldig bijgehouden medisch dossier is van belang voor de kwaliteit en de continuïteit van de zorg aan de patiënt. Het doel van het medisch dossier is het leveren van een goede hulpverlening aan de patiënt. De arts en andere (opvolgende) zorgverleners die bij de behandeling betrokken zijn of raken, moeten uit het medisch dossier kunnen begrijpen wat de medische situatie van de patiënt is (geweest). In het medisch dossier worden gegevens opgenomen omtrent de gezondheid van de patiënt en de verrichtingen die bij de patiënt zijn uitgevoerd. 

Het college is van oordeel dat de wijze waarop verweerder op 16 november 2009 verslag heeft gedaan in het medisch dossier van klager van hetgeen hem ter ore is gekomen dan wel wat tussen verweerder en de commandant over klager is besproken, de toets der kritiek niet kan doorstaan. Het verweer treft geen doel. Wat een arts noteert in het dossier moet feitelijk juist en helder zijn en niet voor meerdere interpretaties vatbaar. Nu er op 16 november 2009 geen consult had plaatsgevonden met klager, had verweerder dit niet mogen opschrijven op de wijze zoals hierboven onder de feiten is weergegeven. Verweerder had de aantekening zo moeten formuleren dat het voor opvolgende zorgverleners duidelijk was dat de informatie niet afkomstig was van klager maar dat de informatie aan verweerder was toevertrouwd door de commandant.

Nu verweerder klager zelf niet heeft gezien en daarom ook geen diagnose heeft gesteld, is het onbegrijpelijk dat verweerder juist deze diagnosecode in het medisch dossier heeft genoteerd. Dat verweerder kennelijk een diagnosecode diende in te vullen, omdat het anders niet mogelijk was het programma af te sluiten, doet er niet aan af dat verweerder had kunnen - en naar het oordeel van het college ook had moeten - kiezen voor een andere diagnosecode. Wat er ook zij van software achter een elektronisch patiëntendossier en/of een gangbare werkwijze bij de geneeskundige dienst, het had op de weg van verweerder gelegen om te kiezen voor een andere, meer duidelijke wijze van verslaglegging.

Het valt verweerder te verwijten dat hij van alle te selecteren codes nu juist heeft gekozen voor de diagnose code voor psychische stoornissen. Dit heeft grote gevolgen gehad voor klager, hetgeen ook voor verweerder voorzienbaar was. Verweerder is immers als onderdeelsarts op een vliegbasis op de hoogte, althans dat zou hij moeten zijn, welke consequenties de diagnose “psychische aandoening” voor een vlieger bij het ministerie van Defensie kan hebben.

De conclusie is dat dan ook dat deze wijze van verslaglegging voor andere (opvolgende) zorgverleners verschillend te interpreteren is, bij voorbeeld als ware klager gediagnosticeerd met (een) psychische stoornis(sen).

Dit klachtonderdeel is gegrond.

Het college merkt daarbij echter op dat niet gebleken is van vervalsing in de zin van kwaadwillendheid of opzet aan de zijde van verweerder, zoals klager stelt. 

Klachtonderdeel 2

Naar het oordeel van het college is niet komen vast te staan dat verweerder enige medische informatie over klager met de commandant heeft gedeeld. Evenmin is komen vast te staan dat verweerder zijn beroepsgeheim heeft geschonden. Wat er ook zij van de uitlatingen van de commandant over klager, dit kan niet aan verweerder worden toegerekend. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 3

Het college leest en begrijpt het derde klachtonderdeel zo dat dit met name ziet op het door verweerder onbeantwoord laten van de e-mails van klager. Klager is als patiënt van verweerder onder meer geconfronteerd met een ten onrechte in zijn medische dossier opgenomen diagnose met voor klager - als vlieger bij Defensie - zeer vergaande gevolgen. Deze informatie is door verweerder, zijn (voormalig) onderdeelsarts op de vliegbasis, aan zijn medisch dossier toegevoegd. Verweerder heeft klager hier niet over geïnformeerd nadat klager was teruggekomen van zijn verblijf in het buitenland, tijdens welk verblijf de diagnose in het medisch dossier is beland. Klager heeft hierover herhaaldelijk per e-mail contact met verweerder gezocht, die simpelweg niets van zich heeft laten horen. Naar het oordeel van het college heeft een patiënt recht op informatie van zijn arts als er iets niet goed is gegaan. Open en goede communicatie met een patiënt naar aanleiding van een incident is essentieel voor het wederzijds vertrouwen en het vertrouwen in de gezondheidszorg. Verweerder heeft door klager te negeren zijn patiënt, in wiens medisch dossier vanaf 16 november 2009 tot maart 2015 onterecht een onjuiste diagnose heeft gestaan, in de kou laten staan. De stellingname dat verweerder (later) niet meer beschikte over klagers dossier doet hieraan niet af. Immers dan had het op verweerders weg gelegen om in ieder geval dat aan klager mee te delen en moeite te doen - met behulp van klagers toestemming - het dossier bij zijn opvolger op te vragen zodat hij klagers vragen alsnog kon beantwoorden. Dit klachtonderdeel is gegrond.  

De maatregel

De klachtonderdelen 1 en 3 zijn gegrond. Verweerder heeft naar het oordeel van het college ten onrechte een diagnose toegevoegd aan het medisch dossier van klager. Bij het opleggen van de maatregel acht het college van gewicht dat uit de dossiervoering niet duidelijk en met zekerheid kan worden opgemaakt op basis van welke informatie en welke (eigen) onderzoeksbevindingen verweerder tot welke overwegingen en conclusies is gekomen. Het college neemt daarbij ook mee dat een arts, na een fout of een (communicatie)probleem, zijn patiënt niet mag negeren als hij om toelichting vraagt. Het voorgaande rechtvaardigt naar het oordeel van het college dat aan verweerder de maatregel van berisping wordt opgelegd.

Om redenen aan het algemeen belang ontleend, bepaalt het college dat deze beslissing op grond van artikel 71 Wet BIG zal worden gepubliceerd .”.

3.                  Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor onder “2. De feiten” zijn weergegeven.

4.                  Beoordeling van het beroep

Procedure

4.1       Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van de in eerste aanleg geformuleerde klacht en het daarover in eerste aanleg door partijen gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 10 juli 2020 is dat debat voortgezet.

4.2              Het beroep van de arts richt zich tegen de gegrondverklaring van de klachtonderdelen 1 en 3 en de ter zake daarvan opgelegde maatregel van berisping. 

4.3       Klager heeft incidenteel beroep ingesteld tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 2.

4.4       Door beide beroepen is de klacht in beroep dus weer in volle omvang aan de orde. Hieronder zal het Centraal Tuchtcollege de klachtonderdelen bespreken en waar nodig ingaan op de door partijen ingenomen standpunten. 

Beoordeling

Nieuwe klachten

4.5       Uit het oogpunt van een goede en eerlijke procesorde kunnen in beroep alleen die klachten ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege worden voorgelegd die deel uitmaken van de oorspronkelijke klacht die aan het Regionaal Tuchtcollege is voorgelegd. Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep. Voor zover in beroep sprake is van uitbreiding van de klacht, kan klager daarin dus niet worden ontvangen.

Het toetsingskader

4.6.      Bij de tuchtrechtelijke beoordeling van het professionele handelen van de arts gaat het niet om de vraag of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de arts bij zijn beroepsmatige handelen vanuit tuchtrechtelijk standpunt bezien is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdende met de stand van wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Beoordeling van de drie klachtonderdelen

4.7       Klachtonderdeel 1 heeft betrekking op de op 16 november 2009 door de arts gemaakte aantekening in het medisch dossier van klager, luidende: “/S: gesprek met c336 en in SMT, mag nu niet vliegen van A. leeft mogelijk in een aparte wereld wel incidenten geweest, gaat niet op uitzending, a heeft contact met [naam vliegerpsycholoog]”. Daarbij heeft de arts in het systeem ingevoerd: “Cas P69 - ICPC P99 Diagnose(s) Overige psychische stoornissen. Andere psychische stoornissen.”.

Vast staat dat de arts klager op 16 november 2009 niet heeft gezien of gesproken. De arts heeft als verweer aangevoerd dat hij deze aantekening heeft geplaatst naar aanleiding van een gesprek met de toenmalig commandant van klager, die klager een vliegverbod had opgelegd en een bespreking in het SMT en dat hij dit belangrijke signaal over klager heeft willen vastleggen. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat deze wijze van verslaglegging onzorgvuldig is. Uit de formulering van de aantekening, in samenhang bezien met de omstandigheid dat deze is geplaatst achter de hoofdletter S (die staat voor Subjectief, waarachter doorgaans gegevens die uit een anamnese naar voren komen worden weergegeven), is niet aanstonds duidelijk dat de arts de genoteerde informatie heeft verkregen van een ander dan klager. De aantekening is voor meerdere interpretaties vatbaar. Door het invoeren van genoemde diagnosecodes is de arts bovendien niet gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. De arts heeft klager op 16 november 2009 niet onderzocht en had daarom geen diagnose mogen stellen. Dat de arts kennelijk een diagnosecode moest invullen omdat het anders niet mogelijk was om het programma af te sluiten, maakt dit niet anders: de arts had kunnen en moeten kiezen voor het invoeren van een neutrale diagnosecode. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de arts met deze onzorgvuldige verslaglegging tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De verwijzing van de arts naar de conclusie van het rapport van de Inspectie Militaire Gezondheidszorg van 22 maart 2012, dat van onzorgvuldig medisch-inhoudelijk handelen niet is gebleken, kan hem niet baten. Het Centraal Tuchtcollege toetst het handelen van de arts aan de hand van het hierboven in 4.5 omschreven toetsingskader. Klachtonderdeel 1 is dus terecht gegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege ziet overigens geen enkel aanknopingspunt voor de suggestie van klager dat er sprake is van een moedwillige vervalsing of kwaad opzet van de arts.

4.8       Met betrekking tot klachtonderdeel 2 overweegt het Centraal Tuchtcollege dat het niet kan vaststellen, evenmin als het Regionaal Tuchtcollege dat kon,  - ook niet op basis van hetgeen klager in beroep heeft aangevoerd - dat de arts medische informatie over klager met de commandant van klager heeft gedeeld en op die wijze zijn beroepsgeheim heeft geschonden. De informatie die de commandant op 2 december 2009 met collega’s van klager heeft gedeeld kan van een andere bron afkomstig zijn of de eigen opvatting van de commandant weerspiegelen. Klager heeft op de zitting in beroep onderkend dat hij zich uitsluitend op “circumstantial evidence” baseert en dat er alternatieve scenario’s voor het verkrijgen van bedoelde informatie door de commandant denkbaar zijn.

Met het Regionaal Tuchtcollege acht het Centraal Tuchtcollege klachtonderdeel 2 daarom ongegrond.

4.9       Het Centraal Tuchtcollege leest en begrijpt klachtonderdeel 3 zo - net als het Regionaal Tuchtcollege - dat dit met name ziet op het door de arts onbeantwoord laten van de e-mails van klager. In zoverre acht het Centraal Tuchtcollege dit klachtonderdeel gegrond. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege had de arts, op welke manier dan ook, moeten reageren op de e-mails van klager. Door dit niet te doen heeft hij tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Voor het steeds onbeantwoord laten van de e-mails heeft de arts geen verklaring kunnen geven. Dat de arts inmiddels geen toegang meer had tot het medisch van klager, hij ergens anders werkte en daardoor druk was met andere zaken, pleit hem niet vrij.

De maatregel

4.9       In beginsel acht ook het Centraal Tuchtcollege de maatregel van berisping een passende reactie op de gegrond verklaarde klachtonderdelen 1 en 3, omdat de arts van zijn beroepsmatig handelen een ernstig tuchtrechtelijk verwijt wordt gemaakt. De arts had anders kunnen en moeten handelen. Het Centraal Tuchtcollege neemt bij het bepalen van de op te leggen maatregel ook in aanmerking dat dit handelen al in 2009 plaatsvond, dat de arts daarvoor en daarna niet met de tuchtrechter in aanraking is geweest en dat deze zaak, niet alleen op klager maar ook op de arts veel impact heeft gehad onder meer door de negatieve aandacht in de media en op social media. Alles afwegende ziet het Centraal Tuchtcollege in dit geval reden om te volstaan met de oplegging van de maatregel van waarschuwing.

4.10     Het voorgaande betekent dat het beroep van de arts slaagt voor zover het ziet op de zwaarte van de opgelegde maatregel. Voor het overige faalt het beroep. Het incidenteel beroep van klager faalt.

4.11     Om redenen ontleend aan het algemeen belang zal het Centraal Tuchtcollege bepalen dat onderhavige beslissing op na te noemen wijze wordt bekend gemaakt.

5.                  Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

In het beroep:  

vernietigt de beslissing waarvan beroep voor zover daarin de maatregel van berisping is opgelegd;

verstaat dat de maatregel van berisping komt te vervallen:

en opnieuw rechtdoende:

legt aan de arts de maatregel van waarschuwing op;

verwerpt het beroep voor het overige;

in het incidenteel beroep:

verklaart klager niet-ontvankelijk voor zover hij in beroep nieuwe klachten heeft ingediend;

verwerpt het beroep voor het overige;

bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant, en zal worden aan­geboden aan Gezondheidszorg Jurisprudentie en het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde, met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is gegeven door: C.H.M. van Altena, voorzitter; R. Prakke-Nieuwenhuizen en

H. de Hek, leden-juristen en J.A.W. Dekker en M.L. van den Kieboom-de Groen, leden-beroepsgenoten en N. Germeraad-van der Velden, secretaris.

       Uitgesproken ter openbare zitting van 7 augustus 2020.

                        Voorzitter   w.g.                                 Secretaris  w.g.