Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZCTG:2020:115 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.296

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2020:115
Datum uitspraak: 10-07-2020
Datum publicatie: 10-07-2020
Zaaknummer(s): c2019.296
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht tegen adviserend apotheker, werkzaam bij een zorgverzekeraar. Klager houdt zich als onderzoeker en ervaringsdeskundige bezig met de afbouw van geneesmiddelen met behulp van taperingstrips. Hij stelt dat de apotheker een belangrijke rol speelt bij de beantwoording van de vraag naar de rationaliteit van taperingstrips en bij de besluitvorming over de vergoeding daarvan. Volgens klager heeft de apotheker aan hem en aan de minister van VWS misleidende en tegenstrijdige informatie verstrekt over het onderzoek dat door Zilveren Kruis naar de rationaliteit van taperingstrips is verricht. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht niet-ontvankelijk verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de verweten gedragingen onvoldoende weerslag hebben op de individuele gezondheidszorg en dus niet vallen onder de zogenoemde tweede tuchtnorm, als bedoeld in artikel 47, lid 1, onder b, van de Wet BIG. Dit betekent dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht niet-ontvankelijk heeft geacht.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2019.296 van:

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

gemachtigde: C., General Manager bij de D.-apotheek te E.,

tegen

F., apotheker, werkzaam bij G., verweerder in beide instanties,

gemachtigden: mr. D. Hooft Graafland en mr. D.F.J.M. van Dijk, beiden advocaat te Amsterdam.

1.         Verloop van de procedure

A. – hierna klager – heeft op 24 juli 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen F. – hierna de apotheker – een klacht ingediend. Bij beslissing van

9 oktober 2019, onder nummer 2019/287, heeft de voorzitter van dat college de klacht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De apotheker heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 4 juni 2020, waar zijn verschenen klager, bijgestaan door C., voornoemd, en de apotheker, bijgestaan door mr. D. Hooft Graafland en mr. D.F.J.M. van Dijk, voornoemd, en door mevrouw H. en mevrouw I., beiden werkzaam bij G.. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2.  DE OVERWEGINGEN

2.1       De gemachtigden van aangeklaagde hebben de voorzitter van het college verzocht de klacht op grond van artikel 67a lid 1 onder b Wet BIG kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren. De klacht ziet immers op exact hetzelfde handelen als waarop de eerdere klachten van de apotheker J., D.-apotheek en de heer K. in de zaak met kenmerk 2019/110 betrekking hadden. Het college heeft deze klachten bij uitspraak van 16 juli 2019 niet-ontvankelijk verklaard.

Dat de klacht van de huidige klager op hetzelfde handelen ziet als in de zaak 2019/110 blijkt volgens de gemachtigden van aangeklaagde ook uit paragraaf 65 van het klaagschrift: “Verder ben ik ervan op de hoogte dat D. en K., zoals hiervoor genoemd, ook een tuchtklacht hebben ingediend tegen het handelen van verweerder als hier omschreven. Indien Uw Tuchtcollege de klachten gezamenlijk wenst te behandelen, dan heb ik daar geen bezwaar tegen”.

De gemachtigden van aangeklaagde hebben aangevoerd dat de huidige klacht geen nieuwe feiten bevat. De werkzaamheden van aangeklaagde zijn onveranderd. Het college heeft eerder geconcludeerd dat de werkzaamheden van aangeklaagde op een beleidsvormende afdeling van een zorgverzekeraar geen betrekking hebben op een specifieke persoon en de bevordering van diens gezondheid en daarmee niet raken aan de individuele gezondheidszorg.

Er is thans slechts sprake van een andere klager (wiens gemachtigde overigens ook wederom de heer C. is) – dit maakt de eerdere beoordeling van het college niet anders. Aldus de gemachtigden van aangeklaagde.

2.2       De gemachtigde van klager heeft aangevoerd dat klager een andere partij is en dit een ander licht op de zaak werpt. Het is juist van belang om deze zaak doorgang te laten vinden, omdat klager als onderzoeker in zijn belangen is geschaad. Als zowel de patiënt als de zorgverlener als de onderzoeker geen ontvankelijke partij zijn, dan rest volgens de gemachtigde de vraag: “Wie dan wel?” Er zijn namelijk geen andere partijen die geschaad worden door de handelingen van de heer F..

Er dient volgens de gemachtigde van klager een gepaste sanctie te volgen voor het gedrag dat aangeklaagde geëtaleerd heeft.

2.3       De voorzitter overweegt alles overziend als volgt.

De voorzitter verwijst naar de inhoud van de eerder genomen beslissing van het college van 16 juli 2019 in de zaak 2019/110 - welke inhoud bij partijen bekend is - en naar het criterium waarop in die zaak is beslist tot niet-ontvankelijkheid. In die zaak is - kort gezegd - overwogen dat de (mede) door de heer F. opgestelde adviezen niet zijn uitgebracht in het kader van de individuele gezondheidszorg en dat deze adviezen niet rechtstreeks betrekking hebben op een persoon en ertoe strekken diens gezondheid te bevorderen. De adviezen hebben immers betrekking op het antwoord op de vraag of tapering een middel is dat voor vergoeding in aanmerking komt. Dit is een vraagstuk, zo heeft het college gesteld, dat niet de individuele maar de algemene gezondheidszorg (en de vergoeding ervan) raakt. Voorts heeft het college overwogen dat de werkzaamheden waarop de klacht betrekking heeft zien op het in een team beoordelen van de waarde van wetenschappelijke artikelen. Het team beoordeelt of het ingebrachte wetenschappelijk onderzoek valide is om aan te tonen dat de geleidelijke afbouw in gradaties beter werkt dan in de markt beschikbare alternatieven, om zo te kunnen adviseren over de rationaliteit van het magistraal bereiden van geneesmiddelen. Nog daargelaten het antwoord op de vraag of deze specifieke werkzaamheden in een voldoende nauw verband staan met de werkzaamheden beschreven in artikel 23 van de Wet BIG hebben deze werkzaamheden onvoldoende weerslag op de gezondheidszorg. Aldus het college in haar beslissing van 16 juli j.l.

De voorzitter overweegt dat er thans in de onderhavige zaak geen nieuwe feiten en/of omstandigheden zijn gesteld dan wel gebleken die deze eerdere beslissing van het college anders maken. De hoedanigheid van de klager is bij bovenstaand oordeel dat het gewraakte handelen niet valt onder de reikwijdte van het tuchtrecht niet van belang. Hetgeen in het klaagschrift thans aan de orde wordt gesteld is dus reeds eerder getoetst door het college.

Alles overziend is de voorzitter van oordeel dat de onderhavige zaak kan worden afgedaan middels een voorzittersbeslissing, waarbij de klacht kennelijk niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.”    

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.         Beoordeling van het beroep

4.1       Klager komt in beroep op tegen het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de klacht niet-ontvankelijk is. Hij is van mening dat de klacht inhoudelijk dient te worden beoordeeld en alsnog gegrond moet worden verklaard.

4.2       De apotheker heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4.3       Klager houdt zich als onderzoeker en ervaringsdeskundige bezig met de afbouw van geneesmiddelen met behulp van taperingstrips. Zijn klacht gaat over het handelen van de apotheker in zijn functie van adviserend apotheker bij G. (hierna: G.). Klager stelt dat de apotheker als adviseur een belangrijke rol speelt bij de beantwoording van de vraag naar de rationaliteit van taperingstrips en daarmee bij de besluitvorming over de vergoeding daarvan. Volgens klager heeft de apotheker aan hem en aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport misleidende en tegenstrijdige informatie verstrekt over het onderzoek dat door G. naar de rationaliteit van taperingstrips is verricht. Daarmee heeft de apotheker het algemeen maatschappelijk belang van een goede uitoefening van de gezondheidszorg beschadigd en de reputatie van klager als onderzoeker opzettelijk bezoedeld. Dit handelen van de apotheker is in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt, aldus klager.

4.4       De apotheker maakt deel uit van het Medisch Zorginhoudelijk Team (MZA team) binnen de afdeling Strategie en Innovatie van G.. Hij heeft in die hoedanigheid geadviseerd over de vraag of de magistrale bereiding van taperingsstrips rationeel is. Zijn bevindingen heeft hij (na afstemming binnen het MZA Team) gedeeld met het Moduleteam Extramurale Farmacie, dat over de daadwerkelijke vergoeding heeft beslist. Zoals in de bestreden beslissing is overwogen, hebben de (mede) door de apotheker uitgebrachte adviezen geen betrekking op een specifieke persoon en de bevordering van diens gezondheid. De adviezen gaan over de algemene vraag of tapering voor een patiënt die moeite heeft met de afbouw van medicijngebruik, een middel is dat voor vergoeding in aanmerking komt. Dit is een vraagstuk dat niet de individuele, maar de algemene gezondheidszorg betreft. Dit geldt ook voor de informatie die de apotheker aan klager en aan de minister heeft verstrekt over het onderzoek naar de rationaliteit van taperingstrips. Deze informatie is verstrekt in het kader van de discussie van de algemene vraag of taperingstrips voor vergoeding in aanmerking moeten komen.

4.5       Gelet op het vorenstaande, is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de verweten gedragingen onvoldoende weerslag hebben op de individuele gezondheidszorg en dus niet vallen onder de zogenoemde tweede tuchtnorm, als bedoeld in artikel 47, lid 1, onder b, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Dit betekent dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht niet-ontvankelijk heeft geacht. De vraag of klager kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 65, eerste lid, onder a, van voormelde wet, behoeft daarmee geen beantwoording meer.

4.6       Het beroep moet worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: A.D.R.M. Boumans, voorzitter; B.J.M. Frederiks en

E.F. Lagerwerf-Vergunst, leden-juristen en A.J.S. van Hattum en P.W. Lebbink, leden-beroepsgenoten en E.D. Boer, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 10 juli 2020.

                        Voorzitter   w.g.                                 Secretaris  w.g.