Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZCTG:2020:113 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.084

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2020:113
Datum uitspraak: 28-05-2020
Datum publicatie: 11-06-2020
Zaaknummer(s): c2019.084
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht tegen bedrijfsarts. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht deels gegrond en deels ongegrond verklaard en aan de bedrijfsarts de maatregel van berisping opgelegd. De bedrijfsarts heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld, waarna klaagster incidenteel beroep heeft ingesteld. Het Centraal Tuchtcollege heeft de zaak ter terechtzitting behandeld, maar acht zich nadien nog onvoldoende ingelicht. In deze tussenbeslissing wordt het onderzoek heropend en de behandeling van de zaak aangehouden.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2019.084 van:

A., bedrijfsarts, destijds werkzaam te B.,

appellant, tevens verweerder in incidenteel beroep, verweerder in eerste aanleg,

Gemachtigde: mr. M.J. de Groot, advocaat te Hilversum

Tegen

C., wonende te D.,

verweerster in beroep, tevens incidenteel appellante, klaagster in eerste aanleg.

1.         Verloop van de procedure

C. – hierna klaagster – heeft op 6 juni 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle tegen A. – hierna de bedrijfsarts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 22 februari 2019, onder nummer 166/2018, heeft dat college de klachtonderdelen 1, 2 en 3 gegrond verklaard, de klachtonderdelen 4, 5 en 6 ongegrond verklaard en aan de bedrijfsarts de maatregel van berisping opgelegd.

De bedrijfsarts is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. Klaagster heeft een verweerschrift in beroep ingediend. Tevens heeft zij incidenteel beroep ingesteld. De bedrijfsarts heeft hierop gereageerd met een verweerschrift in het incidenteel beroep.

Het Centraal Tuchtcollege heeft van klaagster nog nadere correspondentie ontvangen.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 7 januari 2020, waar zijn verschenen klaagster, bijgestaan door haar echtgenoot, en de bedrijfsarts, bijgestaan door mr. M.J. de Groot, voornoemd.

Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht.

Het Centraal Tuchtcollege heeft in zijn beslissing van 11 februari 2020 het onderzoek heropend, omdat het zich onvoldoende ingelicht acht om op de beroepen te kunnen beslissen. Bij die beslissing is het onderzoek heropend, de behandeling van de zaak aangehouden en is klaagster in de gelegenheid gesteld om uiterlijk binnen vier weken een in 2016 op haar verzoek door het O. gegeven deskundigenoordeel aan het Centraal Tuchtcollege te doen toekomen.

Na ontvangst van dit deskundigenoordeel, heeft het Centraal Tuchtcollege een kopie hiervan aan de bedrijfsarts gestuurd. Partijen hebben niet verzocht om een nieuwe behandeling van de zaak ter openbare terechtzitting.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2.      DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klaagster had een contract voor het verrichten van kraamzorg bij E. voor diensten van 8 dagen keer 8 uren. De werkgever van klaagster had een contract met F.. Verweerder heeft in opdracht van F. verzuimbegeleiding van klaagster verricht nadat zij zich had ziekgemeld op 24 oktober 2015 in verband met een verkeersongeval op 17 oktober 2015.

De voorgeschiedenis vermeldt een eerdere ziekmelding van klaagster in februari 2014 in verband met een val van de trap en heupklachten waarbij verweerder in januari 2015 als bedrijfsarts werd betrokken. Verweerder concludeerde dat er sprake was van duurzame beperkingen maar ook benutbare arbeidsmogelijkheden. Uiteindelijk gold na enkele maanden alleen nog een beperking voor frequent traplopen en geen urenbeperking. Klaagster was op dat moment in onderhandeling met haar werkgever over vermindering van het aantal shifts/diensten. Klaagster heeft vervolgens vier maanden gewerkt met een aangepast contract vanaf 7 juli 2015.

Verweerder zag klaagster na genoemd verkeersongeval voor het eerst op

23 november 2015 op zijn spreekuur. Hij noteerde onder meer: “kopstaart bosting buiten haar schuld dag later nekkl en zware armen, deze kl nog steeds, med: kan niet zonder tramadol, heeft FT en doet ieder uur oefeningen, nog duizelig bij draaien van nek en mn pijnkl in nek bij krachtzetten en lang achtereen met gebogen hoofd (..) whiplash met regres (..) De prognose ten aanzien van een volledig herstel is gunstig. Momenteel zijn er nog geen benutbare arbeidsmogelijkheden. Over 3 weken is ze weer arbeidsgeschikt voor 2x2 a 3 uur per week voor werkzaamheden waarbij nog een beperking geldt voor tillen, duwen en trekken”.

Op 1 februari 2016 noteerde verweerder: “Gaat beter, net een week niet gewerkt ivm griep en geen kl gehad, geen med, FT gaat voorl door, adv FT: heel gedoseerd opbouwen”. Hij adviseerde: “Betrokkene is arbeidsgeschikt voor 3x3 uur per week voor haar eigen werkzaamheden op basis van boventalligheid (meelopen met een collega). Inhoudelijk geldt er nog en beperking voor tillen, duwen en trekken. Dit is voorlopig nog maximaal. Over 4 weken is het advies om in onderling overleg zowel taak- als urenbelasting geleidelijk op te gaan bouwen naar volledig in een verwachte periode van 6 weken.” Verweerder verwees naar de werkgever voor het maken van een concreet opbouwschema en maakte geen vervolgafspraak.

Op 21 maart 2016 meldde klaagster zich op eigen initiatief op het spreekuur van verweerder. Klaagster voelde zich onder druk gezet door haar werkgever die het herstel te lang vond duren. Klaagster vond dat ze te snel moest opbouwen, zij werkte op dat moment 6x6 uren in eigen werk en had dan volop pijnstillers nodig. Verweerder schreef verder: ”FT is boos en betr ook à aanvaring met wg, deze dreigen met tweede spoor en volgens betr “moet dat anders maar”, denkt ook na over een half jaar onbetaald verlof om “van het gezeur af te zijn” O: geagiteerd E: med gezien geen reden voor duurzame beperkingen”. Het bericht werkgever van verweerder (BWG) luidde dat het herstel stagneerde en dat ter voorkoming van onnodig verzuim betrokkene de komende drie weken arbeidsgeschikt was voor 6x6 uur per week, op basis van boventalligheid waarbij voor deze periode tevens een beperking voor ’s nachts werken gold. Na drie weken zou betrokkene geschikt zijn voor haar eigen werkzaamheden voor 6x6 uur per week met het advies om de urenbelasting in onderling overleg op te gaan bouwen naar volledig in een periode van vier weken. Opnieuw werd geen vervolgafspraak geadviseerd.

Op 29 april 2016 vroeg de werkgever om een functionele mogelijkheden lijst (FML) voor klaagster in het kader van een arbeidsdeskundigenonderzoek. Verweerder heeft deze lijst niet opgesteld omdat hij van oordeel was dat er geen sprake was van medische problematiek.

Op 9 mei 2016 schreef verweerder: “Medisch: na 4 dagen werken toenemend moe, krachtsverlies re arm en hoofdpijn, pmc werkt niet, heeft nog 1x MT, maar verder geen med, momenteel geen kl want heeft vakantie. Werk: werkt volledig maar houdt dit niet vol: “ik kan inhoudelijk prima mijn eigen werk doen maar max 4 dagen achtereen en zeker geen 8 dgn”, wens: (tijdelijk, bv half jaar) ander werk gaan doen (bv ouderenzorg, heeft VIG-diploma) en dan weer terug in de kraam, doet dit werk nu 21 jaar, privé: “mijn sociale leven is nul komma nul” à moet dus keuzes maken om weer in balans te komen! G. (re-integratiebedrijf) ingeschakeld en deze willen nu een FML om functies te kunnen duiden”. Het BWG: “Er is sprake van een chronische disbalans tussen de belastbaarheid van betrokkene en de belasting van haar functie. Er is geen interventie aangewezen ter verhoging van haar belastbaarheid. Er is geen sprake van medische problematiek. Ik heb haar naar u toe verwezen voor het inventariseren van een passende oplossing. Ik heb geen vervolgafspraak geadviseerd”.

Klaagster vroeg verweerder naar aanleiding van deze rapportage op 9 mei 2016 per

e-mail wat het betekende dat “er geen goede balans is met mijzelf en werk maar dat er ook geen medisch problematiek is. Maar dat is voor een ander erg onduidelijk. Want dan lijkt het net of ik mijn werk niet kan doen wegens ...?? Privéredenen, psychische dingen, flexibiliteit…? Hoe wordt dit bedoelt en gezien? Want ik heb aangegeven dat ik geen ontslag ga nemen en dan ander werk zoeken. Ik zou langdurig ingezet kunnen worden na verkleining van het contract en traploze zorgen vanaf juli 2015. En dit bleek ook goed te werken.” Verweerder antwoordde dezelfde avond dat hij zeker niet bedoelde dat klaagster ontslag moest nemen maar dat ze samen met de leidinggevende op zoek moest gaan naar verschillende mogelijkheden om een functie te vinden die ze goed zou kunnen volhouden. Op 12 mei 2016 schreef klaagster verweerder een uitvoerige e-mail waarbij ze haar problematiek toelichtte. Verweerder heeft hier niet op gereageerd.

Op 21 september 2016 ontving klaagster naar aanleiding van een ziekmelding van die dag een e-mail van de werkgever dat deze in overleg met verweerder de ziekmelding niet accepteerde. “De bedrijfsarts (bedoeld was verweerder) blijft bij zijn eerdere advies dat er geen medische problematiek is vastgesteld. Je hebt zelf om een consult bij de bedrijfsarts gevraagd, maar daar ziet de bedrijfsarts zelf de toegevoegde waarde niet van in. Wel is er de mogelijkheid tot telefonisch consult vandaag, maar die optie zie jij niet zitten”.

Een fysiotherapeut rapporteerde op 22 september 2016 aan de huisarts -kort gezegd- dat het klachtenbeeld bij whiplash paste en dat klaagster binnen drie maanden klachtenvrij en arbeidsbelastbaar moest kunnen zijn. Klaagster leek voldoende coöperatief en te prijzen viel dat ze weerbaarheid toonde en een second opinion had gevraagd, aldus de fysiotherapeut.

Op 3 oktober 2016 concludeerde verweerder wederom dat er geen sprake was van medische problematiek. “Betr is woedend op wg, FNV ingeschakeld, veel stress om werk en daarom weer ZM, binnenkort gesprek met directeur en verwacht dat ze dan weg moet of weer 8 dgn per week moet gaan werken, wens/eis: max 4 dgn per week (betr wil dit juridisch aanvechten, principekwestie, heeft het geld niet nodig) en wil vakantiedagen terug.” In een toelichting aan de werkgever schreef verweerder onder meer:

“Dit betekent dat betrokkene op medische gronden volledig arbeidsgeschikt is voor de bedongen arbeid. Indien de bedongen arbeid 8 dagen per cyclus is dan is zij hiervoor volledig arbeidsgeschikt.” Verweerder adviseerde een passende oplossing te inventariseren met de werkgever en adviseerde geen vervolgafspraak.

Op 3 november 2016 e-mailde de werkgever aan verweerder dat klaagster nu whiplashgerelateerde klachten had die door huisarts en specialist werden onderbouwd. Verweerder werd verzocht om het medisch dossier bij de huisarts op te vragen. Verweerder noteerde op die datum: “Medisch: geen nieuwe feiten, betr houdt nekkl - à HA: “wat stagneert er nu?” à doorverwezen naar een revalidatiecentrum, hier reeds intake gehad: er is geen onderhoudende psychische component waardoor betr het kortere traject van 12 weken heeft voorgeschreven gekregen, betr werkt nu

4 dgn per cyclus, dit kan ze goed aan en advies van arts is dan ook om dit niet te overschrijden omdat anders het traject geen zin heeft.” Het BWG (waar klaagster zich volgens verweerder “prima in kan vinden”) luidde: “Er is nieuwe medische informatie. Betrokkene gaat op korte termijn een behandeltraject volgen van

12 weken. Gedurende dit traject is ze arbeidsgeschikt voor haar eigen werkzaamheden voor 4 dagen per cyclus. De oorzaak van de klachten hangt samen met de ziekmelding op 21-07-15 (opmerking college: bedoeld is een ongeval op

17 oktober 2015 zoals later door verweerder gecorrigeerd). Naar verwachting is ze na afloop van dit traject weer volledig arbeidsgeschikt voor de bedongen arbeid. Ik zal uit zorgvuldigheidsoverwegingen informatie gaan opvragen bij haar behandelaar ter onderbouwing van mijn advies”. Verweerder heeft op 14 december 2016 informatie bij H. opgevraagd.

Op 2 januari 2017 adviseerde verweerder mede op basis van informatie van behandelaar H.: “Het revalidatietraject duurt tot 14-02. Tot die tijd blijft ze arbeidsgeschikt voor haar eigen werkzaamheden voor 4 dagen per cyclus. Vanaf

14-02 is het advies om de eigen werkzaamheden in onderling overleg in een periode van 6 weken geleidelijk op te gaan bouwen naar volledig. Er is derhalve miv 28-03 geen sprake meer van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek. Ik heb geen vervolgafspraak geadviseerd.”

Op 13 februari 2017 rapporteerde het multidisciplinaire team van H. aan de huisarts in verband met de behandeling van klaagster van 7 november 2016 tot en met 9 februari 2017. Er waren -kort weergegeven- volgens H. weinig herstelbelemmerende factoren aanwezig, zowel fysiek als mentaal. Een in het verleden bestaande bursitisklacht in de heup had het opbouwen licht vertraagd maar de doelstellingen werden behaald te weten dat het herstelvermogen van klaagster was toegenomen en niet langer dan twee dagen bedroeg; de beweeglijkheid in de nek was geoptimaliseerd en klaagster doseerde voldoende en wisselde voldoende af met bewegen. Het advies was dat klaagster haar grenzen moest blijven aangeven en aanhouden; dat ze een sportschema moest volgen en dat ze haar werkzaamheden gedoseerd moest opbouwen.

Verweerder schreef op 13 maart 2017: “Kracht is wel verbeterd maar moet via med fitness verder aansterken, sinds de opbouw in uren weer toename aan pijnkl waarvoor weer diclofenac, blijft samen met FNV met onderhandeling met wg, gesteggel over het moeten werken in gelijkvloerse gezinnen en niet ver weg wat haar volgens betr toegezegd is”. Hij oordeelde: “medisch gezien geen nieuwe feiten maar tactisch gezien betr nog wat meer tijd geven om tot keuzes te komen. (..) betr geeft aan het 2e spoor in te willen, wil wel in de zorg blijven. De re-integratie stagneert. De uiteindelijke oplossing kan niet via voortdurend ziekteverzuim bereikt worden. Betrokkene zal tot keuzes moeten komen betreffende haar werktoekomst.” Met ingang van 1 mei 2017 was er volgens verweerder geen sprake van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek.

Op 19 mei 2017 schreef klaagster haar werkgever dat ze inmiddels slaapmedicatie van de huisarts kreeg. Ze hoopte bij een bezoek aan de psycholoog meer duidelijkheid te krijgen en zei het jammer te vinden dat ze naar verweerder moest waar ze weinig vertrouwen in had.

Op 22 mei 2017 noteerde verweerder: “Medisch: geen nieuwe feiten, adv FNV: outplacement, duo baan lukt niet, zou na de meivak weer gaan werken maar “ik voel mij steeds slechter”, slaapt erg slecht, morgen gesprek POH, temazepam van HA (..) ik bel I. om vrijstelling van arbeid te adviseren. BWG: Het advies van 13-03 blijft onveranderd van toepassing”.

Op 24 mei 2017 stelde H. een aanvullende rapportage op gericht aan de huisarts naar aanleiding van een evaluatiegesprek met klaagster op 23 mei 2017. Wanneer er  ruimte zou worden geboden aan een opbouw als omschreven in hun eerdere adviezen zou klaagster uiteindelijk weer in staat zijn haar volledige uren te werken. Het feit dat werkgever hiervoor geen mogelijkheden zag, had - aldus nog steeds H. - in de afgelopen weken geleid tot een sterke toename van stressgerelateerde spanningsklachten, somberheid en slaapproblemen. De rek was er nu steeds meer uit en de mentale klachten namen toe. De behandelend psycholoog had geadviseerd om een psychologische behandeling op te starten gericht op “verwerking van gebeurtenissen op werkvloer, creeëren van perspectief op de toekomst en omgaan met de daardoor ontstane stress en spanningsklachten.” Medicamenteuze ondersteuning door de huisarts werd geadviseerd in verband met de slaapproblemen. 

Op 3 juli 2017 zag verweerder klaagster. De werkgever berichtte tevoren dat klaagster mentale klachten had gekregen en stelde outplacement of J. voor en verweerder werd gevraagd of de klachten werkgerelateerd waren. Verweerder:” Geen nieuwe feiten, psycholoog: “zet een punt achter E.”, betr gaat dit weekend voor 15 dgn nr K. met man (..) adv: neem besluit over J. en/of outplacement! (..) Het advies van 13-03 blijft onverminderd van toepassing”.

Klaagster heeft na juli 2017 geen contact meer gehad met de werkgever.

Op 14 augustus 2017 heeft verweerder een verwijsbrief voor klaagster geschreven omdat ze een second opinion wilde.

In september 2017 is klaagster in behandeling gekomen bij een gz-psycholoog. 

Op 9 oktober 2017 zag verweerder klaagster voor het laatst, dat gebeurde op initiatief van klaagster. Hij noteerde dat klaagster een deskundigenoordeel bij de O. had aangevraagd om de re-integratie inspanningen van de werkgever te laten toetsen. Verder had klaagster documenten bij zich die verweerder aan het dossier heeft toegevoegd.

Op 13 oktober 2017 heeft klaagster een WIA-aanvraag gedaan. Op 6 november 2017 besliste het O. dat klaagster met ingang van 21 oktober 2017 geen recht op een WIA-uitkering had omdat klaagster niet aan de voorwaarde voldeed dat zij haar werk niet (volledig) had kunnen doen door ziekte gedurende 104 weken. Klaagster was immers vóór 21 oktober 2017 hersteld verklaard. Klaagster heeft op 6 november 2017 bezwaar gemaakt tegen de beslissing van het O..

Op 9 november 2017 rapporteerde een collega bedrijfsarts in het kader van een second opinion na het telefonisch horen van klaagster aan verweerder:

“Op basis van de verkregen informatie van u en betrokkene, mijn bevindingen van vandaag (9-11-2017), de lopende behandeling en het actuele dagverhaal van betrokkene kan m.i. niet gesteld worden dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid op medische gronden maar zijn er wel benutbare mogelijkheden tot arbeid.” Hij adviseerde om een arbeidsbelastbaarheidsonderzoek in gang te zetten om de arbeidsmogelijkheden dan wel beperkingen in kaart te brengen om op basis hiervan de verdere re-integratie vorm te geven. Verweerder heeft deze rapportage ontvangen maar is niet gevraagd om op grond hiervan zijn oordeel bij te stellen. Hij heeft verder niets met de informatie gedaan.

Op 10 januari 2018 kwam een verzekeringsarts in het kader van het bezwaar van klaagster tot het oordeel dat klaagster niet onafgebroken arbeidsongeschikt was geweest en de wachttijd derhalve niet was volgemaakt.

De psycholoog rapporteerde op 27 februari 2018 over de behandeling van klaagster dat er sprake was van burn-out gerelateerde klachten: ”o.a. zich onrustig/gejaagd voelen, zich niet meer kunnen ontspannen, maar zich toch extreem vermoeid voelen en veel lichamelijke klachten (pijn, spierspanning) en slaapproblemen welke nu grotendeels in remissie zijn. De toegenomen spanningen tussen cliënte en haar werkgever lijken aanleiding te hebben gegeven tot toename van deze klachten. Cliente rapporteert nog aanhoudende traumagerelateerde klachten; o.a. ervaart cliënte heftige fysieke en emotionele reacties op triggers die doen denken aan de situatie met de werkgever, forse slaapproblemen en nachtmerries, en bestaat er vermijding van triggers die doen denken aan de situatie met haar werkgever, trekt zij zich terug uit sociale contacten, ervaart ze concentratieproblemen en prikkelbaarheid. Cliënte maakte rondom oktober 2017 een zeer onrustige indruk en gaf aan moeite te hebben haar klachten in relatie tot de situatie te vatten, hetgeen haar verwarring en onrust in eerste instantie versterkte. (..) De burn-out gerelateerde klachten zijn na een eerste behandeltraject grotendeels in remissie. Cliente kan haar klachten, in samenhang met de omstandigheden waarin zij verkeerd, beter begrijpen. Daarnaast weet zij beter haar lichamelijke signalen van overbelasting te herkennen, begrijpen en hanteren in het kader van toenemende spanning. Zij ervaart veel sociale steun en kan adequater haar grenzen aangeven. (..) In een vervolg behandeltraject zal gestart worden met verwerking van de ingrijpende gebeurtenissen (EMDR). (..) Wanneer trauma gerelateerde klachten verminderd zijn kan zij in samenwerking met de therapeut stap voor stap haar vermijdingsgedrag leren verminderen”.

Op 13 juni 2018 rapporteerde de fysiotherapeut aan klaagster over de periode maart tot en met augustus 2017 dat de klachten van de nekregio en van de linker heup verminderd waren en de belastbaarheid van beide regio’s was geoptimaliseerd maar nog niet volledig was hersteld. Hieraan werd gewerkt door een oefenprogramma.

Op 28 juni 2018 vond een hoorzitting plaats in het kader van het bezwaar tegen de beslissing van het O..

De verzekeringsarts bezwaar en beroep maakte op 3 juli 2018 een rapport op. Op basis van zijn onderzoek waarbij hij de genoemde informatie van de behandelaars, loonstroken en e-mail over acceptatie arbeidsongeschiktheid had meegewogen kwam hij tot het oordeel dat klaagster geacht moest worden doorlopend arbeidsongeschikt te zijn geweest voor de maatgevende arbeid vanaf 24 oktober 2015. “Het is niet de vraag of verzekerde klachten en beperkingen heeft maar de vraag is of verzekerde met haar beperkingen in staat kon worden geacht tot het uitvoeren van haar werkzaamheden”. De arts zag bij zijn onderzoek geen wezenlijke psychopathologie. Met name op basis van de informatie van H. kwam hij tot het oordeel dat er al in mei 2017 sprake was van een toename van stressgerelateerde spanningsklachten, somberheid en slapeloosheid naast de fysieke klachten. Het waren die psychische klachten, moeheid, hulpeloosheid, opgebrand zijn, controleverlies, concentratieverlies, onzekerheid, slapeloosheid en tandenknarsen die klaagster het meest parten speelden. Angsten en vermijdingsgedrag speelden daarin ook een rol. Op grond hiervan was klaagster niet geschikt te achten voor haar maatgevende arbeid als kraamverzorgster. De arts nam hierbij ook het oordeel van de second opinion van 9 november 2017 mee dat niet gesteld kon worden dat er geen sprake was van arbeidsongeschiktheid op medische grond.

Op 9 juli 2018 is in bezwaar geoordeeld dat klaagster vanaf 24 oktober 2015 doorlopend arbeidsongeschikt voor haar arbeid was en de wachttijd voor de WIA daarmee had volbracht per 21 oktober 2017.

Klaagster had rond september 2018 weer voor het eerst contact met haar voormalig werkgever en heeft thans een andere baan voor drie dagen.

2.      HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT

Klaagster verwijt verweerder - zakelijk weergegeven - dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld bij haar verzuimbegeleiding in de periode van oktober 2015 tot en met eind 2017. Zij heeft dit in 22 klachtpunten weergegeven. Voor zover van belang zullen de verschillende klachtonderdelen bij de overwegingen aan de orde komen. 

3.      HET STANDPUNT VAN VERWEERDER

Verweerder voert - zakelijk weergegeven - aan dat hij heeft gehandeld binnen de norm van een redelijk handelend en redelijk bekwaam beroepsgenoot en dat hem derhalve geen tuchtrechtelijk verwijt treft. Zijn verweer komt er in de kern op neer dat de klachten aanvankelijk nog wel whiplashgerelateerd waren maar uiteindelijk slechts veroorzaakt werden door een conflict met de werkgever. Vóór november 2016 was er in het medisch toestandsbeeld geen aanleiding om nader onderzoek te doen dan wel informatie op te vragen. Ook bij de intake bij H. was er van een psychisch toestandsbeeld geen sprake. Nadere informatie van H. was verweerder niet bekend. Hij oordeelde destijds slechts op basis van hem bekende informatie en niet op basis van wat nadien bekend geworden is. En hoewel hij van oordeel was dat er geen arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek was - hij zag geen reden voor urenbeperking bijvoorbeeld om energetische redenen - heeft hij zijn advies verschillende keren aangepast om klaagster meer tijd te gunnen. Hij had de verwachting dat klaagster er met de werkgever uit zou kunnen komen. In mei 2017 heeft verweerder de werkgever nog verzocht haar vrij te stellen van arbeid in verband met klachten en een advies van de FNV voor outplacement. Nadien heeft verweerder geen inhoudelijk advies meer gegeven. Hij heeft klaagster voor het laatst gezien op 9 oktober 2017.

Verweerder was voldoende toegankelijk; er vond meermalen een consult op initiatief van klaagster plaats. Voor zijn visie verwijst verweerder verder naar het dossier dat overigens aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Verschrijvingen heeft verweerder rechtgezet.

4.       DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Klaagster heeft 22 klachtpunten geformuleerd. Het college heeft deze met klaagsters goedvinden ter zitting in zes onderdelen bijeengenomen. Klaagster verwijt verweerder dat hij in de periode oktober 2015 tot eind 2017:

1. onvoldoende eigen (lichamelijk) onderzoek heeft gedaan dan wel onvoldoende informatie heeft opgevraagd bij de behandelaars van klaagster;

2. klaagsters toestand verkeerd, onkundig en onduidelijk heeft beoordeeld;

3. klaagster niet serieus heeft genomen en haar niet heeft geholpen;

4. niet toegankelijk en niet onafhankelijk was;

5. zijn dossier niet op orde had;

6. heeft veroorzaakt dat de klachten erger zijn geworden.

Het college zal hieronder dezelfde rubricering aanhouden.

5.3

De klachtonderdelen 1, 2 en 3 zijn met elkaar verweven en komen er in de kern op neer dat verweerder zijn taak en zijn zorgplicht als bedrijfsarts heeft verzaakt door onvoldoende onderzoek te doen en klaagster onvoldoende serieus te nemen en - aldus - haar toestand verkeerd te beoordelen en onvoldoende hulp te bieden.

Het college oordeelt als volgt.

Omdat verweerder uitging van whiplashklachten met een maximale herstelperiode van drie tot zes maanden had hij, toen het herstel in maart 2016 stagneerde en zeker naar aanleiding van het consult van 9 mei van dat jaar, adequater op moeten treden. Zo had hij door middel van contact met klaagsters huisarts en haar fysiotherapeut moeten onderzoeken in hoeverre er een ziekte-achtergrond bestond voor het niet langer dan vier dagen achtereen kunnen werken, en voorts of en hoe snel de ingezette behandeling effect zou kunnen hebben. Ook de M. (M.) van de Nederlandse vereniging voor Neurologie schrijft een actieve houding van de bedrijfsarts voor. In een vroeg stadium dient, om re-integratie te bevorderen, een gezamenlijke visie van alle behandelaars ontwikkeld te worden. Verweerder heeft echter zonder nadere informatie in te winnen vastgesteld dat er geen sprake (meer) was van arbeidsongeschiktheid door ziekte. Het gegeven dat de klachten tijdens een vakantie afnamen levert, anders dan verweerder kennelijk meent, op zichzelf geen valide argument op voor die conclusie.

Dat betekent dat de klacht dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan slaagt.

5.4

Daarnaast roept verweerders aanpak ook indien van de juistheid van zijn conclusie zou moeten worden uitgegaan vragen op. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, is verweerders advies om bij gebreke van beperkingen toch de werkzaamheden te beperken niet inzichtelijk. Verder valt op dat verweerder een van zijn voornaamste constateringen, te weten dat er sprake was van een chronische disbalans tussen de belastbaarheid en de belasting, in zijn adviezen niet heeft toegelicht of onderbouwd en ook ter zitting desgevraagd niet heeft kunnen verhelderen. Zijn conclusie dat die disbalans geen aanleiding gaf tot een interventie ter verhoging van de belastbaarheid is daardoor evenmin begrijpelijk.

De klacht dat verweerders beoordeling onvoldoende duidelijk was slaagt.

5.5

De klacht dat verweerder klaagster onvoldoende begeleiding heeft geboden slaagt eveneens. Immers, ook indien er, zoals verweerder heeft gedaan, van zou moeten worden uitgegaan dat een conflict met de werkgever de hoofdoorzaak van het uitblijven van herstel was, had een actievere opstelling van verweerder in de rede gelegen. Hij had bijvoorbeeld medewerking kunnen verlenen toen hem gevraagd was een FML op te stellen, hij had ook coaching of bemiddeling kunnen voorstellen om de onderhandelingen te bespoedigen. In de werkwijzer van N.  (N.) had hij daarvoor voldoende aanknopingspunten kunnen vinden. Verweerder kon in elk geval niet volstaan met het terugsturen van klaagster naar haar werkgever, in de hoop dat - zoals hij ter zitting verklaarde – zij samen wel tot een 4-daags schema zouden komen, zonder haar op zijn minst een vervolgafspraak aan te bieden. Door de kwestie, in plaats van deze actief te blijven volgen, de facto af te sluiten heeft verweerder zijn zorgplicht tussen mei en oktober 2016 verzaakt. Uiteindelijk was er inmenging van de FNV en van H. en een interventie van de huisarts nodig om hem weer tot actie te bewegen.

5.6

Verder heeft verweerder vervolgens weliswaar (eenmalig) informatie opgevraagd van H., maar hoewel hij zijn advies heeft aangepast gedurende de revalidatie vormde dat geen aanleiding om alsnog contact te zoeken met de behandelaars of om zijn eerder ingenomen standpunt inhoudelijk te heroverwegen. Wederom gaf hij klaagster wel een tijdelijke beperking van haar werkzaamheden maar oordeelde hij tegelijkertijd dat er geen energetische beperking bestond om tot een urenbeperking te komen bij het verrichten van de bedongen arbeid. Hij noteerde op voorhand dat klaagster arbeidsgeschikt zou zijn aan het einde van het traject. Hij maakte ook toen geen vervolgafspraak om een en ander te kunnen volgen en zo nodig nader te onderzoeken. Hij kende de eindrapportage van H. niet en hij vroeg deze ook niet op. Toen er na het einde van het traject in het voorjaar van 2017 weer stagnatie in het re-integratietraject optrad, handhaafde verweerder - wederom zonder ruggespraak met de behandelende sector - vanaf 13 maart 2017 zijn eerder gegeven conclusie dat er geen sprake was van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek, ook toen er vanaf mei 2017 sprake was van slaapproblemen en vanaf juli 2017 van mentale klachten.

5.7

Gelet op het voorgaande zijn de klachtonderdelen 1, 2 en 3 gegrond.

5.8

Het verwijt dat verweerder voor klaagster niet toegankelijk was treft geen doel. Klaagster kon op verschillende momenten op haar eigen initiatief bij hem terecht en waar dat niet meteen mogelijk was kon zij een telefonische afspraak krijgen. Dat zij hierin is belemmerd, is niet gebleken.

Dat verweerder zich wat betreft zijn oordeel onvoldoende onafhankelijk heeft opgesteld is evenmin gebleken. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat partijdigheid of afhankelijkheid van klaagsters werkgever in zijn handelen een rol heeft gespeeld.

Voorts geeft het dossier, waarin feitelijke onjuistheden door verweerder zijn hersteld, een voldoende beeld van de contacten met klaagster, haar klachten en standpunten over haar beperkingen, en van verweerders conclusies. Dat deze conclusies, zoals hierboven is overwogen, de toets der kritiek niet kunnen doorstaan, maakt niet dat er sprake is van ondeugdelijke dossiervorming in tuchtrechtelijke zin. Van dat laatste is naar het oordeel van het college geen sprake.

De conclusie is dat de klachtonderdelen 4 en 5 niet slagen.

5.9

Aangezien het doen van een uitspraak over causaal verband tussen het handelen van verweerder en mogelijke gevolgen in het algemeen niet tot de taak van het college behoort, treft ook het laatste klachtonderdeel 6 geen doel.

5.10

Nu de hoofdklacht gegrond is dient een maatregel te volgen. Verweerder heeft zich op verschillende momenten gedurende een relatief lange periode onvoldoende van zijn taak gekweten. Het college hecht daarbij belang aan het gegeven dat de rol die een bedrijfsarts vervult van grote invloed kan zijn op het werk en inkomen van een betrokkene en dus tot grote zorgvuldigheid dwingt. Verweerder heeft er onvoldoende blijk van gegeven - ook ter zitting – zich daarvan bewust te zijn. Daarom acht het college een berisping passend.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet althans onvoldoende, is bestreden.

In aanvulling hierop, stelt het Centraal Tuchtcollege vast dat klaagster het O. in 2016 heeft gevraagd om een deskundigenoordeel. Zij deed dit nadat de bedrijfsarts op 9 mei van dat jaar had aangegeven dat er naar zijn oordeel bij klaagster geen sprake was van medische problematiek, maar wel van een chronische disbalans tussen haar belastbaarheid en de aan haar functie te relateren belasting. De betrokken O.‑verzekeringsarts is op 14 juli 2016, na lezing van het dossier, onderzoek van klaagster op haar spreekuur en overleg met de bedrijfsarts, in het deskundigenoordeel tot de conclusie gekomen dat er op dat moment inderdaad geen sprake was van medische problematiek en dat het beleid van de bedrijfsarts kon worden gevolgd.

4.         Beoordeling van het principaal beroep en het incidenteel beroep

4.1       Klaagster heeft in eerste aanleg 22 klachtpunten geformuleerd. In de kern komen deze erop neer dat de verzuimbegeleiding door de bedrijfsarts onzorgvuldig is geweest en niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de 22 klachtpunten met goedvinden van klaagster in zes onderdelen bijeengenomen en beoordeeld. Het principaal beroep van de bedrijfsarts richt zich tegen de gegrondverklaring door het Regionaal Tuchtcollege van de klachtonderdelen 1, 2 en 3 en tegen de opgelegde berisping. De bedrijfsarts vraagt het Centraal Tuchtcollege de bestreden beslissing in zoverre te vernietigen en de klachtonderdelen 1, 2 en 3 alsnog ongegrond te verklaren. Het incidenteel beroep van klaagster richt zich tegen de ongegrondverklaring van de klachtonderdelen 4 en 5. Klaagster vraagt het Centraal Tuchtcollege de bestreden beslissing in zoverre te vernietigen en deze klachtonderdelen alsnog gegrond te verklaren. Klaagster en de bedrijfsarts hebben over en weer gemotiveerd verweer gevoerd. Klaagster wil dat het principaal beroep van de bedrijfsarts wordt verworpen. De bedrijfsarts wil dat het incidenteel beroep van klaagster wordt verworpen.

4.2       Tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 6 is geen beroep ingesteld. Dit klachtonderdeel is in deze beroepsprocedure dus niet meer aan de orde.

Klachtonderdelen 1, 2 en 3 (principaal beroep)

4.3       De klachtonderdelen 1, 2 en 3 gaan over onvoldoende eigen onderzoek en het niet opvragen van informatie bij behandelaars, een onjuiste beoordeling van klaagsters toestand en het niet serieus nemen en niet helpen van klaagster.

a.      De periode van 23 november 2015 tot 3 november 2016

4.4       Toen de bedrijfsarts klaagster op 23 november 2015 voor het eerst op zijn spreekuur zag, stelde hij vast dat er op dat moment als gevolg van een whiplashtrauma geen benutbare arbeidsmogelijkheden waren. Zijn advies luidde dat klaagster na drie weken haar werkzaamheden kon hervatten, zij het met beperkingen. Tijdens het volgende spreekuur, op 1 februari 2016, bleek dat klaagster inderdaad weer gedeeltelijk aan het werk was gegaan en dat haar herstel verliep volgens verwachting. De bedrijfsarts adviseerde toen – overeenkomstig het advies van de fysiotherapeut die klaagster behandelde – om de werkzaamheden gedoseerd verder op te bouwen naar volledig.

4.5       Bij het daaropvolgende spreekuur, op 21 maart 2016, bleek dat het herstel stagneerde. Klaagster werkte op dat moment 6 x 6 uur en gaf aan weer volop pijnstillers nodig te hebben. Zij voelde zich onder druk gezet door haar werkgever, die vond dat de re-integratie te lang duurde, en zij gaf aan met hem een aanvaring gehad te hebben. De bedrijfsarts adviseerde daarop een aangepast, langzamer opbouwschema, waarin klaagster zeven weken na dit laatste spreekuur weer volledig haar eigen werkzaamheden zou verrichten. Volgens de bedrijfsarts waren er medisch gezien toen echter geen redenen voor duurzame beperkingen.

4.6       Tijdens het spreekuur op 9 mei 2016 bleek dat klaagster inmiddels weer volledig werkte. Zij hield dit naar eigen zeggen echter niet vol, omdat zij, na vier dagen achtereen te hebben gewerkt, steevast lichamelijke klachten kreeg. Klaagster gaf aan zeker geen acht dagen (de duur van een kraamzorg-cyclus) achtereen te kunnen werken. De bedrijfsarts concludeerde ook toen dat van medische problematiek geen sprake (meer) was. Hij constateerde een chronische disbalans tussen de belastbaarheid van klaagster en de belasting die haar functie meebracht. De bestaande klachten waren volgens de bedrijfsarts vooral het gevolg van de stress van een dreigend verstoorde arbeidsverhouding, omdat klaagster en haar werkgever het niet eens konden worden over het aantal dagen achtereen dat klaagster diende te werken.  

4.7       Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege mocht de bedrijfsarts er op grond van zijn eigen bevindingen en professionele afwegingen van uitgaan dat in mei 2016 geen sprake meer was van medische problematiek en dat de klachten van klaagster vooral verband hielden met de onenigheid tussen klaagster en haar werkgever. Daarbij is meegenomen dat op 9 mei 2016 sinds het ongeval ongeveer vijf maanden waren verstreken, er op 1 februari 2016 nog sprake was van een ongecompliceerd herstel, klaagster geen medicatie meer gebruikte en de manuele therapie was afgebouwd.  

            Zonder medische oorzaak voor de klachten, bestond er voor de bedrijfsarts geen aanleiding om de M. (M.) te volgen. Het Centraal Tuchtcollege ziet daarmee, anders dan het Regionaal Tuchtcollege, ook geen grond voor het oordeel dat de bedrijfsarts door navraag te doen bij klaagsters huisarts en haar fysiotherapeut nader had moeten onderzoeken in hoeverre er een ziekte-achtergrond bestond voor het niet langer dan vier dagen achtereen kunnen werken. Er was destijds geen verschil van mening over het ziektebeeld en klaagster had de bedrijfsarts kennelijk zelf ook niet gevraagd om medische informatie bij haar behandelaars op te vragen. Het oordeel van de bedrijfsarts dat er geen sprake meer was van arbeidsongeschiktheid door ziekte of gebrek werd vervolgens bevestigd door het O.-deskundigenoordeel van

14 juli 2016. Het Centraal Tuchtcollege komt in zoverre tot een andere conclusie dan het Regionaal Tuchtcollege.

4.8       Daarentegen is het Centraal Tuchtcollege met het Regionaal Tuchtcollege van oordeel dat de beoordeling door de bedrijfsarts van de situatie waarin klaagster verkeerde in deze periode niet duidelijk was. De bedrijfsarts heeft zijn conclusie dat sprake was van een chronische disbalans tussen de belastbaarheid van klaagster en de belasting in zijn adviezen niet nader toegelicht of onderbouwd. Ook het advies van de bedrijfsarts om, hoewel geen sprake meer was van (medische) beperkingen, toch de werkzaamheden te beperken was niet inzichtelijk. De enkele door de bedrijfsarts in beroep betrokken stelling dat als op 21 maart 2016 was vastgehouden aan het opbouwschema van 1 februari 2016 klaagster in een periode van drie weken weer volledig aan het werk had gemoeten, acht het Centraal Tuchtcollege in dit verband onvoldoende.

4.9       Voorts heeft het Regionaal Tuchtcollege terecht geoordeeld dat de bedrijfsarts klaagster in deze periode onvoldoende begeleiding heeft geboden. De bedrijfsarts heeft zich te afwachtend opgesteld. Hij heeft alleen na het eerste spreekuur, op 23 november 2015, een vervolgafspraak ingepland. Na de daaropvolgende spreekuren heeft hij geen vervolgafspraak voorgesteld, terwijl dit zeker in de periode dat klaagster haar werkzaamheden nog aan het opbouwen was wel in de rede had gelegen. Ook toen de bedrijfsarts ervan uitging (en ervan mocht uitgaan) dat het uitblijven van volledig herstel geen medische oorzaak had, maar mogelijk verband hield met een conflict tussen klaagster de werkgever, mocht van hem een actievere opstelling worden verwacht. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft de juistheid van rechtsoverweging 5.5 van de bestreden beslissing.

b.      De periode vanaf 3 november 2016 tot 1 mei 2017

4.10     In november 2016 ontving de bedrijfsarts bericht van de werkgever dat klaagster whiplash-gerelateerde klachten had die door huisarts en specialist werden onderbouwd. Klaagster zou bij H. een twaalf weken durend revalidatietraject gaan volgen. De bedrijfsarts adviseerde toen een beperking van de werkzaamheden van klaagster (in aantal achtereen te werken dagen) voor de duur van het traject en vroeg in december 2016 informatie op bij H.. De bedrijfsarts heeft in de nieuwe medische informatie en het feit dat klaagster op advies van de neuroloog naar H. is verwezen echter ten onrechte geen aanleiding gezien om zijn eerder ingenomen standpunt over de oorzaak van klaagsters klachten inhoudelijk te heroverwegen. Hij heeft aan het begin van het revalidatietraject geadviseerd dat klaagster na afloop weer arbeidsgeschikt zou zijn, maar heeft andermaal nagelaten om een vervolgafspraak te maken om een en ander te kunnen volgen. Toen de bedrijfsarts klaagster op 13 maart 2017 weer op het spreekuur zag en bleek dat het herstel wederom stagneerde, heeft hij zich niet ingespannen om de eindconclusies van H. te achterhalen, maar geconcludeerd dat er vanaf 1 mei 2017 geen sprake meer zou zijn van arbeidsongeschiktheid door ziekte of gebrek. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege had het doen van navraag bij H. in de gegeven omstandigheden echter wel in de rede gelegen. 

c.       De periode na 1 mei 2017

4.11     Ook toen klaagster vervolgens tijdens het spreekuur op 22 mei 2017 aangaf dat zij slaapproblemen had en zij op 3 juli 2017 meldde dat zij met mentale klachten kampte, handhaafde de bedrijfsarts zonder meer zijn eerdere conclusie dat er vanaf 1 mei 2017 geen sprake was van arbeidsongeschiktheid. Hij volhardde in zijn standpunt dat de klachten van klaagster slechts waren terug te voeren op een conflict met de werkgever en een chronische disbalans tussen belasting en haar belastbaarheid, zonder hierop bij klaagster door te vragen of navraag te doen (bijvoorbeeld bij haar behandelend psycholoog), terwijl hier ook nu wel aanleiding voor bestond. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat er aanvankelijk bij klaagster geen mentale belemmeringen voor herstel werden gezien. In beroep heeft de bedrijfsarts erkend dat hij op dit punt in deze periode in gebreke is gebleven. Verder liet de bedrijfsarts ook in deze periode na om vervolgafspraken te maken. Toen vervolgens een collega-bedrijfsarts in het kader van een second opinion tot de conclusie kwam dat er sprake was van (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid op medische gronden, heeft de bedrijfsarts ten onrechte niets met deze informatie gedaan.

4.12     Al het vorenstaande bijeengenomen komt het Centraal Tuchtcollege tot de slotsom dat de bedrijfsarts meermalen onvoldoende onderzoek heeft gedaan en klaagsters toestand onjuist dan wel niet op heldere wijze heeft beoordeeld. Bovendien heeft hij haar gedurende een langere periode onvoldoende begeleiding geboden. Dit betekent dat het Regionaal Tuchtcollege de klachtonderdelen 1, 2 en 3 terecht gegrond heeft verklaard.

Klachtonderdelen 4 en 5 (incidenteel beroep)

4.13     De klachtonderdelen 4 en 5 gaan over de toegankelijkheid en onafhankelijkheid van de bedrijfsarts en het door hem bijgehouden dossier.

4.14     Het Regionaal Tuchtcollege heeft deze klachtonderdelen terecht ongegrond verklaard. Dat, zoals klaagster betoogt, de bedrijfsarts herhaaldelijk geen vervolgafspraak heeft geadviseerd, laat onverlet dat klaagster op verschillende momenten op eigen initiatief bij de bedrijfsarts terecht kon dan wel een telefonische afspraak kon krijgen. De door klaagster in het incidenteel beroepschrift genoemde situaties zijn onvoldoende reden om desondanks te concluderen dat de bedrijfsarts voor klaagster niet voldoende toegankelijk was. Evenmin is gebleken dat de bedrijfsarts bij de verzuimbegeleiding zich niet onafhankelijk dan wel partijdig heeft opgesteld. Dit onderdeel van het beroep faalt daarom.

4.15     Het door de bedrijfsarts bijgehouden dossier geeft een voldoende helder beeld van de contacten met klaagster, haar klachten en haar standpunten over haar beperkingen, en van verweerders conclusies. Dat deze conclusies (bijvoorbeeld die betreffende de hiervoor bedoelde disbalans tussen belastbaarheid en belasting) niet steeds duidelijk zijn onderbouwd, betekent niet dat de dossiervorming als zodanig de tuchtrechtelijke toets der kritiek niet doorstaat. Ook dit onderdeel van het beroep slaagt niet.

            Maatregel

4.16     Het Regionaal Tuchtcollege heeft in eerste aanleg de oplegging van de maatregel van berisping als passend geoordeeld. In beroep oordeelt het Centraal Tuchtcollege weliswaar anders over de vraag of de bedrijfsarts in 2016 ervan mocht uitgaan dat bij klaagster geen sprake meer was van medische problematiek, doch met het Regionaal Tuchtcollege komt het Centraal Tuchtcollege tot de slotsom dat de bedrijfsarts zich op verschillende momenten gedurende een relatief lange periode onvoldoende van zijn taak heeft gekweten. Hij heeft zich meermalen te afwachtend opgesteld en heeft te lang vastgehouden aan zijn eerdere conclusies, ook toen er goede redenen waren voor heroverweging. Gelet hierop, kan niet worden volstaan met een waarschuwing en wordt ook in beroep een berisping passend geacht.

4.17     Het voorgaande betekent dat het principaal beroep van de bedrijfsarts en het incidenteel beroep van klaagster beide moeten worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

in het principaal beroep:

verwerpt het beroep  

in het incidenteel beroep:

verwerpt het beroep

Deze beslissing is gegeven door: R. Veldhuisen, voorzitter; E.F. Lagerwerf-Vergunst en T.W.H.E. Schmitz, leden‑juristen en W.A. Faas en M.L. van den Kieboom-de Groen, leden‑beroepsgenoten en E.D. Boer, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2020.

Voorzitter  w.g.          Secretaris  w.g.