Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGDKG:2020:43 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/671743 DWRK 19/473

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2020:43
Datum uitspraak: 24-01-2020
Datum publicatie: 03-08-2020
Zaaknummer(s): C/13/671743 DWRK 19/473
Onderwerp:
  • Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
  • Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Beslissing op verzet Niet gebleken is dat de gerechtsdeurwaarder het door klager toegestuurde inkomsten- en uitgavenformulier heeft gebruikt bij het vaststellen van de beslagvrije voet. Evenmin heeft de gerechtsdeurwaarder aangegeven waarom deze door klager toegestuurde informatie niet voldoende was of om nadere bewijsstukken gevraagd. Klager is doordat geen rekening is gehouden met deze gegevens, waardoor de beslagvrije voet te laag werd vastgesteld, in betalingsmoeilijkheden gekomen. Dit wordt gerechtsdeurwaarder sub 2 aangerekend. De kamer ziet aanleiding hem voor deze tuchtrechtelijke fout de maatregel van berisping op te leggen.   Twee van de drie gelegde beslagen zijn acht dagen na verloop van de termijn van artikel 475 i Rv aan klager zijn betekend. De gerechtsdeurwaarders hebben erkend dat de overbetekening te laat heeft plaatsgevonden en zij hebben daarom de kosten niet aan klager doorberekend. De gerechtsdeurwaarders hebben echter geen enkele reden gegeven waarom de betekening buiten de termijn heeft plaatsgevonden. Het niet naleven van een wettelijk voorschrift zonder dat daar enige verklaring voor is, is tuchtrechtelijk laakbaar. Aan gerechtsdeurwaarder sub 1 wordt € 500 boete opgelegd.  

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 24 januari 2020 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 20 augustus 2019 met zaaknummer C/13/654834 / DW RK 18/519 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/671743 / DW RK 19/473 MdV/RH ingesteld door:

[..] ,

wonende te [..],

klager,

tegen:

1. [..] ,

gerechtsdeurwaarder te ,

2. [..] ,

gerechtsdeurwaarder te ,

beklaagden.

Ontstaan en verloop van de procedure

Bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 27 september 2018, aangevuld op 29 oktober 2018 en 1 november 2018 heeft klager een klacht ingediend tegen medewerkers van de gerechtsdeurwaarders. Bij verweerschrift, ingekomen op 31 december 2018, hebben de gerechtsdeurwaarders op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 20 augustus 2019 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Aan klager is een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden bij brief van diezelfde datum. Bij e-mail van 2 september 2019 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 13 december 2019 alwaar klager en gerechtsdeurwaarder sub 2 zijn verschenen. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 24 januari 2020.

1. De ontvankelijkheid van het verzet

Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.

2. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-          Bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 29 augustus 2018 is klager veroordeeld tot betaling van een geldsom en de proceskosten aan de naamloze vennootschap Nationale-Nederlanden Bank N.V. (de bank).

-          Op 12 september 2018 hebben de gerechtsdeurwaarders de grosse van het vonnis aan klager betekend met bevel tot betaling.

-          Op 13 september 2018 stuurt klager het inkomsten- en uitgavenformulier met bijlagen naar de gerechtsdeurwaarders.

-          Op 26 september 2018 leggen de gerechtsdeurwaarders beslag onder de Volksbank en de Belastingdienst.

-          Op 8 oktober 2018 leggen de gerechtsdeurwaarders beslag onder het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.

-          Op 12 oktober 2018 zijn de drie beslagleggingen aan klager overbetekend.

-          Bij e-mail van 12 oktober maakt klager –samengevat– bezwaar tegen het bankbeslag, de hoogte van de beslagvrije voet, en de overbetekeningen.

-          Bij e-mail van 17 oktober 2018 informeren de gerechtsdeurwaarders klager welke bewijsstukken nodig zijn voor de correcte berekening van de beslagvrije voet.

-          Bij e-mail van 21 oktober 2018 reageren de gerechtsdeurwaarders inhoudelijk op het bericht van 12 oktober 2018. In het beslag onder de Belastingdienst is expliciet de voorlopige teruggaaf in het kader van de inkomstenbelasting uitgesloten van het beslag en er zijn geen kosten in rekening gebracht voor de te laat betekende beslagen.

-          Bij e-mail van 31 oktober 2018 informeren de gerechtsdeurwaarders klager dat de beslagvrije voet is herberekend.

-          Op 19 november 2018 heeft klager aanvullende gegevens aangeleverd en verzocht om een herberekening van de beslagvrije voet. De gerechtsdeurwaarders hebben vervolgens verzocht om nadere uitleg van de stukken.

-          Nadien heeft klager hoger beroep ingesteld en is in opdracht van de bank het loonbeslag alsmede het derdenbeslag onder de Belastingdienst opgeschort gedurende de looptijd van de procedure.

3. De oorspronkelijke klacht

Klager heeft samengevat geklaagd dat de gerechtsdeurwaarders:

a:         niet hebben gereageerd op zijn betalingsvoorstel;

b:         zonder aankondiging bankbeslag hebben gelegd en onterecht beslag hebben gelegd wetende dat klager zich bij het Budget Advies Centrum heeft aangemeld;

c:         de verkeerde beslagvrije voet toepassen;

d:         de overbetekening van de beslagen te laat hebben uitgevoerd;

e:         misbruik maken van recht door meermaals beslag te leggen ondanks de medewerking van klager en het aangekondigde thans ingestelde hoger beroep en de WSNP-aanvraag;

f:         geen rekening houden met preferente schuldeisers en daarom overheidsgelden onrechtmatig innen;

g:         gelden onnodig lang achterhouden.

4. De beslissing van de voorzitter

4.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

4.1 Ingevolge het daartoe bepaalde in de Gerechtsdeurwaarderswet kunnen slechts klachten worden ingediend tegen gerechtsdeurwaarders (waaronder mede worden begrepen waarnemend-, toegevoegd- en kandidaat-gerechtsdeurwaarders). Klachten tegen een gerechts­deur­waar­ders­kantoor of medewerkers van een kantoor worden daarbij geacht te zijn gericht tegen gerechtsdeurwaarders, die voor dit kantoor c.q. de medewerkers verantwoordelijk zijn. Nu de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders heeft aangevoerd dat de kamer de klacht als tegen de in de aanhef van deze beslissing genoemde gerechtsdeurwaardersgericht kan beschouwen, worden zij geacht verantwoordelijk te zijn voor de beklaagde medewerker. Deze gerechtsdeurwaarders zullen als beklaagde worden aangemerkt.

4.2 Betreffende klachtonderdeel a overweegt de voorzitter het volgende. Op grond van het bepaalde in artikel 6:29 van het Burgerlijk Wetboek is de schuldenaar zonder toestemming van de schuldeiser niet bevoegd het verschuldigde in gedeelten te voldoen. Dit brengt met zich mee dat de bank een betalingsregeling kan weigeren. De gerechtsdeurwaarders hebben aangevoerd dat de advocaat, voordat de rechtbank Utrecht het vonnis heeft uitgesproken, namens klager heeft getracht een betalingsregeling te treffen van € 25,- per maand. Dit voorstel hebben de gerechtsdeurwaarders voorgelegd aan de bank die het vervolgens heeft afgewezen. De beslissing van de bank is schriftelijk doorgegeven aan de advocaat. Daarbij mogen de gerechtsdeurwaarders verwachten dat de advocaat zijn cliënt hierover informeert.

In dit geval heeft klager middels het inkomsten- en uitgavenformulier wederom een betalingsvoorstel gedaan van € 25,- per maand. Nu de bank eerder niet akkoord is gegaan met het voorgestelde bedrag heeft de dossierbehandelaar geen schriftelijke afwijzing op het kennelijk herhaalde verzoek toegestuurd. De gerechtsdeurwaarders hebben erkend dat dit een onjuiste handelwijze is geweest en hebben de interne regels aangescherpt. De fout is niet zo ernstig omdat klager niet is geschaad in diens belangen en de advocaat hem over het eerdere afgewezen voorstel moet hebben geïnformeerd. Indien het laatste is nagelaten dan kan de klager dat niet verwijten aan de gerechtsdeurwaarders. Deze klacht zal derhalve als van onvoldoende gewicht worden afgewezen.

4.3 Betreffende klachtonderdeel b overweegt de voorzitter als volgt. Klager is op 29 augustus 2018 bij vonnis veroordeeld en heeft nadien nagelaten de vordering vrijwillig te voldoen. Het door de gerechtsdeurwaarders gelegde bankbeslag is dan ook niet in strijd met de tuchtrechtelijke norm. Klager staat op grond van artikel 3:276 van het Burgerlijk Wetboek met zijn hele vermogen in voor de vordering. Het staat de gerechtsdeurwaarders op grond van artikel 435 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vrij om beslag te leggen op vermogensobjecten van klager. Het vonnis is op 12 september 2018 aan klager betekend en is bevel tot betaling gedaan en aangezegd dat als aan het bevel geen gevolg zou worden gegeven het vonnis ten uitvoer zou worden gelegd door het leggen van (loon-uitkering) beslag. Het beslag is dus wel degelijk aangekondigd. Tuchtrechtelijk laakbaar handelen is niet gebleken.

4.4 Een gerechtsdeurwaarder is ingevolge zijn ministerieplicht wettelijk verplicht een titel te executeren indien daarom wordt verzocht. De gerechtsdeurwaarders hebben dan ook niet klachtwaardig gehandeld door de titel te executeren. Weliswaar is klager bezig met het regelen van zijn schulden (of dat via de gemeentelijke kredietbank is of ter voorbereiding op een wettelijke schuldsanerings­regeling), dit heeft niet tot gevolg dat de gerechtsdeurwaarders geen executiehande­lingen meer kunnen verrichten.

4.5 Ten aanzien van klachtonderdeel c overweegt dat voorzitter dat de beslagvrije voet in beginsel niet geldt indien er sprake is van een beslaglegging onder een bankinstelling. Onder omstandigheden kan er sprake van zijn dat toch een beslagvrije voet moet worden toegepast omdat uitgangspunt is dat klager een bestaansminimum moet overhouden om van te leven. Aan het doel en de strekking van de beslagvrije voet wordt afbreuk gedaan als door het beslag op een bankrekening geen geld meer ter beschikking is voor het primaire levensonderhoud van de beslagdebiteur. In dit geval wordt dit door de gerechtsdeurwaarders ook onderkend en hebben zij klager verzocht om stukken toe te sturen om aan te tonen dat er sprake zou zijn van betalingen op diens bankrekening die zich verzetten tegen een bankbeslag. Uit het verweerschrift volgt dat bankbeslag geen doel heeft getroffen waardoor de beoordeling van de toepasselijkheid van de beslagvrije voet niet aan de orde is gekomen. Klager stelt verder dat de gerechtsdeurwaarders de verkeerde beslagvrije voet toepassen. Indien die stelling al juist zou zijn, heeft dat niet direct ten gevolge dat sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen. Bijzondere omstandigheden die dat anders zouden kunnen maken, zijn niet gesteld of gebleken. Dit is temeer aan de orde nu de gerechtsdeurwaarders zijn afgegaan op de op dat moment bij hen bekende informatie. Indien klager het niet eens is met de hoogte van de vastgestelde beslagvrije voet, dient hij de gerechtsdeurwaarders te voorzien van alle relevante informatie en daarbij te vragen de beslagvrije voet aan te passen. Indien dit niet het gewenste resultaat oplevert kan klager zich wenden tot de gewone rechter.

4.6 Ten aanzien van klachtonderdeel d overweegt de voorzitter als volgt.

De gerechtsdeurwaarders hebben de in artikel 475i Rv gestelde termijn waarbinnen de overbetekening van de beslagleggingen van 26 september 2018 plaats had moeten vinden overschreden. Doordat de overbetekening één dag te laat is uitgevoerd en de gerechtsdeurwaarders de betekeningskosten op zich nemen, is klager niet zodanig in zijn belangen geschaad dat er van tuchtrechtelijk laakbaar handelen sprake is.

4.7 Betreffende klachtonderdeel e overweegt de voorzitter dat aangaande de proportionaliteit van de gelegde beslagen geldt dat de beslaglegger aansprakelijk kan zijn voor de gevolgen van een beslag omdat het beslag is gelegd voor een te hoog bedrag, lichtvaardig is gelegd of onnodig is gehandhaafd. Dat moet echter worden beantwoord aan de hand van criteria die gelden voor misbruik van recht en aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de debiteur door het beslag op een van die goederen in zijn belangen wordt getroffen. Het is echter niet aan de tuchtrechter om hierover een oordeel te geven maar aan de gewone rechter.

4.8 Betreffende klachtonderdeel f overweegt de voorzitter dat klager stelt dat de gerechtsdeurwaarders geen beslag mogen leggen op (niet-)periodieke betalingen van de Belastingdienst omdat klager deze kennelijk onterecht ontvangt.

Overeenkomstig met artikel 475 Rv mogen de gerechtsdeurwaarders beslag leggen op de (niet-)periodieke betalingen van de Belastingdienst. Daarbij hebben de gerechtsdeurwaarders in de e-mail van 21 oktober 2018 aangegeven dat de voorlopige teruggaaf in het kader van de inkomstenbelasting expliciet is uitgesloten van het beslag. Dat klager nalaat de periodieke betalingen aan te passen waardoor hij teveel ontvangen gelden uiteindelijk moet terugbetalen kan hij niet aan de gerechtsdeurwaarders verwijten. Zij hoeven geen rekening te houden met nog te ontstane betalingsverplichtingen van klager. Daarnaast dient klager zelf toekomstige wijzigingen betreffende diens inkomsten en uitgaven aan de gerechtsdeurwaarders door te geven.

4.9 Betreffende klachtonderdeel g volstaat k lager met een algemeenheid zonder nadere toelichting of onderbouwing. De enkele niet nader door klager onderbouwde of toegelichte stelling is onvoldoende om tuchtrechtelijk laakbaar handelen van de gerechtsdeurwaarders vast te stellen.

4.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.

5. De gronden van het verzet

In verzet heeft klager het volgende aangevoerd.

Bij de feiten staat niet duidelijk vermeld dat klager op 13 september 2018 niet alleen

een onderbouwd betalingsvoorstel heeft gedaan, maar ook alle documentatie voor het berekenen van een beslagvrije voet, te weten een overzicht van alle inkomsten en uitgaven alsmede recente bankafschriften, aan de gerechtsdeurwaarder heeft gestuurd. De gerechtsdeurwaarder heeft dus kunnen weten dat het bankbeslag onmogelijk gelden op zou kunnen leveren. Er zijn bovendien na 13 september 2018 geen stukken meer overgelegd, die de gerechtsdeurwaarder niet al in zijn bezit had. De gerechtsdeurwaarder was prima in staat om op basis van de door klager verstuurde stukken van 13 september 2018 een beslagvrije voet te berekenen.

Grieven tegen de beslissing:

A. Uit niets blijkt dat het gestelde van de gerechtsdeurwaarders waar is. Klagers advocaat heeft geen schriftelijke reactie op een eerder onderbouwd betalingsvoorstel ontvangen. Uiteraard is klager wel degelijk geschaad door het niet reageren door de gerechtsdeurwaarder op zijn onderbouwde betalingsvoorstel. Klagers bankrekening is immers geruime tijd niet toegankelijk geweest en bovendien gedebiteerd ten faveure van Armaere. Klager heeft dit geld overigens tot op heden niet terug gekregen. Het heeft er alle schijn van dat klagers betalingsvoorstel bewust genegeerd is om beslag te kunnen leggen. De gerechtsdeurwaarder wist immers op dat moment al dat het beslag geen gelden boven klagers beslagvrije voet zou opleveren.

B. Het bankbeslag is als oneigenlijk drukmiddel (pesten) opgelegd. De gerechtsdeurwaarder was op de hoogte van klagers banksaldo, daarom is sprake van een vexatoir beslag.

C. De gerechtsdeurwaarder heeft bewust relevante stukken genegeerd en heeft de laagste beslagvrije voet gehanteerd terwijl men wist dat deze niet juist was. Dit is onbehoorlijk. De beslissing is niet juist, immers de gerechtsdeurwaarders wisten al voordat zij beslag gingen leggen dat beslag in strijd zou zijn met de beslagvrije voet. Uit de e-mail van 13 september 2018 blijkt dat de gerechtsdeurwaarder bewust informatie van klager negeerde. Bovendien is de rekening van klager gedebiteerd voor ruim 390 euro. De vraag is waar is dat geld gebleven en waarom heeft klager dit geld tot op heden niet terugontvangen?

D. In tegenstelling tot hetgeen in de beslissing is vermeld heeft de overbetekening acht dagen te laat plaatsgevonden. Klager heeft het gedebiteerde bedrag niet terug gekregen. De voorzitter gaat ten onrechte voorbij aan het feit dat klager geruime tijd niet over zijn bankrekening kon beschikken en derhalve zijn vaste lasten niet kon voldoen. Dit heeft tot nog meer schulden geleid.

E. In de beslissing is voorbij gegaan aan het feit dat de gerechtsdeurwaarder loonbeslag en belastingbeslag heeft gelegd terwijl het bankbeslag nog actief was. Het heeft er alle schijn van dat de gerechtsdeurwaarder nog meer druk wenste uit te oefenen op klager en bewust geen rekening hield met de beslagvrije voet van klager die men prima kon berekenen met de stukken die klager op 13 september 2018 aan de gerechtsdeurwaarder waren gestuurd. Klager heeft meerdere malen de Belastingdienst geïnformeerd dat de periodieke betalingen te hoog zijn en aangepast dienen te worden. De gerechtsdeurwaarder wist dit ook en is hierover door klager geïnformeerd. De gerechtsdeurwaarder rekent ten onrechte deze bedragen als inkomsten bij de berekening van de beslagvrije voet. De schuld van klager is door toedoen van de gerechtsdeurwaarder alleen maar groter geworden. Het was natuurlijk ook nooit zover gekomen als de gerechtsdeurwaarder gewoon fatsoenlijk gereageerd had op de mail van klager van 13 september 2018.

G. Klager heeft de bedragen van de ten onterechte gelegde beslagen nog altijd niet retour gekregen.

6. De beoordeling van de gronden van het verzet

6.1 Aan de orde is de vraag of de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. Hierover overweegt de kamer het volgende.

6.2 Vastgesteld wordt dat gerechtsdeurwaarder sub 1 tot 1 oktober 2018 de directie voerde over het gerechtsdeurwaarderskantoor Armaere en in die zin verantwoordelijk was voor de door medewerkers van dat kantoor verrichte werkzaamheden. Na die tijd is gerechtsdeurwaarder sub 2 daarvoor verantwoordelijk geworden. Bij de beoordeling van een klacht geldt als uitgangspunt dat het tuchtrecht tot doel heeft in het algemeen belang een goede wijze van beroepsbeoefening van de gerechtsdeurwaarder te bevorderen. De beoordeling kan ertoe leiden dat een gerechtsdeurwaarder, die niet in overeenstemming met de daarvoor gestelde normen heeft gehandeld, een maatregel opgelegd kan krijgen, maar alleen in die gevallen waarin de beklaagde handeling aan hem toegerekend kan worden. Het uitgangspunt van het tuchtrecht, en de mogelijkheid om de beklaagde gerechtsdeurwaarder terecht te wijzen, laten het niet toe een gerechtsdeurwaarder aan te spreken op handelingen waarvan duidelijk is dat deze niet door hem of onder zijn verantwoordelijkheid zijn verricht.

6.3 De kamer overweegt dat klager op 13 september 2018 een inkomsten- en uitgavenformulier met bewijsstukken aan het kantoor van de gerechtsdeurwaarders  heeft doen toekomen. Gerechtsdeurwaarder sub 2 heeft op 31 oktober 2018 een beslagvrije voet vastgesteld, nadat er op 26 september 2018 beslag is gelegd op de bank en de Belastingdienst en er op 8 oktober 2018 loonbeslag was gelegd. Niet gebleken is dat de gerechtsdeurwaarder het door klager toegestuurde formulier heeft gebruikt bij het vaststellen van de beslagvrije voet. Evenmin heeft de gerechtsdeurwaarder aangegeven waarom deze door klager toegestuurde informatie niet voldoende was of om nadere bewijsstukken gevraagd. Klager is doordat geen rekening is gehouden met deze gegevens, waardoor de beslagvrije voet te laag werd vastgesteld, in betalingsmoeilijkheden gekomen. Dit wordt gerechtsdeurwaarder sub 2 aangerekend. De kamer ziet aanleiding hem voor deze tuchtrechtelijke fout de maatregel van berisping op te leggen.

6.4 De kamer stelt vast dat de drie gelegde beslagen aan klager zijn betekend op 12 oktober 2018. Dit betekent anders dan in de beslissing van de voorzitter is vermeld dat de twee op 26 september 2018 gelegde beslagen acht dagen na verloop van de termijn van artikel 475 i Rv aan klager zijn betekend. De gerechtsdeurwaarders hebben erkend dat de overbetekening te laat heeft plaatsgevonden en zij hebben daarom de kosten niet aan klager doorberekend. De gerechtsdeurwaarders hebben echter geen enkele reden gegeven waarom de betekening buiten de termijn heeft plaatsgevonden. Het niet naleven van een wettelijk voorschrift zonder dat daar enige verklaring voor is, is tuchtrechtelijk laakbaar. Dit klachtonderdeel is daarom terecht voorgesteld. Nu gerechtsdeurwaarder sub 1 de eerste twee beslagen heeft gelegd, wordt hij verantwoordelijk geacht voor de overbetekening buiten de termijn. Daarom zal aan gerechtsdeurwaarder sub 1 na te melden boete worden opgelegd.

6.5 De kamer is het voor het overige met de beslissing van de voorzitter eens. De overige door klager aangevoerde gronden leiden niet tot een ander oordeel.

6.6 Zoals overwogen in 6.3 zal aan gerechtsdeurwaarder sub 2 de maatregel van berisping worden opgelegd. Dat betekent dat hij tevens in de proceskosten ex artikel 43a lid 1 onder a en b van de Gerechtsdeurwaarderswet zal worden veroordeeld. Voor klager worden die begroot op € 50,00. Voor de procedure worden de kosten begroot op het forfaitaire bedrag van € 1.500,00, als genoemd in de richtlijn kostenveroordeling kamer voor gerechtsdeurwaarders (Staatscourant 1 februari 2018, nr. 5882).

6.7 Op grond van artikel 37 lid 7 van de Gerechtsdeurwaarders bepaalt de kamer dat de gerechtsdeurwaarder sub 2 aan klager betaalde griffierecht vergoedt.

6.8 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING

De kamer voor gerechtsdeurwaarders:

-          verklaart het verzet gegrond zoals overwogen in 6.3 en 6.4 gegrond en        vernietigt de bestreden beslissing onder 4.5 en 4.6;

-          verklaart het verzet voor het overige ongegrond;

-          legt gerechtsdeurwaarder sub 1 de maatregel van een geldboete ter hoogte van      € 500,00 op, waarbij de in artikel 43 lid 6 van de Gerechtsdeurwaarderswet                  bepaalde termijn en de wijze waarop de boete moet worden voldaan door de           kamer na het onherroepelijk worden van de beslissing per brief aan de             gerechtsdeurwaarder wordt medegedeeld;

-          legt gerechtsdeurwaarder sub 2 de maatregel van berisping op;

-          veroordeelt gerechtsdeurwaarder sub 2 in de proceskosten van klager, te    begroten op € 50,00;

-          veroordeelt de gerechtsdeurwaarder sub 2 in de kosten van de behandeling     van de klacht door de kamer, te begroten op € 1.500,00, met aanzegging dat               de ex artikel 43 lid 6 van de Gerechtsdeurwaarderswet te bepalen termijn en      de wijze waarop de gerechtsdeurwaarder het bedrag van de        kostenveroordeling moet voldoen, na het onherroepelijk worden van deze       beslissing per brief aan de gerechtsdeurwaarder zal worden medegedeeld;

-          bepaalt dat gerechtsdeurwaarder sub 2 aan klager het betaalde griffierecht          ad € 50,00 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. W.M. de Vries, voorzitter, mr. S.N. Schipper en A.M. Maas, leden, uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 januari 2020, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen het deel waarbij het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ongegrond is verklaard, staat geen rechtsmiddel open.

Tegen het deel waarbij de beslissing van de voorzitter is vernietigd en alsnog op de klacht is beslist, kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.