Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TDIVTC:2020:60 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2019/13

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2020:60
Datum uitspraak: 26-11-2020
Datum publicatie: 29-01-2021
Zaaknummer(s): 2019/13
Onderwerp: Klachtambtenaarzaken
Beslissingen: Gegrond met waarschuwing
Inhoudsindicatie: Dierenarts wordt verweten met betrekking tot het afleveren van antibiotica op een vleesvarkensbedrijf niet te hebben gehandeld conform de vigerende wet- en regelgeving en de zorgvuldige beroepsuitoefening. Deels gegrond, voor zover het de administratieve verantwoording en documentatie van de gemaakte keuzes qua ingezette antibiotica betreft. Volgt waarschuwing.

De klachtambtenaar, bedoeld in artikel 8.15 lid 2, onderdeel b, van de Wet dieren,  

hierna: de klachtambtenaar

tegen

X,                            

hierna: beklaagde

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer en de repliek. Beklaagde heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een akte van dupliek in te dienen. Bij de mondelinge behandeling op 24 september 2020 is de gemachtigde van de klachtambtenaar verschenen. Beklaagde is eveneens verschenen.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten, samengevat en zakelijk weergegeven, met betrekking tot het afleveren van antibiotica op een varkensbedrijf niet te hebben gehandeld conform de vigerende wet- en regelgeving en de zorgvuldige beroepsuitoefening. Namens de klachtambtenaar is ter zitting de eis verlaagd enverzocht beklaagde een onvoorwaardelijke boete van € 1.000op te leggen in plaats van de initieel gevorderde boete van€ 1.500.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. De onderhavige zaak vindt zijn oorsprong in een door de NVWA uitgevoerd onderzoek naar aanleiding van een op 14 maart 2017 op een varkensbedrijf uitgevoerde inspectie ter zake van het gebruik van diergeneesmiddelen c.q. antibiotica. Het bedrijf bleek een zogenoemde ‘1 op 1 overeenkomst’ te hebben met beklaagde, die als begeleidend dierenarts verantwoordelijk was voor de levering van de diergeneesmiddelen aan het bedrijf.

3.2. Met betrekking tot de levering van antibiotica heeft het onderzoek ten aanzien van (het handelen van) beklaagde betrekking op de periode van 23 januari 2016 tot en met 23 januari 2017. In het klaagschrift c.q. in het berechtingsrapport worden leveringen van Doxycycline, Draxxin en Ampicillan 20% ter discussie gesteld. De producten Draxxin (REG NL 10183), met de werkzame stof tulathromycine, en Ampicillan 20% (REG NL 9105), met de werkzame stof ampicilline trihydraat, worden in het ‘Formularium Varken’ van juli 2012 van de KNMvD –als zijnde van toepassing in de onderhavige periode als tweede keuze antibiotica beschouwd.

3.3. Bij de inspectie op 14 maart 2017 hebben inspecteurs van de NVWA de bedrijfsleider van het varkensbedrijf gesproken, die heeft verklaard in welke gevallen welk antibioticum werd  toegepast en is tijdens dit bezoek door de houder van de dieren aangegeven dat de toepassing van onder andere Draxxin en Doxycycline bij alle biggen van een geheel koppel plaatsvond. De NVWA heeft vervolgens aanleiding gezien een onderzoek te starten naar de naleving van de voorschriften met betrekking tot het afleveren van antibiotica door beklaagde, als zijnde de begeleidend en verantwoordelijk dierenarts op het bedrijf.

3.4. De NVWA heeft beklaagde verzocht om de administratie te verstrekken betrekking hebbend op de aan het bedrijf geleverde en toegepaste diergeneesmiddelen, waaronder bedrijfsgezondheidsplannen en bedrijfsbehandelplannen, visitebrieven, gevoeligheidsbepalingen en facturen en een afleveroverzicht van diergeneesmiddelen betrekking hebbend op de controleperiode. Op 26 maart 2017 heeft beklaagde de gevraagde documentatie naar de NVWA verstuurd. De NVWA heeft op basis van de verkregen informatie geconcludeerd dat met betrekking tot een aantal leveringen van Draxxin, Doxycycline en Ampicillan 20% niet was voldaan aan de wettelijke voorschriften.

3.5. Op 13 juli 2017 is beklaagde door de NVWA verhoord. Beklaagde heeft daarbij onder meer verklaard dat zij iedere twee weken op het bedrijf kwam en dat er op dat moment al twee maanden geen koppelbehandelingen met Draxxin meer werden uitgevoerd. Uit haar verklaring leidt het college af dat in plaats daarvan Doxycycline (een eerste keuze middel) werd aangewend in de situatie dat koppelbehandelingen noodzakelijk werden bevonden. Beklaagde heeft er verder op gewezen dat Draxxin met name bij biggen werd toegepast in verband met luchtwegproblemen, en dat de inzet van een tweede keuze middel soms geschiedde omdat dit klinisch effectiever bleek dan een eerste keuze middel. Beklaagde heeft erkend dat de tweede keuze middelen niet in een bedrijfsbehandelplan waren opgenomen en dat ten aanzien van het gebruik van Ampicillan 20% de behandelde dieren niet ondubbelzinnig waren geïdentificeerd. De door de NVWA inspecteur op schrift gestelde weergave van het verhoor is naar beklaagde gestuurd, die in de gelegenheid is gesteld om daar aanvullingen in aan te brengen. Beklaagde heeft daar geen gebruik van gemaakt.

3.6. De bevindingen en conclusies van de NVWA zijn neergelegd in een berechtingsrapport, dat naar de klachtambtenaar is verstuurd, die heeft besloten de onderhavige tuchtprocedure te entameren. Het college heeft de klacht aldus begrepen dat beklaagde (eerste en tweede keuze) antibiotica, te weten Doxycycline, Draxxin en Ampicillan 20% aan het varkensbedrijf heeft geleverd in strijd met de UDD maatregel zoals die sinds maart 2014 geldt en niet overeenkomstig de voorwaarden voor het afleveren van antibiotica aan veehouders, zoals vervat in bijlage 9 van de Regeling diergeneesmiddelen.

3.7. Voor de goede orde wordt vermeld dat door het ministerie (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) op grond van artikel 8.7 van de Wet dieren aan beklaagde althans de praktijk waar zij werkzaam is, op basis van dezelfde onderliggende feiten een bestuurlijke boete is opgelegd ten bedrage van € 5.000.

4. DE BEOORDELING

4.1. Aan de orde is de vraag of beklaagde met betrekking tot de levering en inzet van antibiotica op het bedrijf in kwestie in strijd heeft gehandeld met de wettelijke voorschriften alsook met de zorgvuldige beroepsuitoefening, als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. In eerdere jurisprudentie is reeds bepaald dat het vroegere artikel 14 aanhef en onderdeel b, WUD, thans artikel 4.2 lid 2 van de Wet dieren, mede geacht moet worden betrekking te hebben op het handelen of nalaten van dierenartsen, voor zover dit implicaties heeft voor de volksgezondheid en de afzet van dierlijke producten.

Ontvankelijkheid

4.2. Het college pleegt met betrekking tot de verjaring van feiten in door de klachtambtenaar als overheidsinstantie aangebrachte zaken als beginsel aan te houden dat gedragingen die zich langer dan 3 jaar voor de indiening van de klacht hebben voorgedaan, buiten beschouwing worden gelaten. Het college ziet onvoldoende aanleiding om in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken. De klacht is ingediend op 13 februari 2019 en ook van de zijde van de klachtambtenaar is in repliek aangegeven dat de feiten die zich vóór 13 februari 2016 hebben voorgedaan buiten beschouwing kunnen worden gelaten.

Samenloop met bestuursrecht

4.3. Als gezegd is aan beklaagde althans aan de praktijk waar zij werkzaam is een bestuurlijke boete van € 5.000 opgelegd op basis van hetzelfde feitencomplex en onderzoeksrapporten van dezelfde instantie, de NVWA. Uitgangspunt in de tuchtrechtelijke jurisprudentie tot dusverre is echter dat bij eenzelfde onderliggend feitencomplex en een eventuele samenloop met andere rechtsgebieden (het strafrecht of het bestuursrecht), geen strijdigheid met het ‘ne bis in idem’ beginsel wordt aangenomen. Achterliggende gedachte is dat de rechtsgebieden verschillende doelen dienen en dat een tuchtprocedure, anders dan een straf of bestuursrechtelijke procedure, niet als punitatief van aard en niet als een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 van het EVRM wordt gezien. Het tuchtrecht heeft betrekking op het individueel handelen van veterinaire zorgverleners en dient een afzonderlijk en specifiek doel, te weten het bewaken, borgen en bevorderen van de goede en zorgvuldige beroepsuitoefening en het weren en beteugelen van misslagen daarin. Op grond hiervan kan de tuchtklacht in behandeling worden genomen, met de aantekening dat het college rekening houdt met de reeds opgelegde  bestuursrechtelijke boete die op hetzelfde feitencomplex ziet.

Algemeen

4.4. In het licht van de resistentieproblematiek en het tegengaan van onnodig en onverantwoord antibioticagebruik, is het kanalisatieregime voor antibiotica per 1 maart 2014 aangescherpt en hebben deze diergeneesmiddelen de UDD-status gekregen (vgl. artikel 2.17 Regeling diergeneesmiddelen). Hoofdregel is dat antibiotica slechts bij dieren mogen worden toegepast door de dierenarts zelf en dat veehouders geen antibiotica op hun bedrijf voorhanden mogen hebben. In eerdere jurisprudentie werd in zijn algemeenheid reeds uitgedragen dat van de dierenarts wordt verwacht alleen dan tot de inzet van antibiotica te besluiten, als daartoe een onderbouwde veterinaire noodzaak bestaat, gebaseerd op voorafgaande diagnostiek en blijkend uit een controleerbare verslaglegging. Vaste jurisprudentie is voorts dat het voorschrijven van diergeneesmiddelen dient te geschieden in het kader van een verantwoorde diergeneeskundige behandeling, die in beginsel onderzoek, diagnose, nazorg en verslaglegging omvat.

4.5. Voor koppelbehandelingen geldt dat ze altijd vooraf worden gegaan door tenminste een bedrijfsvisite met klinische inspectie van de te behandelen dieren door de dierenarts, waarbij een diagnose met betrekking tot de waarschijnlijke bacteriële infectie wordt gesteld en alsdan antibiotica kunnen worden geleverd voor een eenmalige behandeling (conform bijlage 9, onderdeel 6, tweede lid, onderdeel a van de Regeling diergeneesmiddelen).

4.6. In een aantal situaties en onder strikte voorwaarden zijn op de hoofdregel om redenen van praktische uitvoerbaarheid door de wetgever weer uitzonderingen toegestaan en mogen dierhouders, onder verantwoordelijkheid van en conform het behandeladvies van de dierenarts, zelf antibiotica aan hun dier(en) toedienen (vgl. artikel 2.18 , tweede lid, onderdeel b en Bijlage 1, onderdeel 5, sub k, en Bijlage 9, onderdeel 2 van de Regeling diergeneesmiddelen).

4.7. Ten aanzien van varkenshouderijen (c.q. houders van meer dan 5 varkens) is het voor de behandeling van individuele dieren toegestaan dat eerste keuzemiddelen aan de veehouder worden geleverd, opdat deze tussentijds voorhanden zijn om te kunnen worden ingezet door de veehouder zelf in acute situaties ter behandeling van in het bedrijfsbehandelplan genoemde aandoeningen of ziekten die op het bedrijf voorkomen (bijlage 9, onderdeel 6, derde lid, onderdeel a, van de Regeling diergeneesmiddelen). Deze eerste keuze middelen mogen dan op het bedrijf voorhanden zijn in een hoeveelheid waarmee hoogstens 15% van de op het bedrijf aanwezige en voor de aandoening of ziekte vatbare dieren eenmalig kunnen worden behandeld (bijlage 9, onderdeel 6, vijfde lid, onderdeel b, van de Regeling diergeneesmiddelen) dan wel in de kleinst leverbare primaire verpakking. Achterliggende gedachte is dat met een dergelijke individuele curatieve behandeling door de veehouder zelf snel kan worden gehandeld om een uitbraak van een besmetting op afdelings of stalniveau te voorkomen.

4.8. Met betrekking tot de levering van tweede keuzemiddelen voor individuele behandeling van varkens door de veehouder zelf, ging het in de periode waar de klacht op ziet –voornamelijk het jaar 2016 om een uitzondering voor de behandeling van drie specifiek in de regeling benoemde aandoeningen, te weten neonatale diarree door E. coli, speendiarree door E. coli en meningo encephalitis door Streptococcus suis. Daarbij golden als voorwaarden dat de dierenarts in een periode van 14 dagen voorafgaand aan de toepassing van het middel, het bedrijf moest hebben bezocht en hebben geconstateerd dat behandeling van dieren met een tweede keuze middel noodzakelijk was. Ook moest een schriftelijke instructie inzake het gebruik van het middel achter worden gelaten, waarin in ieder geval de mogelijk te behandelen dieren ondubbelzinnig geïdentificeerd waren, dan wel het moederdier indien het een ongeboren dier betrof, naast dat in het bedrijfsdossier maatregelen dienden te worden opgenomen om de uitbraak te bestrijden en herhaling te voorkomen. 

4.9. Na evaluatie van de UDD regeling bleken de drie eerder in de regeling genoemde aandoeningen te generiek en geldt inmiddels sinds 1 januari 2017 dat tweede keuze middelen mogen worden geleverd voor drie zelf aan te wijzen bedrijfsspecifieke aandoeningen of ziekten, op te nemen in het bedrijfsbehandelplan (Bijlage 9, onderdeel 6, derde lid, onder c van de Regeling diergeneesmiddelen). Bij biggen tot en met de leeftijd van acht weken is de regelgeving nog immer zo dat de dierenarts binnen een periode van 14 dagen voorafgaand aan de behandeling met dit middel het bedrijf dient te hebben bezocht en te hebben geconstateerd dat behandeling met een tweede keuze middel noodzakelijk is, waarbij een instructie wordt achtergelaten en de mogelijk te behandelen dieren althans het moederdier worden geïdentificeerd (Bijlage 9, onderdeel 5, zesde en zevende lid van de Regeling diergeneesmiddelen). Met betrekking tot biggen c.q. varkens ouder dan 8 weken kan sinds 1 januari 2017 worden volstaan met een contactmoment tussen de veehouder en de dierenarts, waarbij laatstgenoemde besluit of individuele behandeling van varkens met een tweede keuzemiddel kan plaatsvinden voor een in het bedrijfsbehandelplan opgenomen aandoening, waarbij een schriftelijke instructie voor de veehouder wordt opgesteld (Bijlage 9, onderdeel 6, vierde lid van de Regeling diergeneesmiddelen). Tweede keuzemiddelen mogen op varkensbedrijven voorhanden zijn in een maximale hoeveelheid voor de behandeling van 10% van een voor een aandoening of ziekte gevoelige varkens (Bijlage 9, onderdeel 6, vijfde lid, onder c van de Regeling diergeneesmiddelen).

4.10. De wetgever heeft er verder met betrekking tot de levering van antibiotica in de intensieve veehouderij voor gekozen vrij gedetailleerd en bindend vast te leggen waar dierenartsen tezamen met veehouders aan moeten voldoen, als vervat in de reeds genoemde bijlage 9 van de Regeling diergeneesmiddelen. Zo dient onder meer sprake te zijn van een ‘1 op 1’ relatie tussen dierenarts en veehouder, gebaseerd op een schriftelijke overeenkomst, waarbij de veehouder zich verplicht om alle diergeneeskundige zorg (per diersoort) bij deze dierenarts af te nemen. Ook is de dierenarts gehouden de veehouderij regelmatig te bezoeken, waarbij de minimumfrequentie voor varkens is bepaald op 1 keer per maand, waarvan een visiteverslag dient te worden gemaakt en waarbij de gezondheidsstatus van de dieren wordt beoordeeld en het antibioticumgebruik wordt geëvalueerd. De dierenarts dient tezamen met de veehouder een jaarlijks te evalueren bedrijfsgezondheidsplan op te stellen, specifiek gericht op het bedrijf in kwestie, met daarin een analyse van de gezondheidssituatie van de dieren op het bedrijf en een evaluatie van het diergeneesmiddelen en het antibioticagebruik in het voorgaande jaar, en daarin tevens opgenomen de voorgenomen maatregelen om de diergezondheidssituatie op het bedrijf te verbeteren en, met een termijnstelling, tot een reductiedoelstelling van het antibioticagebruik te komen met niet medicinale c.q. managementmaatregelen. Ook dient een bedrijfsbehandelplan te worden opgesteld, waarin onder meer wordt vermeld ten aanzien van welke aandoeningen en indicaties die er op het bedrijf voorkomen er welke diergeneesmiddelen c.q. antibiotica worden ingezet. Het college verwijst voor wat betreft het bedrijfsgezondheidsplan en bedrijfsbehandelplan naar bijlage 9 van de Regeling diergeneesmiddelen onderdeel 6 en naar de artikelen 1.28, eerste lid van het Besluit houders van dieren, artikel 5.9, eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen en de artikelen 5.13, 5.14, 5.17, 5.21 en 5.22 van de Regeling diergeneeskundigen.

4.11. Bij de beoordeling van de onderhavige klacht neemt het college tevens als leidraad het onder verantwoordelijkheid van de Werkgroep Veterinair Antibioticabeleid (WVAB) van de KNMvD opgestelde ‘Formularium Varken’, versie van juli 2012, als zijnde van toepassing voor de hier in het geding zijnde periode, waarin onder meer per indicatie en orgaansysteem in het kader van effectiviteit en resistentiegevoeligheid wordt aangegeven welke antibiotica worden beschouwd als eerste, tweede of derde keuze middelen. Draxxin en Ampicillan 20% zijn volgens dit Formularium tweede keuze middelen, waarvoor het “Nee, tenzij” principe geldt en de veterinaire noodzaak voor het gebruik ervan in plaats van een eerste keuze middel dient te worden onderbouwd en verantwoord, onder andere: ‘op basis van gevoeligheid van de verwekker, opgebouwde patiënt- of bedrijfshistorie t.a.v. voorkomen van resistentie in dierpathogenen, of klinische noodzaak indien een bacteriologisch onderzoek niet direct mogelijk is’.

4.12. Terzijde geldt sinds 1 januari 2017 dat veehouders van dieren die een structureel laag gebruik van antibiotica hebben, zijn vrijgesteld van een aantal verplichtingen (Bijlage 9 onderdeel 9 lid 1 Regeling diergeneesmiddelen) als ten aanzien van de bezoekfrequentie, de evaluatie van het diergeneesmiddelengebruik en de jaarlijkse aanscherping van  reductiedoelstellingen.

4.13. De uitzondering die de wetgever na de invoering van de UDD kanalisatiestatus voor antibiotica heeft gemaakt om veehouders nog toe te staan op beperkte schaal zelf antibiotica aan hun dieren toe te dienen en op voorraad te hebben is aan strikte voorwaarden gebonden, zoals vervat in bijlage 9 van de Regeling diergeneesmiddelen. De regie over de veterinaire zorg en het antibioticagebruik op veehouderijen ligt bij de ‘1 op 1’ dierenarts, aan wie het is transparant inzichtelijk te maken dat veehouders selectief, restrictief en verantwoord antibiotica toepassen op de schaal die hen thans nog is toegestaan, in welk kader aan de voorwaarden in de meergenoemde bijlage 9 behoort te zijn voldaan.

Ten aanzien van de onderhavige zaak

4.14. Het college stelt voorop dat uitgangspunt is dat van dierenartsen wordt verwacht het gebruik van antibiotica en zeker het gebruik van tweede keuze antibiotica, zoveel als mogelijk te beperken c.q. te vermijden, maar dat die hoofdregel niet uitsluit dat er zich specifieke situaties kunnen voordoen, waarin het gebruik van tweede keuzemiddelen geïndiceerd en aanvaardbaar kan zijn. Daarbij geldt wel dat de noodzaak van het gebruik van tweede keuze preparaten dient te worden onderbouwd en schriftelijk dient te worden verantwoord en dat er een plan van aanpak wordt gemaakt om het gebruik zo beperkt mogelijk te houden en te zoeken naar andersoortige, niet medicinale en managementmaatregelen om het gebruik ervan te reduceren. In deze zaak is het college uiteindelijk, mede gelet op de door beklaagde ter zitting gegeven uitgebreide toelichting, tot de eindconclusie gekomen dat haar geen lichtzinnig, ondoordacht of  onverantwoordelijk gebruik van tweede keuze preparaten kan worden verweten, maar wel dat zij, ondanks dat de door haar gemaakte keuzes voor het college verdedigbaar zijn geweest, die keuzes en de onderbouwing ervan in administratieve zin onvoldoende in bedrijfsdocumentatie heeft vastgelegd, waarover hierna meer.

4.15. Beklaagde heeft genoegzaam aannemelijk gemaakt dat zij het varkensbedrijf zeer frequent bezocht (tenminste eens per twee weken), erg veel diagnostiek heeft uitgevoerd in verband met recidiverende luchtwegklachten, diarree en gewrichts en hersenvliesontstekingen, onder meer middels bacteriologische onderzoeken van 29 december 2015, 28 januari 2016, 17 maart 2016, 6 april 2016, 20 juli 2016 en 30 september 2016, en dat zij voorts naar niet medicinale oplossingen heeft gezocht voor de op het bedrijf spelende en terugkerende complexe problematiek om aldus tot een structurele vermindering van de inzet van (tweede keuze) antibiotica te komen.

4.16. Voor wat betreft de inzet van Ampicillan 20% is voldoende aannemelijk gemaakt dat daartoe onder andere op 29 december 2015 bacteriologisch onderzoek is verricht en dat de inzet van dit middel vervolgens regelmatig is geëvalueerd en besproken. Daarbij heeft beklaagde weliswaar erkend dat niet alle te behandelen dieren individueel en ondubbelzinnig werden geïdentificeerd, maar het college kan de door beklaagde gegeven uitleg volgen, inhoudende dat feitelijk alle biggen ‘at risk’ waren om besmet te raken met Streptococcus suis, naast dat het college aannemelijk acht dat beklaagde zich heeft ingezet om het gebruik van dit antibioticum middels een autovaccin tegen Streptococcus suis op het vermeerderingsbedrijf waar de biggen vandaan kwamen en waar beklaagde eveneens begeleidend dierenarts was, en voermaatregelen ter verbetering van de darmgezondheid van de dieren, te verminderen, hetgeen ook tot verbetering van de gezondheidssituatie van de dieren heeft geleid. Beklaagde heeft in het kader van het gebruik van dit antibioticum verder toegelicht dat uit bacteriologisch onderzoek met antibiogram weliswaar gevoeligheid van de verwekker bleek voor het middel Trimsulfa, dat oraal als koppelbehandeling toegepast kan worden, maar dat voor varkens geen parenteraal toe te dienen Trimsulfa (injectie)preparaat beschikbaar is en dat hiernaast uit bacteriologisch onderzoek naar voren was gekomen dat de bacterie Streptococcus suis resistent bleek tegen penicilline. Voor die uitleg is steun te vinden in de uitgevoerde bacteriologische onderzoeken en het college kan beklaagde volgen in haar keuze om, mede gelet op het door haar vastgestelde goede klinische effect ervan, uit te wijken naar Ampicillan 20%. De inzet van dit tweede keuze middel is onder de geschetste specifieke omstandigheden en op basis van de gegeven toelichting naar het oordeel van het college verdedigbaar geweest. Het college trekt verder niet in twijfel dat het middel eerst is ingezet na klinische beoordeling van de dieren, zoals beklaagde heeft verklaard. Wel moet worden vastgesteld dat de administratie dienaangaande uitgebreider en zorgvuldiger had moeten worden bijgehouden.

4.17. Op basis van de stukken is meermaals sprake geweest vaneen behandeling van alle biggen van een koppel met het tweede keuze middel Draxxin. Beklaagde heeft ter zitting toegelicht dat zij voor de inzet van dit middel de biggen altijd eerst heeft gezien en beoordeeld, waarbij enkele dagen voor een geplande visite door de assistente van de praktijk telefonisch contact werd opgenomen met de veehouder c.q. bedrijfsleider, die dan doorgaf welk middel nodig werd bevonden. Beklaagde heeft gesteld dat de datum van dat telefoongesprek weliswaar als de datum van levering van de antibiotica in de administratie is genoteerd, maar dat zij eerst ter plaatse tijdens de afgesproken visite en na een voorafgaande inspectie besliste of het middel ook daadwerkelijk zou worden ingezet. Beklaagde heeft het college er ter zitting genoegzaam van weten te overtuigen dat haar werkwijze inderdaad aldus is geweest, dat voorafgaande aan de inzet van Draxxin (en van Doxycycline) steeds een bedrijfsvisite met klinische inspectie van de dieren en (waarschijnlijkheids)diagnosestelling plaatsvond. Het staat verder voldoende vast dat op het bedrijf in de hier in het geding zijnde periode sprake was van een verhoogde infectiedruk met een erg hoge uitval (op enig moment een uitvalpercentage van 10%), waarbij er ook PRRS en influenza speelde, en secundaire bacteriële infecties zoals Bordetella, Pasteurella en Streptokokken. Naar het oordeel van het college heeft beklaagde een verdedigbare toelichting gegeven voor haar keuze voor de inzet van Draxxin, in verband met terugkerende luchtweginfecties en daarbij komende secundaire aandoeningen en dat om die reden is besloten over te gaan tot een (tijdelijke) metafylactische toepassing van een effectief breedwerkend middel als Draxxin, welk middel bovendien langduriger werkzaam was en meer therapiezekerheid bood dan Doxycycline, omdat veel biggen ‘at risk’ waren. Het college acht aanvaardbaar dat het voor beklaagde prioriteit had de hoge uitval niet verder op te laten lopen en de situatie en infectiedruk eerst onder controle te krijgen, hetgeen is gelukt. Beklaagde heeft  verder voldoende aannemelijk gemaakt dat daarbij ook is aangestuurd op andersoortige maatregelen zoals bijvoorbeeld hygiënemaatregelen, het niet mengen van tomen en voermaatregelen. Ook hier geldt echter dat een en ander beter had kunnen en behoren te worden gedocumenteerd.

4.18. Qua administratieve verplichtingen is door de klachtambtenaar met betrekking tot het van toepassing zijnde bedrijfsgezondheids en bedrijfsbehandelplan terecht opgemerkt dat deze te summier zijn en dat niet of in onvoldoende mate is voldaan aan de voorschriften die voor deze plannen gelden, zoals opgesomd in de artikelen 1.28, eerste lid van het Besluit houders van dieren, artikel 5.9, eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen en de artikelen 5.14 en 5.17 van de Regeling diergeneeskundigen en Bijlage 9, onderdeel 6, van de Regeling diergeneesmiddelen. Onder meer is gebleken dat het ingezette tweede keuze middel Draxxin niet in het bedrijfbehandelplan was opgenomen. Ten aanzien van het gebruik van het tweede keuze middel Ampicillan 20% staat in het bedrijfsgezondheidsplan van 2016 weliswaar dat dit middel vanwege resistentie tegen penicillines ingezet kon worden tegen Streptococcus suis, echter is dit weer niet in het bedrijfsbehandelplan vermeld. Verder is niet gebleken dat in het bedrijfsgezondheidsplan de voorgenomen en getroffen maatregelen stonden vermeld ter bestrijding en herhaling van uitbraken van infecties en andere aandoeningen. Hoewel is gebleken dat beklaagde het bedrijf zeer frequent bezocht en het college niet in twijfel trekt dat de gezondheidssituatie van de dieren alsdan steeds door beklaagde werd beoordeeld en dat daarbij ook het antibioticumgebruik is geëvalueerd, laat zulks onverlet dat dit te weinig in visiteverslagen terugkomt en aldus onvoldoende is gedocumenteerd.  Dit geldt ook waar het de identificatie betreft van de te behandelen dieren met Ampicillan 20%.

4.19. De conclusie is dan dat beklaagde voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij, in het licht van de beschreven complexe bedrijfsproblematiek, de hoge uitval, het feit dat vele biggen at risk waren en een eerste keuze middel onvoldoende effect sorteerde of niet beschikbaar was in de parenterale variant, op aanvaardbare gronden op dit specifieke bedrijf tot de toepassing van (tweede keuze) antibiotica heeft besloten, alsook dat is aangestuurd op maatregelen om het gebruik ervan te reduceren c.q. te beëindigen. Dit neemt niet weg dat een en ander in administratieve zin beter had kunnen en behoren te worden verantwoord en gedocumenteerd. In eerdere jurisprudentie heeft het college meermaals geoordeeld dat van een dierenarts een adequate en controleerbare verslaglegging wordt verlangd, eens temeer als het gaat om de inzet van tweede keuze antibiotica. Die verslaglegging is ook in het eigen belang van de dierenarts, in de wetenschap dat van overheidswege toezicht en controle op de naleving van de toepasselijke voorschriften wordt gehouden.

4.20. Met betrekking tot de op te leggen maatregel weegt het college mee dat beklaagde ook zelf heeft erkend dat de bedrijfsdocumentatie c.q. verslaglegging uitgebreider en zorgvuldiger had gemoeten, dat zij tevens heeft aangegeven dat zij lering uit deze casus heeft getrokken en dat voor het college voldoende aannemelijk is dat zij in administratieve zin inmiddels verbeteringen heeft doorgevoerd. Het college houdt verder rekening met het feit dat met betrekking tot hetzelfde onderliggende feitencomplex reeds een bestuurlijke boete is opgelegd. Alles bijeengenomen kan naar het oordeel van het college in deze tuchtzaak met de maatregel van een waarschuwing worden volstaan.

6. DE BESLISSING   

Het college:

verklaart de klacht deels gegrond, in de zin dat beklaagde de inzet van tweede keuze antibiotica op dit bedrijf onvoldoende administratief heeft verantwoord en gedocumenteerd;

geeft beklaagde daarvoor een waarschuwing, als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet dieren.

Aldus vastgesteld te ’s Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. B.G. Tillema, drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst Mak en drs. J. Hilvering en uitgesproken op 26 november 2020.