Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TDIVTC:2020:59 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2019/76

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2020:59
Datum uitspraak: 26-11-2020
Datum publicatie: 23-12-2020
Zaaknummer(s): 2019/76
Onderwerp: Honden
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Dierenarts wordt verweten dat zij bij een hond (reu), die hyperseksueel gedrag vertoonde in de buurt van loopse teefjes, een onjuiste medicamenteuze behandeling heeft voorgesteld en over de (werking van de) toegepaste medicatie onvoldoende informatie heeft verstrekt. Ongegrond.

X,       klaagster,

tegen

Y,       beklaagde,

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling van de zaak vond plaats op 24 september 2020. Klaagster en haar dochter waren daarbij aanwezig. Beklaagde is niet verschenen. De zaak is na de zitting door het college in raadkamer besproken. Hierna is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt, in hoofdzaak, verweten dat zij bij een hond met seksueel hyperactief gedrag in aanwezigheid van loopse teefjes, een onjuiste medicamenteuze behandeling heeft voorgesteld en onvoldoende informatie heeft verstrekt over de werking van die medicatie. Verder wordt beklaagde verweten geen oplossing te hebben geboden toen bleek dat de medicatie niet het beoogde effect had op het gedrag van de hond.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klaagster, een Labrador Retriever, die ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid, ruim 9,5 jaar oud was.

3.2. In juni 2019 heeft klaagster contact opgenomen met de kliniek waar beklaagde werkzaam is. Gelet op de geslachtsdrift van de hond in het bijzijn van loopse teefjes, vroeg zij zich af – met het oog op de naderende vakantie waarin zij de hond tezamen met haar twee andere honden (waarvan in ieder geval één teefje) bij haar ex-echtgenoot zou onderbrengen – of castratie wellicht een oplossing zou kunnen bieden om dergelijk gedrag te voorkomen. Partijen verschillen van mening over wat er tijdens dit telefoongesprek precies is gezegd. In ieder geval is een afspraak gemaakt voor een consult.

3.3. Op 1 juli 2019 heeft dat consult plaatsgevonden bij beklaagde. Klaagster heeft beklaagde uitgelegd dat zij zich zorgen maakte over het ongewenste gedrag dat de hond zou kunnen gaan vertonen in de situatie dat het teefje gedurende de vakantie – tijdens het verblijf van de honden bij haar ex echtgenoot – loops zou worden. Hoewel over hetgeen er precies tussen partijen tijdens het consult aan de orde is gekomen uiteenlopende lezingen zijn gegeven, kan door het college aan de hand van de stukken wél worden vastgesteld dat over chemische castratie is gesproken en dat qua werking en het effect van de daartoe in te zetten medicatie een termijn van zes weken is genoemd. Na afloop van het gesprek is besloten tot een chemische castratie, die diezelfde dag in het bijzijn van klaagster heeft plaatsgevonden middels het inbrengen van een implantaat. Gekozen is voor toepassing van Suprelorin 4,7 mg (REG NL 101947).

3.4. Naar het college uit de stukken heeft begrepen is klaagster op 16 augustus 2019 (ongeveer 6,5 week na de chemische castratie) met haar gezin op vakantie gegaan naar Italië. De tot het gezin behorende honden – waaronder de hond van klaagster – zijn ondergebracht bij de ex echtgenoot van klaagster. Kort hierna, tijdens de vakantie, is een van de honden loops geworden en bleek de hond, ondanks de chemische castratie, het ongewenste gedrag te vertonen dat klaagster met de chemische castratie had beoogd te willen voorkomen.

3.5. Op 19 augustus 2019 heeft klaagster – die op haar vakantieadres over de ontstane situatie was ingelicht – telefonisch contact opgenomen met de praktijk en gemeld dat de chemische castratie geen enkel effect had op het gedrag van de hond en dat zij beklaagde verantwoordelijk hield voor het uitblijven van de gewenste gedragsverandering.

3.6. In de dagen hierna heeft klaagster vanaf haar vakantieadres diverse malen contact gehad met de kliniek. Zowel telefonisch als per e-mail heeft zij haar ongenoegen geuit over het handelen van beklaagde en een oplossing geëist voor de ongewenste situatie die tijdens haar vakantie was ontstaan. Beklaagde heeft geadviseerd de hond apart te houden van de loopse teef, maar in die oplossing kon klaagster zich niet vinden. Ook heeft beklaagde klaagster op 26 augustus 2019 voorgesteld om de hond op de praktijk te laten onderzoeken, zodat de werking van het implantaat kon worden gecontroleerd. Ook dit vormde voor klaagster geen afdoende oplossing van het ontstane probleem.

3.7. Op 29 augustus 2019 heeft de directeur van de kliniek, tevens collega-dierenarts van beklaagde, de communicatie met klaagster overgenomen. Uiteindelijk is klaagster, nadat zij van vakantie was teruggekeerd, op 2 september 2019 met de hond bij deze collega-dierenarts op consult geweest. De collega-dierenarts heeft de testikels van de hond gecontroleerd en geconstateerd dat deze kleiner waren geworden. Tijdens dit gesprek heeft klaagster nogmaals haar beklag gedaan over de niet werkzaam gebleken medicatie op het punt van de gedragsverandering en de gebrekkige voorlichting die zij daarover van beklaagde zou hebben gekregen. Dit gesprek heeft partijen niet nader tot elkaar gebracht. Daarop heeft klaagster de onderhavige tuchtprocedure geëntameerd.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde tekort is geschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klaagster, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het veterinair handelen van de dierenarts beter had gekund, maar of deze in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden. Terzijde geldt dat klachten over de hoogte van de factuur of verzoeken om financiële compensatie of schadevergoeding buiten de reikwijdte van het veterinair tuchtrecht vallen. Eventuele geschilpunten dienaangaande worden in een tuchtprocedure buiten de beoordeling gelaten.

5.2. Het college stelt voorop dat, anders dan klaagster heeft gesuggereerd, beklaagde bevoegd is om de diergeneeskunde uit te oefenen en als dierenarts in het zogeheten ‘Diergeneeskunderegister’ is ingeschreven.

5.3. Alvorens over te gaan tot een inhoudelijke beoordeling van de klacht, wordt opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van de klagende partij minder geloof verdient dan dat van de beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die als vaststaand kunnen worden aangenomen.

5.4. Tussen partijen is niet in geschil dat klaagster zich tot de praktijk van beklaagde heeft gewend omdat zij met het oog op haar naderende vakantie op zoek was naar een oplossing voor het gedragsprobleem waarmee de hond in de nabijheid van loopse teefjes kampte en zij wilde voorkomen dat zich tijdens het verblijf van de honden bij haar ex-echtgenoot problemen op dit vlak zouden voordoen. Het college kan volgen dat beklaagde, gegeven die hulpvraag, klaagster heeft geadviseerd de hond chemisch en dus tijdelijk te laten castreren. Van een castratie in het algemeen is bekend dat deze – hoewel primair gericht op het bewerkstelligen van onvruchtbaarheid – in de praktijk veelal ook vermindering of onderdrukking van het libido tot gevolg heeft. Dit door het stilleggen van de testosteronproductie. Beklaagde heeft toegelicht dat zij voor een chemische castratie heeft gekozen, omdat dit – mede indachtig de leeftijd van de hond – het minst belastend voor het dier zou zijn, anders dan een fysieke castratie met verwijdering van de testikels. Het college kan de afwegingen van beklaagde volgen en acht de gemaakte keuze begrijpelijk en niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

5.5. In een dergelijke situatie is wel van belang dat diereigenaren goed worden voorgelicht. Gelet op het oogmerk van de behandeling (gedragsverandering) dient duidelijk te worden uitgelegd dat een verminderd libido als neveneffect van een (chemische) castratie kan optreden, maar dat een (chemische) castratie niet te allen tijden een gedragsverandering tot gevolg heeft en dat onvruchtbaarheid vanaf zes weken na het inbrengen van het implantaat wordt bereikt, maar dat niet met zekerheid kan worden gezegd of en zo ja, wanneer het hier beoogde libidoverlies en de gedragsverandering zich zullen voordoen.

5.6. Klaagster verwijt beklaagde haar onvoldoende te hebben voorgelicht en ten onrechte te hebben gegarandeerd dat de chemische castratie na zes weken de gewenste gedragsverandering tot gevolg zou hebben. Zij stelt dat zij anders niet met de behandeling zou hebben ingestemd. Beklaagde stelt daar tegenover dat zij klaagster wel degelijk volledig heeft geïnformeerd, dat zij ook uit de bijsluiter heeft voorgelezen en dat diereigenaren met betrekking tot een behandeling nooit een 100% garantie krijgen, omdat de werking van medicatie bij ieder dier nu eenmaal verschillend kan zijn.

5.7. Nu partijen elkaar hierover tegenspreken en ook het dossier geen aanwijzingen bevat die de stellingen van klaagster in voldoende mate kunnen ondersteunen, is het voor het college niet mogelijk om met zekerheid vast te stellen dat beklaagde tekort is geschoten in de voorlichting over de medicatie. Gelet op hetgeen in 5.3. is overwogen, kan op dit punt derhalve niet tot een gegrondverklaring van de klacht worden gekomen. Herhaald zij dat de keuze voor het middel, gelet op de specifieke hulpvraag, naar het oordeel van het college verdedigbaar is geweest, naast dat garanties over de werking van een medicijn nimmer kunnen worden gegeven. Het college heeft in dit geval niet de overtuiging gekregen dat een zodanige garantie door beklaagde is gegeven.

5.8. Voor zover klaagster beklaagde verwijt het implantaat niet goed te hebben geplaatst, ontbreekt bewijs om dit te kunnen aannemen. De omstandigheid dat de collega-dierenarts na de vakantie van klaagster, bij een consult op 2 september 2019 heeft geconstateerd dat de testikels van de hond kleiner waren geworden, geeft overigens eerder aanleiding te veronderstellen dat de plaatsing van het implantaat op de juiste wijze is uitgevoerd, maar dat het implantaat geen of onvoldoende althans niet tijdig invloed heeft gehad op de geslachtsdrift van de hond.

5.9. Verder verwijt klaagster beklaagde geen oplossing te hebben geboden toen zij in augustus vanaf haar vakantieadres belde met de mededeling dat de chemische castratie geen effect had en de situatie voor de honden op het opvangadres problematisch was. Het college begrijpt dat klaagster verwachtte dat met de chemische castratie problemen bij eventuele loopsheid van het teefje tijdens de vakantie zouden worden voorkomen en het moet voor haar teleurstellend zijn geweest dat dit niet het geval is gebleken. In de moeilijke situatie die ontstond toen bleek dat de chemische castratie onvoldoende effect had op het gedrag van de hond, waren er echter weinig alternatieven voorhanden. Het advies van de beklaagde om de honden uit elkaar te houden, was logisch en lag in de visie van het college in de rede. Verder heeft beklaagde aangeboden met de hond naar de kliniek te komen, hetgeen bijvoorbeeld de ex-echtgenoot, bij wie de hond verbleef, had kunnen doen. Het standpunt van klaagster dat beklaagde de hond, zonder medische noodzaak of behandeling – louter ter oplossing van het probleem –, had moeten opnemen of de hond in ieder geval onder haar hoede had moeten nemen totdat de loopsheid van de teef voorbij was, wordt door het college niet gevolgd. Een dergelijke oplossing overstijgt hetgeen van een dierenarts mag worden verwacht.

5.10. Op grond van het voorgaande is het college van oordeel dat, ondanks dat voor klaagster teleurstellend moet zijn geweest dat de voorgeschreven medicatie niet tot het beoogde effect heeft geleid, er onvoldoende aanleiding is te concluderen dat het handelen van beklaagde niet binnen de grenzen van de redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven en dat een tuchtrechtelijke sanctie gerechtvaardigd zou zijn. Aldus wordt de klacht ongegrond verklaard.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs M. Lockhorst, drs. J. Hilvering, drs. B.G. Tillema en drs. B.J.A. Langhorst-Mak , in tegenwoordigheid van mr. J.B.M. Keijzers, secretaris en uitgesproken op 26 november 2020.