Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TDIVTC:2020:57 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2019/94

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2020:57
Datum uitspraak: 26-11-2020
Datum publicatie: 23-12-2020
Zaaknummer(s): 2019/94
Onderwerp: Katten
Beslissingen: Gegrond met schorsing
Inhoudsindicatie: Beklaagde, werkzaam als ambulant dierenarts, wordt verweten tijdens een operatie ter sterilisatie van een kat veterinair onjuist te hebben gehandeld, de kat na de operatie onder narcose bij de diereigenaar te hebben achtergelaten en ook overigens in de nazorg tekort te zijn geschoten. Gegrond. Volgt voorwaardelijke schorsing van 3 maanden met een proeftijd van twee jaar.

X,          klager,

tegen

Y,          beklaagde.

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek en een nog nader ingediend stuk van de zijde van klager. De mondelinge behandeling van de zaak vond plaats op 24 september 2020, waarbij van partijen alleen klager is verschenen. Na de zitting is de zaak door het college in raadkamer besproken en is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde, werkzaam als ambulante dierenarts, wordt verweten, samengevat, dat zij ten aanzien van een operatie ter sterilisatie van de kat van klager veterinair onjuist heeft gehandeld, dat zij de kat na de operatie onder narcose bij klager heeft achtergelaten en dat zij ook overigens in de nazorg is tekort geschoten, als gevolg waarvan de kat is overleden.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de kat van klager, een Europese Korthaar. De kat is naar schatting in september 2013 geboren, op Bali, en is in 2016 door klager van daaruit meegenomen naar Nederland. In de zomer van 2019 was de kat onrustig en het vermoeden bestond dat zij krols was. Er was geen informatie bekend over een eventueel reeds eerder ondergane sterilisatie op Bali en de kat had –voor zover bekend– nog nooit een nestje gehad. Omdat de klachten, met name het onrustige gedrag, verergerden, heeft beklaagde eind juli 2019 geadviseerd de kat te steriliseren, waarmee klager heeft ingestemd.

3.2. Beklaagde heeft zich toegelegd op de ambulante zorg voor huisdieren. Zij rijdt met een daartoe uitgeruste bus, waarin zich ook een operatieruimte bevindt. Beklaagde is conform afspraak op 6 augustus 2019 om 14.00 uur bij de woning van klager gearriveerd met de bus, om daarin de afgesproken sterilisatie uit te voeren. Beklaagde concludeerde uit de anamnese dat er bij de kat –behoudens het onrustige gedrag– geen sprake was van bijzonderheden. Zij heeft de voorbereidingshandelingen verricht voor de operatie en tussen 14.15 en 14.30 uur is de kat onder narcose gebracht en is 0,2 cc Sedastart, 0,2 cc Butomidor, 0,2 cc Ketamine, 0,4 cc Duplocilline en 0,3 cc Novacam toegediend.

3.3. Beklaagde heeft, bij wege van uitzondering, toegestaan dat klager in de bus aanwezig bleef tijdens de operatie. Ongeveer 45 minuten na aanvang van de operatie bleek dat beklaagde de ovariastructuren nog niet kon traceren. Een uterusstomp of een andere aanwijzing voor het voorheen wel aanwezig zijn geweest van deze structuren konden ook niet worden vastgesteld. Omdat dit ongebruikelijk was, wilde beklaagde hierover een second opinion van een collega-dierenarts. Zij stond daarbij voor de keuze om op dat moment met de kat met nog open buik naar een collega te rijden voor een second opinion, of om de buik van de kat te sluiten en deze later opnieuw chirurgisch te openen voor nader onderzoek. Beklaagde heeft ervoor gekozen met de kat naar een (minstens) 15 minuten verderop gelegen praktijk van een collega te rijden. Omstreeks 15.15 uur is zij naar de betreffende collega gereden. Klager is achtergebleven in zijn woning. De kat lag tijdens de rit onbewaakt achterin de bus, onder narcose, met een open buik. Omstreeks 15.30 uur is beklaagde bij de collega gearriveerd. De second opinion leverde een bevestiging op van de eerdere bevindingen van beklaagde, namelijk dat de ovariastructuren niet konden worden gevonden. Omdat de kat op enig moment begon te knipperen met de ogen - duidend op het wakker worden- heeft beklaagde nog 0,5 cc Sedastart en 0,1 cc Ketamine toegediend. Vervolgens is de buik van de kat gesloten in het bijzijn van de collega van beklaagde. Beklaagde heeft de kat daarna weer in de bus gelegd en heeft haar omstreeks 16.15 uur teruggebracht naar klager. Omdat de kat nog volledig onder narcose was, is het dier naar binnen gedragen.

3.4. Omstreeks 16.45 uur is beklaagde uit de woning van klager vertrokken. De kat had op dat moment –volgens de patiëntenkaart– een lichaamstemperatuur van 38,3 graden Celcius. Beklaagde heeft Novacam (pijnstillende medicatie) bij klager achtergelaten. In het verweerschrift is te lezen dat beklaagde aan klager heeft verzocht om een uur na haar vertrek telefonisch contact op te nemen om haar te berichten over hoe het met de kat ging. Uit de door klager aan het dossier toegevoegde gegevens aangaande verstuurde sms-berichten en telefonische contacten, alsmede de toelichting die daarop door klager nog is gegeven, heeft het college het volgende verloop van de contacten kunnen opmaken:

17:49 uur         klager stuurt een sms-bericht naar beklaagde om te laten weten dat de kat nog niet wakker is geworden,dat de ademhaling constant is, dat het tongetje uit de bek hangt, dat de kat warm voelt en dat er geen veranderingen zijn. Klager sluit af met “hoor graag van je”.

18:08 uur          beklaagde belt naar klager en deelt mede dat hij zich geen zorgen hoeft te maken en dat de kat vanzelf wel wakker zal worden. Beklaagde adviseert klager het wakker worden te stimuleren door over de kop van de kat te wrijven. Daaraan heeft klager gehoor gegeven.

19:20 uur         klager stuurt een sms-bericht naar beklaagde met de mededeling dat er nog niets is veranderd in de situatie en dat de ademhaling versnelt; klager telt 70 hartslagen per 30 seconden.

19:21 uur         beklaagde belt klager en adviseert de gebruikte deken van de kat te halen omdat zij vermoedelijk te warm is geworden. Beklaagde adviseert klager te proberen de kat iedere 5 minuten op haar pootjes te laten staan.

19:24 uur         klager belt beklaagde om te laten weten dat de kat ontlasting heeft verloren, waarin bloed zit. Beklaagde zegt dat dit door de sedatie komt.

20:27 uur         de echtgenote van klager belt beklaagde om te laten weten dat de kat niet meer ademt. Klager   is dan al zelf aan het reanimeren.

3.5. Ongeveer een kwartier na het laatste telefoongesprek is beklaagde bij klager thuis gearriveerd en heeft zij het overlijden van de kat vastgesteld. Beklaagde heeft klager en zijn echtgenote gevraagd of zij sectie wilden laten verrichten, waarop zij ontkennend hebben geantwoord.

3.6. Nadien hebben partijen nog enkele keren telefonisch en schriftelijk met elkaar gecommuniceerd. Klager heeft verzocht om een persoonlijk gesprek met beklaagde, hetgeen echter niet meer heeft plaatsgevonden. Op enig moment heeft klager de onderhavige procedure geëntameerd.

4. HET VERWEER   

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde tekort is geschoten in de zorg die zij als dierenarts jegens de kat van klager had behoren te betrachten dan wel of zij anderszins tekort is geschoten in hetgeen van haar als beoefenaar van de diergeneeskunde mocht worden verwacht, een en ander als neergelegd in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Klager heeft in zijn klaagschrift alsmede in de toelichting daarop ter zitting aangegeven dat hij beklaagde verwijt:

(1) ter zake van de uitvoering van de operatie:

-        dat zij voorafgaand aan de operatie de lichaamstemperatuur van de kat niet heeft gemeten en de longen niet heeft beluisterd;

-        dat de bus onvoldoende was geëquipeerd om een sterilisatie uit te voeren;

-        de kat niet is geïntubeerd om zuurstof toe te dienen;

-        dat de kat tijdens de operatie niet op een hartritme-monitor was aangesloten;

-        dat de kat geen ontstekingsremmende of pijnstillende medicatie toegediend heeft gekregen;

-        dat de verdovingsinjectie ‘onorthodox’ werd toegediend;

-        dat er tijdens de operatie geen gebruik is gemaakt van een warmtebron om de kat op temperatuur te houden;

-        dat beklaagde onnodig morfine aan de kat heeft toegediend;

-        dat het –op verzoek van klager– bij de kat tijdens de operatie afgenomen bloed niet direct is onderzocht;

(2) dat zij ervoor heeft gekozen de kat voor een second opinion naar een collega-dierenarts te vervoeren terwijl de kat onder narcose, zonder toezicht en met een open buik achterin de bus lag;

(3) dat de kat na afloop van de operatie onder narcose aan klager is teruggegeven en (4) dat beklaagde niet eerder heeft gereageerd op het niet wakker worden van de kat tijdens de recoveryperiode.

5.3. Het college is na bestudering van het dossier en na klager op zitting te hebben gehoord, tot de conclusie gekomen dat beklaagde diverse veterinaire verwijten te maken zijn en overweegt daarover als volgt.

5.4. Klager heeft beklaagde verweten dat zij (nadat zij geen ovariastructuren kon traceren), ondanks dat hij daarop zou hebben  aangedrongen, er niet voor heeft gekozen de buik van de kat te sluiten en dat beklaagde de kat onder narcose, onbewaakt en met open buik naar een collega heeft vervoerd voor een second opinion. Beklaagde heeft in verweer beschreven dat zij het sluiten van de buik van de kat geen optie vond omdat de klachten dan niet zouden zijn verholpen en zij de kat een volgende operatie wilde besparen. De in haar ogen relatief korte rit naar de betreffende collega voor een second opinion achtte zij daarbij niet onredelijk belastend, en in ieder geval minder belastend dan een tweede narcose, nodig bij een eventuele volgende operatie. Beklaagde heeft voorts gesteld dat klager niet om het sluiten van de buik van de kat heeft verzocht en evenmin kenbaar heeft gemaakt dat hij geen second opinion wilde. Er bestaat aldus tegenspraak over de door klager geuite wensen. Dit laat onverlet dat het college van oordeel is dat beklaagde bij de afweging tussen enerzijds een lange narcose bij één operatie - waarbij zij ook nog tussentijds heen en weer zou rijden - dan wel anderzijds de buik te sluiten en eventueel bij een opvolgende operatie opnieuw een (kortere) narcose toe te moeten passen, voor het laatste had moeten kiezen. Dit eens temeer nu de kat onder narcose, met open buik, onbewaakt achter in de bus is vervoerd. Het college acht die door beklaagde gemaakte keuze onverantwoord. Op deze wijze konden tijdens de rit van (tenminste) een kwartier, mogelijk optredende complicaties niet worden waargenomen en kon daarop dan niet tijdig worden geacteerd. Het tweede klachtonderdeel treft zonder meer doel.

5.5. Klager heeft beklaagde voorts verweten dat zij de kat na de operatie onder narcose heeft achtergelaten bij klager. Beklaagde heeft daarover gesteld dat het voor haar gangbare praktijk was dat zij dieren na een ingreep onder narcose thuis achterliet, dat zij de ervaring heeft dat dieren langzaam wakker worden in de thuissituatie - omdat er weinig stress en prikkels van buitenaf zijn - en dat zij in het onderhavige geval, ook na een verstreken tijdsbestek van een uur, geen aanleiding zag om langs te komen om de gezondheidssituatie van de kat thuis te beoordelen. Ook de berichten van klager gaven beklaagde daartoe kennelijk geen aanleiding. Het college oordeelt hieromtrent als volgt. Het bij een diereigenaar achterlaten of aan een diereigenaar meegeven van een dier dat nog onder narcose is, betreft geen veterinair juiste en verantwoorde werkwijze. Een dierenarts, danwel een dierenartsassistente, dient een dier dat na een ingreep nog onder narcose is, te monitoren tijdens de recovery en eerst aan de eigenaar mee te geven dan wel bij de eigenaar achter te laten als vaststaat dat het uit de narcose is ontwaakt. Dat de kat, zoals beklaagde stelt, een knipperreflex liet zien toen zij de kat achterliet, acht het college onvoldoende. Het valt beklaagde te verwijten dat zij er niet voor heeft gekozen om ter plaatse te wachten tot het moment dat het dier wakker was. Voorts valt voor het college moeilijk te begrijpen waarom beklaagde, gelet op het tijdsverloop na haar vertrek, geen aanleiding heeft gezien op de telefonische meldingen en berichten van klager te reageren, waarin hij –onder meer– meldde dat de kat nog steeds niet wakker was geworden. Eerst uren nadien, toen klager liet weten dat de kat niet meer ademde, zag beklaagde aanleiding naar de woning van klager te komen om de situatie ter plaatse te beoordelen. De kat was toen inmiddels overleden. Waaraan de kat is overleden is niet komen vast te staan, nu er geen sectie is verricht. Echter, ongeacht de oorzaak van het overlijden van de kat, is het college van oordeel dat de handelswijze van beklaagde laakbaar en in strijd met de zorgvuldige beroepsuitoefening is geweest. De derde en vierde klacht slagen daarmee eveneens.

5.6. Met betrekking tot de door klager aangevoerde klachten omtrent de uitvoering van de operatie als zodanig (zie de opsomming in 5.2 onder klacht 1), heeft het college onvoldoende concrete aanwijzingen om beklaagde op de genoemde punten een tuchtrechtelijk verwijt te maken, nu de feiten dienaangaande niet zijn vast te stellen. Met betrekking tot dit klachtonderdeel kan dan ook niet tot een gegrondverklaring worden gekomen. Overigens heeft het college geen aanwijzingen die de conclusie rechtvaardigen dat beklaagde kan worden verweten dat zij geen ovariastructuren heeft kunnen vinden. Mogelijk had de kat toch al eerder een sterilisatie ondergaan, hetgeen bij klager niet bekend was.

5.7. De eindconclusie is dan dat beklaagde op enkele essentiële onderdelen naar het oordeel van het college laakbaar en onverantwoordelijk heeft gehandeld. Gebleken is overigens dat haar werkwijze jarenlang aldus is geweest dat zij stelselmatig dieren onder narcose achterliet bij diereigenaren zonder zich de risico’s daarvan te realiseren. Hoewel beklaagde in haar verweerschrift heeft aangegeven dat zij haar werkwijze inmiddels heeft aangepast in die zin dat alle huisdieren na een narcose een middel krijgen toegediend om uit de narcose wakker te worden (Sedastop, Atipamezole, Hydrochloride), neemt dit niet weg dat zulks in het onderhavige geval niet is gebeurd. Beklaagde heeft bovendien in haar verweerschrift aangegeven dat zij haar ‘oude’ werkwijze –waarin zij dus dieren onder narcose bij diereigenaren achterliet en de diereigenaren verzocht haar op de hoogte te houden van de recovery niet onjuist acht en die manier van werken haar voorkeur geniet, maar dat zij toch voor een nieuwe werkwijze heeft gekozen omdat dat diereigenaren sneller duidelijkheid verschaft omtrent de toestand van een dier na een onder narcose uitgevoerde ingreep. In die zin moet worden vastgesteld dat niet het besef is getoond dat haar eerdere werkwijze, die in het onderhavige geval ook is gevolgd, risicovol en onverantwoordelijk is geweest. Het college wenst er geen misverstand over te laten bestaan dat de in dit geval (en jarenlang, ook bij andere dieren) gevolgde werkwijze veterinair onjuist en in strijd met de zorgvuldige beroepsuitoefening is geweest.  In aanmerking genomen de ernst van de in het geding zijnde gedragingen en de, gelet op hetgeen in verweer is gesteld, niet denkbeeldige kans op recidive, acht het college na te melden maatregel geboden.

6. DE BESLISSING   

Het college:

verklaart de klacht gegrond in voege als hiervoor onder 5.4 en 5.5 is beschreven;

schorst beklaagde voorwaardelijk in de bevoegdheid om de diergeneeskunde uit te oefenen voor een periode van drie maanden, met een proeftijd van twee jaar – overeenkomstig artikel 8.31, lid 1, onderdeel d, in combinatie met lid 5 en lid 6 van de Wet dieren –, welke proeftijd ingaat vanaf de dag waarop deze uitspraak onherroepelijk is geworden.

Aldus vastgesteld te ’s Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.G. Tillema, drs. J. Hilvering, en drs. B.J.A. Langhorst Mak, in tegenwoordigheid van mr. J.B.M. Keijzers, secretaris, en uitgesproken op 26 november 2020.