Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TDIVTC:2020:55 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2019/67

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2020:55
Datum uitspraak: 26-11-2020
Datum publicatie: 21-12-2020
Zaaknummer(s): 2019/67
Onderwerp: Honden
Beslissingen: Gegrond met waarschuwing
Inhoudsindicatie: Dierenarts wordt verweten ten aanzien van een hond op basis van onvoldoende onderzoek ten onrechte langdurig hartmedicatie te hebben voorgeschreven. Gegrond, waarschuwing.

X,         klaagster,

tegen

Y          beklaagde.

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling van de zaak vond plaats op 24 september 2020. Klaagster is daarbij niet verschenen. Beklaagde was wel aanwezig. In de periode voorafgaande aan de zitting zijn door het college aan beide partijen schriftelijk vragen voorgelegd, die zijn beantwoord en waarvan partijen over en weer in kennis zijn gesteld. Na de hoorzitting is de zaak door het college in raadkamer besproken en is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten, zakelijk weergegeven, dat zij op basis van onvolledig onderzoek een onjuiste diagnose heeft gesteld (een hartprobleem) en dienaangaande langdurig ten onrechte en onnodig een medicamenteuze behandeling heeft ingezet.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klaagster, een reu, geboren op 10 juli 2010.

3.2. Klaagster heeft op 20 november 2017 beklaagde geconsulteerd, omdat haar hond plotseling vreemd ademde c.q. pufte. Beklaagde heeft de hond klinisch onderzocht. Bij auscultatie van de longen werd een verscherpt geruis waargenomen en in verband hiermee is, naar het college heeft begrepen tijdens hetzelfde consult, een röntgenfoto van de thorax gemaakt, waarop onder meer longsluiering werd waargenomen. Beklaagde heeft hartmedicatie (Cardisure), een vochtafdrijvend middel (Furosoral) en een antibioticum (Clavubactin) in tabletvorm voorgeschreven.

3.3 Naar het college heeft begrepen is klaagster in de nacht van 21 november 2017 weer bij beklaagde op consult geweest, omdat het kennelijk niet goed ging met de hond. Na een klinisch onderzoek is per injectie een vochtafdrijvend middel en een antibioticum toegediend. Er is onder meer geadviseerd om eerst de reeds voorgeschreven antibioticumkuur voort te zetten en door te gaan met de vochtafdrijvende medicatie en de hartmedicatie (Cardisure), en om in de daarop volgende week terug te komen voor controle, eventueel in combinatie met het opnieuw maken van een röntgenfoto. Beklaagde heeft in de patiëntenkaart genoteerd dat klaagster in een telefonisch gesprek kort nadien heeft aangegeven dat de hond nog wel zwaar ademde en moe was, maar dat het iets beter ging.

3.4. Op 1 december 2017 bleek tijdens het afgesproken consult dat het redelijk goed ging met de hond. In de patiëntenkaart heeft beklaagde genoteerd dat de klachten waarschijnlijk werden veroorzaakt door een combinatie van een hartprobleem en een longontsteking, maar dat de hond goed reageerde op de voorgeschreven medicatie. Geadviseerd werd om de hond langdurig c.q. levenslang een onderhoudsdosering van de hartmedicatie te blijven geven en de vochtafdrijvende medicatie af te bouwen naar alleen één tablet in de ochtend. Partijen verschillen van mening over de vraag of er ook over verwijzing naar een specialist is gesproken.

3.5. Op 27 december 2017 is er telefonisch contact geweest tussen klaagster en de praktijk van beklaagde, waarbij door klaagster is aangegeven dat haar hond zich soms leek te verslikken bij het drinken, dan wat benauwd leek en soms vocht ophoestte. In de patiëntenkaart staat onder meer genoteerd: “… Eigenaar had ook gelezen over meer hartmedicatie. Nu aceremmer erbij proberen.” Er is aanvullend Benakor (een zogenoemde ACE remmer ter behandeling van hartfalen) voorgeschreven.

3.6. Blijkens de patiëntenkaart is in het kader van het vermeende hartprobleem vervolgens gedurende een lange periode (in ieder geval tot en met 31 januari 2019) onder meer Furosemide, Benakor/Fortekor en Cardisure/Vetmedin voorgeschreven. Klaagster is gedurende deze periode niet meer met de hond bij beklaagde op consult geweest en heeft de medicatie tussentijds steeds afgehaald aan de balie van de praktijk.

3.7. Volgens klaagster kreeg zij op enig moment toch bedenkingen bij de door beklaagde gestelde diagnose – hartfalen c.q. cardiomyopathie en is zij om die reden op 4 juli 2019 bij een tweedelijns kliniek geweest voor een second opinion. Daar is de hond klinisch onderzocht en is ook echocardiografisch onderzoek uitgevoerd. Uit het lichamelijk onderzoek kwam onder meer naar voren dat de hond rustig en attent was en een krachtige polsslag had. Bij auscultatie waren reine harttonen te horen. De bevindingen van het echocardiografisch onderzoek zijn als volgt beschreven: “beeld van en normaal gebouwd linker en rechter hart op de 2 D opnamen. M mode metingen tonen normale afmetingen en dimensies van het linker hart. De FS waarde is 37%.Conclusie/diagnose: Normaal gebouwd en functionerend hart. ACVIM klasse A”. De prognose werd als goed ingeschat en qua therapie is geadviseerd om met het gebruik van Furosemide direct te stoppen en het gebruik van Vetmedin en Fortekor in een tijdsbestek van 14 dagen af te bouwen. Het college heeft uit de stukken begrepen dat het in de periode hierna zonder die medicatie goed ging met de hond.

3.8. Op enig moment heeft klaagster de onderhavige procedure geëntameerd. Klaagster verwijt beklaagde onvoldoende onderzoek te hebben verricht en de hond niet tijdig te hebben doorverwezen, als gevolg waarvan op basis van een onjuiste diagnose (cardiomyopathie) gedurende lange tijd onnodig hartmedicatie is voorgeschreven.

4. HET VERWEER   

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde tekort is geschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klaagster, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Het eerste consult bij beklaagde in deze zaak vond plaats op 20 november 2017. Beklaagde heeft de hond, die werd aangeboden met ademhalingsklachten, klinisch onderzocht, waarbij zij blijkens de patiëntenkaart onder meer constateerde dat de hond een polsfrequentie van 60 slagen per minuut had, hetgeen als laag werd beschouwd voor een puffende hond, dat de lichaamstemperatuur niet afwijkend was (38,2 °C) en dat de slijmvliezen roze en vochtig waren. Bij auscultatie van de longen werd een verscherpt geruis, bijgeluiden en ‘iets chiemen en piepen’ waargenomen. In de patiëntenkaart staat ten aanzien van het aanvullend beeldvormend onderzoek vermeld: “Rofo: longsluiering hartbasis, op DV mn R verdichting. VHS 11. Tramrails en donuts. Toevalsbevinding artrosevergroeiing ruggewervels minimaal.” Het college acht op zichzelf niet onbegrijpelijk en ook niet direct verwijtbaar dat beklaagde op basis van haar onderzoeksbevindingen, in combinatie met een onregelmatige hartslag, waarvan – zo heeft beklaagde ter zitting aangegeven – ook sprake was, op dat moment is uitgegaan van de waarschijnlijkheidsdiagnose cardiomyopathie in combinatie met een pneumonisch beeld en dat in eerste instantie een daarop gerichte medicamenteuze behandeling is ingezet om te bezien of de klachten daarmee zouden verminderen.

5.3. Uit de stukken is gebleken dat de hond de hartmedicatie vanaf 20 november 2017 en ieder geval tot en met 31 januari 2019 (een periode van ruim een jaar) heeft gekregen, zonder dat beklaagde de hond na het consult op 1 december 2017 nog heeft gezien of (aanvullend) onderzoek heeft verricht. Volgens beklaagde is er initieel, tijdens de consulten eind 2017, geen hartecho gemaakt vanwege de beperkte kennis en ervaring op dat terrein binnen de eigen praktijk, maar is wel gesproken over doorverwijzing naar een tweedelijnskliniek. Ter zitting heeft beklaagde toegelicht de hartmedicatie na die eerste consulten eind 2017 te hebben voortgezet, omdat klaagster, die meerdere honden had en de praktijk regelmatig bezocht, aan de balie of telefonisch aangaf dat het goed ging met de hond. Ook heeft beklaagde aangevoerd dat klaagster geen nadere onderzoeken of verdere consulten wilde, omdat dit in haar ogen te stressvol voor de hond zou zijn.

5.4. Het college gaat ervan uit dat de op 20 dan wel 21 november 2017 op basis van het klinische beeld en een röntgenfoto gestelde diagnose (cardiomyopathie in combinatie met een longontsteking) per saldo nog slechts een waarschijnlijkheidsdiagnose betrof. Beklaagde stelt dat zij klaagster tijdens dit consult heeft geadviseerd om ongeveer een week later terug te komen voor controle, waarbij eventueel ook weer een (controle)röntgenfoto zou kunnen worden gemaakt en dat zij daarnaast de mogelijkheid van doorverwijzing naar een specialistische kliniek voor nader onderzoek (bijvoorbeeld een hartechografie) met klaagster heeft besproken, maar dat klaagster om haar moverende redenen van vervolgconsulten en vervolgonderzoek elders zou hebben afgezien. Zelfs al zou de lezing van beklaagde, die overigens door klaagster wordt betwist, worden gevolgd, valt beklaagde naar het oordeel van het college in dit geval te verwijten dat zij zonder een (definitieve) diagnose te hebben gehad, gedurende lange tijd (in ieder geval van 20 november 2017 tot 31 januari 2019) hartmedicatie heeft voorgeschreven, zonder dat is gebleken dat zij het effect van de medicatie in voldoende mate en naar behoren heeft gemonitord en geëvalueerd. Terzijde merkt het college op dat klaagster een vaste cliënt van de praktijk was, die daar op gezette tijden ook met haar andere honden kwam. Dat klaagster, zoals uit de patiëntenkaart volgt, meermaals telefonisch of aan de assistenten aan de balie zou hebben aangegeven dat het goed ging met de hond, ontsloeg beklaagde naar het oordeel van het college niet van de gehoudenheid om zich als verantwoordelijk veterinair zorgverlener, niet enkel te laten leiden door de verklaringen en wensen van een diereigenaar, maar de regie over het verloop van het ziekteproces en de behandeling te houden en erop aan te dringen dat de hond tussentijds op de praktijk zou komen voor een fysiek consult. Dit  enerzijds om de waarschijnlijkheidsdiagnose bevestigd te krijgen, bijvoorbeeld middels een hartecho, en anderzijds om fysiek te beoordelen of er reden was de toegepaste hartmedicatie bij te stellen. In dat verband verdient overigens in zijn algemeenheid ook opmerking dat herhaaldelijke afgifte gedurende een lange en in beginsel onbepaalde periode van medicatie aan een eigenaar door assistenten aan de balie, zonder dat een dier door een dierenarts wordt gezien althans zonder dat steeds overleg en ruggespraak plaatsvindt met een dierenarts, vanuit veterinair oogpunt onwenselijk is.

5.5. De conclusie is dan dat door het college niet overeenkomstig de zorgvuldige beroepsuitoefening wordt geacht dat beklaagde, die als begeleidend dierenarts verantwoordelijk was voor het voorschrijven van de hartmedicatie, dit zo langdurig heeft gedaan zonder meer zekerheid te hebben over de door haar vermoede diagnose en door het voorschrijven te continueren zonder het gebruik van de medicatie gericht en afdoende te monitoren en te evalueren. In die zin is de klacht gegrond. Beklaagde heeft ter zitting overigens blijk gegeven van het besef dat zij anders had behoren te handelen en verklaard uit de casus lering te hebben getrokken. Het college acht een waarschuwing een passende maatregel.

6. DE BESLISSING   

Het college:

verklaart de klacht deels gegrond in voege als hiervoor onder 5.5 is beschreven;

geeft beklaagde daarvoor een waarschuwing, als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet dieren.

Aldus vastgesteld te ’s Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. J. Hilvering, drs. B.J.A. Langhorst-Mak en drs. B.G. Tillema, in tegenwoordigheid van mr. J.B.M. Keijzers, secretaris en uitgesproken op 26 november 2020.