Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TDIVTC:2020:53 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2019/79

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2020:53
Datum uitspraak: 02-10-2020
Datum publicatie: 10-11-2020
Zaaknummer(s): 2019/79
Onderwerp: Honden
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Dierenarts wordt verweten een hond nodeloos te hebben laten lijden door het dier niet tijdig te euthanaseren. Ongegrond.

X,           klager,

tegen

Y,           beklaagde.

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling van de zaak vond plaats op 30 juli 2020. Van partijen was beklaagde aanwezig, tezamen met zijn advocaat. Klager is niet verschenen. Na de hoorzitting is de zaak door het college in raadkamer besproken en is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

De klacht houdt in, samengevat, dat beklaagde de hond van klager nodeloos zou hebben laten lijden door de hond niet tijdig te euthanaseren en dat hij verkeerde pijnstillende medicatie heeft voorgeschreven.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klager, een Bouvier, die ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige zaak hebben geleid ongeveer 11 jaar oud was.

3.2. Klager heeft beklaagde in mei 2019 geconsulteerd, nadat de hond sedert drie dagen linksvoor kreupel liep. Beklaagde heeft na zijn klinisch onderzoek een NSAID en een corticosteroïde voorgeschreven (Meloxidyl en Dexamethason). In de patiëntenkaart staat vermeld dat de oorzaak van de kreupelheid onbekend was en dat de linker carpus verdikt was en pijnlijk bij het buigen.

3.3. Op 7 juni 2019 heeft weer een consult bij beklaagde plaatsgevonden, omdat de hond nog steeds kreupel liep. Bij het klinisch onderzoek kwam naar voren dat de lichaamstemperatuur van de hond verhoogd was (39,3 °C), dat de linker elleboog naar buiten gedraaid stond en dat de distale radius verdikt leek. Beklaagde sloot niet uit dat er sprake kon zijn van een osteosarcoom. Er is Meloxidyl en Dexamethason per injectie gegeven en Carporal (NSAID) voorgeschreven en besproken dat de volgende stap het maken van een röntgenfoto zou zijn.

3.4. Op 27 juni 2019 heeft beklaagde een röntgenfoto gemaakt van de linker voorpoot van de hond, waarop te zien was dat er sprake was van een tumor in de distale radius. De lezingen lopen uiteen over de vraag of er tijdens dit consult door beklaagde euthanasie is voorgesteld, hetgeen door klager is tegengesproken. In de patiëntenkaart heeft beklaagde evenwel genoteerd: “Advies: Euthanasie op termijn. Eigenaar wil eerst nog pijnbestrijding en komt later Meloxidyl ophalen (röntgenfoto meegegeven)”.

3.5. Op 10 september 2019 is klager, zonder de hond, naar de praktijk van beklaagde gegaan om bij de balie pijnstillende medicatie te halen. Beklaagde heeft gesteld dat hij, na een verzoek van de assistente, naar de balie is gekomen en klager te woord heeft gestaan, die verzocht om sterkere pijnstillende medicatie en had aangeven geen Meloxidyl meer te willen. Volgens de lezing van klager waren de pijnstillers op en kwam hij om dezelfde pijnstillende medicatie op te halen die zijn hond al kreeg, maar kreeg hij andere medicatie van beklaagde mee. De lezingen lopen verder uiteen over de vraag of er tijdens dit gesprek aan de balie door beklaagde euthanasie is voorgesteld. Volgens beklaagde heeft hij toen herhaald dat het beter zou zijn om de hond in te laten slapen, maar dat klager beklaagde aangaf daar (nog) niet aan toe te zijn. In zijn repliek stelt klager dat beklaagde op geen enkel moment euthanasie heeft voorgesteld. In de patiëntenkaart staat daarentegen vermeld: “mee aan balie Tramadol 50 mg 30 caps (€ 4,25) max 4 dd 1 cap. Afspraak: waarschijnlijk einde van de week euthanasie. Uitleg over Tramadol  Dhr. Busscher is nog niet toe aan euthanasie.”

3.6. Het college heeft uit de stukken begrepen dat de hond in de nacht van 10 op 11 september 2019 thuis is overleden. Nadat beklaagde hiervan kennis nam, heeft hij telefonisch contact gezocht met klager en uiteindelijk op 23 oktober 2019 contact met hem gekregen. Volgens beklaagde heeft klager tijdens dat gesprek aangegeven niet meer met hem te willen spreken. Klager heeft op enig moment de onderhavige tuchtprocedure geëntameerd.

4. HET VERWEER   

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

5.1. In geschil is de vraag of beklaagde tekort is geschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klager, met betrekking tot welk dier zijn hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. Bij de beoordeling van die vraag geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het handelen van beklaagde beter had gekund, maar of hij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.

5.2. Het college stelt vast dat er geen sectie op het stoffelijk overschot van de hond is verricht, waardoor ongewis is gebleven wat uiteindelijk de precieze doodsoorzaak van de hond is geweest, behoudens dat uiteraard vast staat dat er sprake was van een tumor in de linker voorpoot.

5.3. Vastgesteld kan worden dat beklaagde de hond feitelijk tijdens drie consulten in 2019 heeft gezien in verband met kreupelheidsklachten. Bij het tweede consult op 7 juni 2019 vermoedde beklaagde dat er sprake was van osteosarcoom, hetgeen werd bevestigd middels de op 27 juni 2019 gemaakte röntgenfoto. Tussen partijen is in geschil of beklaagde op dat moment euthanasie als optie heeft voorgesteld. Ter zitting heeft beklaagde toegelicht dat hij op 27 juni 2019 met klager twee opties heeft besproken: de hond doorverwijzen naar een gespecialiseerde kliniek of euthanasie (hetgeen, naar beklaagde heeft gesteld, gelet op de slechte prognose zijn voorkeur had), maar dat klager nog niet aan euthanasie toe was, en dat hij klager de röntgenfoto heeft meegegeven voor het geval hij een andere dierenarts voor een second opinion wilde raadplegen. Het college acht voldoende aannemelijk dat beklaagde, uitgaande van osteosarcoom, het ziektebeeld, de pijn en een slechte prognose, op 27 juni 2019 euthanasie ter sprake heeft gebracht. Voor die stelling van beklaagde is ook steun te vinden in de patiëntenkaart en in de gegeven situatie betrof een voorstel tot euthanasie naar het oordeel van het college ook een reële optie.  

5.4. Toen klager op 10 september 2019 zonder zijn hond (omdat die moeite had met lopen) bij de praktijk aan de balie langskwam voor pijnstillende medicatie, heeft beklaagde hem te woord gestaan. De lezingen van partijen lopen uiteen over de pijnstillende medicatie waar klager om verzocht. De feiten op dit punt kunnen door het college niet worden vast gesteld, behalve dan dat er door beklaagde is besloten Tramadol mee te geven. Door het college kan niet worden aangenomen, zoals klager suggereert, dat het gebruik ervan tot de conditionele verslechtering heeft geleid, waarbij wordt aangetekend dat de hond zich duidelijk in een terminale fase bevond en deze pijnstillende medicatie enkel kortdurend kan zijn gebruikt, in aanmerking genomen dat de hond in de daarop volgende nacht is overleden. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting acht het college voldoende aannemelijk dat beklaagde tijdens het gesprek aan de balie zijn advies om de hond in te laten slapen heeft herhaald en dat het voorstel is gedaan om dit aan het einde van die week te doen plaatsvinden. Het college ziet geen aanleiding om de notities daarover in de patiëntenkaart in twijfel te trekken. Dat beklaagde, ter overbrugging van die periode, een sterker  pijnstillend middel heeft verstrekt zonder de hond te hebben gezien, acht het college in de gegeven omstandigheden aanvaardbaar en tuchtrechtelijk niet verwijtbaar, nu hij het college er voldoende van heeft overtuigd die beslissing te hebben genomen in het belang van het adequaat bestrijden van pijn bij de terminale hond en er ook geen contra-indicaties voor de inzet van dit middel aan de orde waren.

5.5. Concluderend wordt door het college voldoende aannemelijk bevonden dat beklaagde, nadat de tumor was ontdekt, alsook tijdens het laatste gesprek aan de balie, euthanasie aan de orde heeft gesteld en daartoe heeft geadviseerd, waartoe het echter niet meer is gekomen. Daarvan uitgaande ziet het college onvoldoende aanleiding  om te oordelen dat beklaagde de hond te lang of nodeloos heeft laten lijden of dat hem anderszins veterinair onjuist of nalatig handelen kan worden verweten dat het opleggen van een tuchtmaatregel zou rechtvaardigen. Aldus wordt de klacht ongegrond verklaard.

6. DE BESLISSING   

Het college:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s Gravenhage door mr. L.B.M. Klein Tank, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. J.A.M. van Gils, drs. J. Hilvering, en drs. M.J. Wisse, in tegenwoordigheid van mr. J.B.M. Keijzers, secretaris en uitgesproken op 2 oktober 2020.