Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TDIVTC:2020:52 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2019/75

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2020:52
Datum uitspraak: 02-10-2020
Datum publicatie: 10-11-2020
Zaaknummer(s): 2019/75
Onderwerp: Paarden
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Dierenarts wordt verweten tekort te zijn geschoten ten aanzien van het onderzoek en de behandeling van een paard dat koliekklachten had. Ongegrond.

X,       klager,    

tegen

Y,       beklaagde.

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweerschrift, de repliek en de dupliek. Op 30 juli 2020 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Beide partijen zijn hierbij verschenen. Klager werd ter zitting vergezeld door zijn echtgenote en de mede-eigenaar van het paard. Beklaagde werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Hierna is de zaak door het college in raadkamer besproken en is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten, samengevat weergegeven, dat hij tekort is geschoten in het onderzoek en de behandeling van het paard van klager, dat koliekklachten had. 

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. De zaak heeft betrekking op het paard van klager, een KWPN-hengst (v. Bordeaux). Het paard stond voor trainingsdoeleinden op een stal, waar beklaagde de vaste begeleidend dierenarts was. 

3.2. Op 11 (volgens klager) dan wel 12 (volgens beklaagde) juni 2019 was beklaagde op de betreffende stal aanwezig om een ander paard te onderzoeken. Tijdens deze visite werd hem door de stalhouder verzocht ook naar het paard van klager te kijken, omdat het mogelijk lichte kolieksymptomen vertoonde. Beklaagde heeft het paard aan een kort klinisch onderzoek onderworpen, waarbij hij geen bijzonderheden heeft waargenomen. Voor de zekerheid heeft hij het paard Buscopan Compositum toegediend.

3.3. In de ochtend van 14 juni 2019 werd beklaagde door de stalhouder telefonisch medegedeeld dat het paard van klager niet fit oogde en schraapte met de voorbenen. Beklaagde heeft die ochtend een visite afgelegd en klinisch en rectaal onderzoek bij het paard verricht. Daarbij is volgens beklaagde weliswaar vastgesteld dat er sprake was van het schrapen met de voorbenen, maar waren er ook dit keer geen duidelijke aanwijzingen voor koliek. Beklaagde heeft opnieuw Buscopan Compositum toegediend, alsook een lage dosering Finadyne. Later op die dag heeft beklaagde opnieuw een visite afgelegd, omdat het paard volgens de stalhouder weer onrustig was geworden. Klinisch en rectaal onderzoek leverden ook toen geen bijzonderheden op. Beklaagde heeft de medicamenteuze behandeling die eerder die ochtend was ingezet, bestaande uit Buscopan Compositum en Finadyne, herhaald.

3.4. Omdat het paard de volgende dag, 15 juni 2019, weer c.q. nog steeds klachten had, is het dier onderzocht door een collega van de praktijk, zijnde de op dat moment dienstdoende dierenarts. Behalve wat gas in het colon, dat bij auscultatie hoorbaar was, heeft deze dierenarts geen bijzonderheden vastgesteld. Het paard heeft opnieuw Buscopan en Finadyne toegediend gekregen, alsook paraffine ter laxatie.

3.5. Later die dag heeft de staleigenaar telefonisch contact opgenomen met beklaagde omdat het paard weer onrustig was. Beklaagde heeft een visite afgelegd en opnieuw klinisch en rectaal onderzoek verricht, waarbij hij dit keer vaststelde dat er meer gas in het colon aanwezig was en dat het paard onrustig was. In overleg met de staleigenaar heeft beklaagde telefonisch contact opgenomen met de mede-eigenaar van het paard, als eerste contactpersoon (na de staleigenaar), en aangegeven dat het, gelet op de aanhoudende dan wel steeds terugkerende klachten, wellicht verstandig was om met het paard voor nader onderzoek een tweedelijnskliniek te consulteren. De mede-eigenaar van het paard is vervolgens eerst zelf naar de stal gekomen en heeft besloten om het paard, overeenkomstig het advies van beklaagde, naar een tweedelijnskliniek te brengen, hetgeen na een telefonische aanmelding door beklaagde diezelfde avond is gebeurd.

3.6. Bij aankomst in de tweedelijnskliniek werd aldaar onder meer geconstateerd dat het paard op dat moment rustig was, een polsfrequentie van 52 slagen per minuut en een lichaamstemperatuur van 38,7 graden Celsius had, te donkere slijmvliezen en een iets gespannen buik. Bij rectaal onderzoek werd een forse meteorismus van het colon gevoeld met een liggingsverandering. In eerste instantie is besloten tot een behandeling bestaande uit een infuus en een laxerend middel, in combinatie met vasten en rustige beweging. Toen na een dag bleek dat deze ingestelde behandeling onvoldoende effect sorteerde, is een exploratieve laporatomie uitgevoerd, waarover in de patiëntenkaart het volgende is genoteerd: ‘Onder gehele anesthesie in rugligging is een incisie gemaakt in de linea alba. Het linker colon ascendens lag in een RDD en vast over de milt-nierband. Het colon is gespoeld middels enterotomie in de flexura pelvina en in normopositie gebracht. Het abdomen is in 4 lagen gesloten.’ In de hierop volgende periode is het paard intensief behandeld met onder andere antibiotica, pijnstillende medicatie en infuusbehandelingen. Op enig moment is acuut nierfalen vastgesteld en is de toepassing van alle potentieel nefrotoxische medicatie gestaakt. Het paard had wisselend koorts en een matige eetlust. Na enige tijd verbeterde zijn gezondheidstoestand, in die zin dat de koorts afnam, de eetlust weer toenam, de nierfunctie herstelde en de medicatie kon worden afgebouwd. Op 4 juli 2019, ruim 2,5 week na opname bij de tweedelijnskliniek, bleek het paard voldoende te zijn opgeknapt om thuis verder aan te sterken. Het college heeft uit het verhandelde ter zitting begrepen dat het paard hierna is hersteld.

3.7. Eind augustus 2019 heeft een evaluatiegesprek plaatsgevonden, waarbij klager aan beklaagde zijn onvrede heeft geuit over diens veterinair handelen met betrekking tot het paard. Dit gesprek heeft niet tot een bevredigende uitkomst voor klager geleid, waarna hij heeft besloten de onderhavige tuchtprocedure te entameren.

4. HET VERWEER   

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

5.1. In geschil is de vraag of beklaagde tekort is geschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van het paard van klager, met betrekking tot welk dier zijn hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. Bij beantwoording van deze vraag gaat het er naar vaste jurisprudentie niet om of de meest optimale zorg is verleend, maar geldt als toetsingscriterium of beklaagde bij de consulten en behandelingen waar hij bij betrokken was als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden. Het college merkt vooraf voorts op dat in een tuchtprocedure als de onderhavige financiële kwesties -zoals hetgeen klager heeft gesteld met betrekking tot de door hem geleden financiële schade en onnodig gemaakte kosten-  buiten de reikwijdte van het veterinair tuchtrecht vallen en buiten de beoordeling zullen blijven.

5.2. Tussen partijen bestaat tegenspraak over de datum waarop beklaagde het paard van klager voor het eerst heeft onderzocht in verband met vermeende (lichte) koliekklachten. Waar beklaagde stelt dat hij dit op woensdag 12 juni 2019 heeft gedaan, stelt klager, die overigens zelf niet bij de visite aanwezig was, maar zich baseert op het verslag van de tweedelijnskliniek waar het paard later werd opgenomen, dat die eerste visite op dinsdag 11 juni 2019 heeft plaatsgevonden. Hoe het ook zij, in ieder geval was beklaagde op een van die twee data op de stal aanwezig om een ander paard te onderzoeken en is hem tijdens die visite door de staleigenaar gevraagd om ook onderzoek bij het paard van klager te verrichten, omdat het wat onrustig was geweest en mogelijk koliek kon hebben. Beklaagde heeft gesteld dat het paard van klager op dat moment rustig was en stond te eten en dat hij bij een kort klinisch onderzoek geen afwijkingen heeft waargenomen. Het college ziet geen aanleiding om dit in twijfel te trekken en heeft ook geen bemerkingen over het verrichte onderzoek. Blijkens de patiëntenkaart had het paard een rustige polsfrequentie van 36 slagen per minuut, was de lichaamstemperatuur niet afwijkend en waren er normale darmgeluiden hoorbaar. Omdat het paard eerder die dag kennelijk wel onrustig was geweest, heeft beklaagde voor de zekerheid Buscopan Compositum toegediend, hetgeen naar het oordeel van het college in de gegeven situatie een verdedigbare keuze is geweest.

5.3. Op 14 juni 2019 heeft beklaagde opnieuw een visite afgelegd, omdat het paard volgens de staleigenaar weer onrustig was. Beklaagde, die bij de anamnese te horen kreeg dat het paard de vorige dag geen klachten had gehad en ook was bereden, heeft het paard opnieuw onderzocht, waarbij hij vaststelde dat het paard nu iets schraapte met de voorbenen, maar dat er verder geen klinische bijzonderheden waren. Het college heeft geen redenen om dit in twijfel te trekken, hetgeen eveneens geldt voor de stelling van beklaagde dat ook bij rectaal onderzoek geen afwijkingen werden waargenomen die evident wezen op koliek. In de gegeven omstandigheden – onrustig, schrapen met de voorbenen kan het college beklaagde volgen waar hij er voor heeft gekozen het paard toch opnieuw medicamenteus te behandelen met Buscopan Compositum, ditmaal in combinatie met een lage dosering Finadyne.

5.4. De volgende ochtend, op 15 juni 2019, had het paard nog steeds klachten en heeft een collega van beklaagde een visite op de stal afgelegd. Nadat bij klinisch en rectaal onderzoek bleek dat er nu wat meer gas in de darmen aanwezig was, is opnieuw Buscopan Compositum en Finadyne toegepast en is daarnaast laxerende medicatie toegediend (paraffine). Op het moment dat de behandeling onvoldoende effect bleek te sorteren, heeft beklaagde op verzoek van de staleigenaar later die dag weer een visite afgelegd en het paard opnieuw onderzocht, waarbij hij onder meer vaststelde dat het paard onrustiger was geworden en meer gas in het colon had. Gelet op die bevindingen en op het feit dat de (lichte) klachten ondanks de eerder ingestelde medicamenteuze behandelingen al enige dagen aanhielden c.q. terugkeerden, heeft beklaagde naar het oordeel van het college begrijpelijk en adequaat gehandeld door op dat moment voor te stellen het paard naar een tweedelijnskliniek te verwijzen, alwaar nader onderzoek zou kunnen worden uitgevoerd en meer faciliteiten aanwezig waren. Indachtig de bevindingen bij de verschillende consulten, bestond er voor beklaagde naar het oordeel van het college geen directe aanleiding voor een eerdere verwijzing, waarbij komt dat voor het college geenszins is vast komen te staan dat de situatie een ander c.q. gunstiger verloop had gekend als het paard eerder was verwezen. Het voert naar het oordeel van het college dan ook te ver om beklaagde aan te rekenen dat de situatie verslechterde toen het paard eenmaal in de tweedelijnskliniek werd opgenomen, waar de aldaar initieel ingestelde (medicamenteuze) behandeling onvoldoende effect sorteerde en het paard op de tweede dag na opname is geopereerd en enige weken in opname moest blijven om te herstellen.

5.5. Het college stelt vast dat de klacht met name ziet op het in de visie van klager te late moment van verwijzing, hetgeen hiervoor reeds is besproken, en de wijze waarop door beklaagde is gecommuniceerd over de gezondheidstoestand van het paard. Het college wijst erop dat klachten over de wijze waarop een dierenarts met een diereigenaar communiceert naar vaste jurisprudentie buiten de reikwijdte van het tuchtrecht vallen, tenzij de wijze van communicatie van invloed is geweest op de zorg voor het dier. Dit is in de visie van het college in de onderhavige zaak niet aan de orde. Op 15 juni 2019, toen beklaagde aanleiding had om het paard door te verwijzen naar een tweedelijnskliniek, is er telefonisch contact geweest tussen beklaagde en de mede-eigenaar van het paard. Ter zitting is gebleken dat tussen partijen ook niet ter discussie staat dat beklaagde tijdens dit telefoongesprek heeft aangegeven dat hij het verstandig vond het paard door te verwijzen, omdat de klachten ondanks de ingestelde medicamenteuze behandelingen al enige dagen aanhielden c.q. terugkeerden.

5.6. Met betrekking tot het verwijt dat beklaagde eerst op 15 juni 2019 telefonisch contact heeft opgenomen met één van de eigenaren van het paard, heeft beklaagde toegelicht dat er vóór die tijd, te weten bij het korte klinische onderzoek op 12 (of – volgens klager 11) juni en bij de visite op 14 juni, geen sprake was van zodanig ernstige klachten dat hij, in afwijking van de gebruikelijke werk c.q. communicatiewijze op deze stal, inhoudende dat beklaagde zijn bevindingen communiceert richting de staleigenaar (als degene die zijn hulp inroept), daarnaast nog rechtstreeks contact had moeten opnemen met de eigenaren van het paard. Het college volgt beklaagde hierin. Aangenomen mocht worden dat de eigenaren door de staleigenaar, die beklaagde had benaderd om het paard te onderzoeken, werden geïnformeerd. Een dergelijke werkwijze is op een trainingsstal niet ongebruikelijk, zeker niet bij een basaal onderzoek, waaruit geen ernstige zaken naar voren komen, zoals hier het geval was bij de genoemde consulten vóór 15 juni 2019. Overigens is ter zitting gebleken dat tussen de eigenaren van het paard en de staleigenaar kennelijk geen duidelijke afspraken  waren gemaakt over de manier waarop (en door wie) de eigenaren van het paard geïnformeerd zouden worden bij het inroepen van diergeneeskundige hulp voor hun dier (inclusief de daaraan verbonden kosten), hetgeen naar het oordeel van het college niet voor rekening van beklaagde kan komen, die er in redelijkheid vanuit mocht gaan dat de staleigenaar, conform voor beklaagde gebruikelijk was, klager van een en ander op de hoogte zou stellen.  

5.7. Gelet op het voorgaande wordt de klacht ongegrond verklaard.

6. DE BESLISSING   

Het college:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s Gravenhage door mr. L.B.M. Klein Tank, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. M.J. Wisse, drs. J. A.M. Van Gils en drs. J. Hilvering, in tegenwoordigheid van mr. J.B.M. Keijzers, secretaris en uitgesproken op 2 oktober 2020.