Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TDIVTC:2020:33 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2018/53

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2020:33
Datum uitspraak: 15-07-2020
Datum publicatie: 31-07-2020
Zaaknummer(s): 2018/53
Onderwerp: Klachtambtenaarzaken
Beslissingen: Gegrond met boete
Inhoudsindicatie: Dierenarts wordt verweten met betrekking tot de inzet van antibiotica op vier melkveebedrijven (droogzetters en mastitis preparaten) in strijd te hebben gehandeld met de wettelijke voorschriften en de zorgvuldige beroepsuitoefening. Gegrond. Volgt onvoorwaardelijke boete van € 500 en € 1000 voorwaardelijk.

De klachtambtenaar, bedoeld in artikel 8.15 lid 2, onderdeel b, van de Wet dieren,  

hierna: de klachtambtenaar

tegen

X,                                

hierna: beklaagde

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. Er heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij is de gemachtigde van de klachtambtenaar verschenen, alsook beklaagde, tezamen met zijn advocaat. Ter zitting is de zaak aangehouden om beklaagde in de gelegenheid te stellen nog nadere (cijfermatige) gegevens in het geding te brengen. Er zijn van de zijde van beklaagde vervolgens nog de nodige stukken in het geding gebracht, waarop door de klachtambtenaar is gereageerd. Van de zijde van beklaagde zijn hierna nog andere stukken in het geding gebracht, betrekking hebbend op een bestuursrechtelijke procedure tegen beklaagde. Die stukken zijn naar de klachtambtenaar verzonden met de vraag of die ingezonden informatie aanleiding gaf voor een wijziging van het standpunt in de tuchtprocedure of ten aanzien van de in de tuchtprocedure gevorderde maatregel, waarop door de klachtambtenaar is gereageerd en ontkennend is geantwoord. Het college heeft vervolgens uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT    

Beklaagde wordt verweten, samengevat en zakelijk weergegeven, in de periode van 1 januari 2015 tot en met 15 februari 2016 met betrekking tot de inzet van antibiotica op vier melkveebedrijven in strijd te hebben gehandeld met de vigerende wet en regelgeving en de zorgvuldige beroepsuitoefening. De klachtambtenaar heeft verzocht, na eisverlaging in repliek,  beklaagde een onvoorwaardelijke boete van  € 1.000, op te leggen.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. De onderhavige zaak vindt zijn oorsprong in een door de NVWA uitgevoerd risicoverkennend onderzoek naar het afleveren van antibiotica aan melkveebedrijven aan de hand van gegevens uit het centrale registratiesysteem ‘Medirund’, dat het antibioticagebruik in de rundveehouderijsector bijhoudt. Hierbij is een aantal dierenartsen geselecteerd die verhoudingsgewijs veel c.q. meer antibiotica hadden geleverd aan bedrijven voor de behandeling van melkgevende runderen, onder wie beklaagde. Er heeft een onderzoek plaatsgevonden bij vier melkveebedrijven waar beklaagde de begeleidend dierenarts was, met een zogeheten ‘1 op 1 overeenkomst’. Er heeft een fysieke inspectie op de bedrijven plaatsgevonden, alsook heeft aan de hand van opgevraagde administratieve gegevens een beoordeling plaatsgevonden van de naleving van de (administratieve) verplichtingen voor de levering en toepassing van antibiotica, waarbij met name het gebruik van droogzetters en mastitispreparaten is onderzocht.

Ten aanzien van het eerste bedrijf

3.2. In het klaagschrift wordt vermeld dat aan de hand van bedrijfsgegevens en het gebruik van droogzetters en mastitispreparaten is vastgesteld dat gedurende de pleegperiode 167 koeien van twee jaar en ouder op jaarbasis 192 behandelingen tegen mastitis hebben ondergaan, waarbij Avuloxil (REG NL 9427) is toegepast, en dat 90 keer een behandeling met droogzetters was toegepast, waarbij de droogzetinjectoren Orbenin dry cow (REG NL 1381) en Orbenin extra dry cow (REG NL 6901) waren ingezet. De antibiotica werden door beklaagde geleverd.

3.3. In het bedrijfsgezondheidsplan 2015 staat onder andere vermeld dat het bedrijf gemiddeld 145 koeien en 110 stuks jongvee had, dat in 2014 30 runderen mastitis hadden en voor 2015 het streefgetal voor de reductie van de inzet van antibiotica tegen mastitis 25 te behandelen runderen betrof, en dat het gebruik van droogzetters en antibiotica is geëvalueerd en besproken. In het bedrijfsbehandelplan staat onder meer dat beklaagde iedere 3 maanden een verslag maakt met daarin een evaluatie van de diergezondheidssituatie en antibioticaverbruik op het bedrijf en dat de inzet van droogzetters alleen mogelijk is op basis van individuele celgetallen die maximaal 6 weken voor het droogzetten moeten zijn bepaald, waarbij de inzet van een eerste keuze antibioticum alleen mogelijk is bij vaarzen met een celgetal boven 150.000 cellen en koeien met een celgetal boven 50.000 cellen, of op basis van een alternatieve diagnostische methode die moet zijn beschreven.

3.4. In het klaagschrift staat vermeld dat er in 2015 14 runderen zijn behandeld met droogzetters terwijl deze een lager celgetal hadden dan de grenswaarden die in het bedrijfsbehandelplan stonden vermeld en dat er 28 runderen met mastitis zijn behandeld met meer dan drie doseringen van het middel Avuloxil. Inspecteurs van de NVWA hebben gesproken met de melkveehouder, die hen de Melk Productie Registratiegegevens (hierna: MPR) en logboekadministratie ter inzage heeft gegeven.

Ten aanzien van het tweede bedrijf

3.5. In het klaagschrift wordt vermeld dat aan de hand van bedrijfsgegevens en het gebruik van droogzetters en mastitispreparaten gedurende de pleegperiode is vastgesteld dat 138 koeien van twee jaar en ouder op jaarbasis 104 mastitisbehandelingen hadden ondergaan, waarbij Albiotic Formula (REG NL 9210) is toegepast, en dat 75 behandelingen met droogzetters zijn toegepast, waarbij de droogzetinjectoren Orbenin dry cow en Orbenin extra dry cow werden gebruikt. De middelen werden op de veehouderij door beklaagde geleverd.

3.6. In het bedrijfsgezondheidsplan 2015 staat onder meer dat het bedrijf in de periode van 1 januari 2014 tot 1 januari 2015 gemiddeld 125 koeien en 10 stuks jongvee had, dat in 2014 15 runderen mastitis hadden en dat voor 2015 het streefgetal ter reductie van het antibioticumgebruik tegen mastitis op 0 te behandelen runderen is gesteld.  In het bedrijfsbehandelplan 2015 staat onder andere benoemd het iedere 3 maanden te maken verslag van het bedrijfsbezoek en zijn de criteria voor de inzet van droogzetters beschreven.

3.7. In het klaagschrift wordt vermeld dat er in 2015 27 runderen zijn behandeld met droogzetters terwijl deze een lager celgetal hadden dan de grenswaarden die in het bedrijfsbehandelplan staan vermeld en dat er 19 runderen met mastitis vaker dan drie keer zijn behandeld met Albiotic Formula. Inspecteurs van de NVWA hebben gesproken met de melkveehouder, die hen de MPR en zijn logboekadministratie ter inzage heeft gegeven.

Ten aanzien van het derde bedrijf

3.8. In het klaagschrift staat vermeld dat deze veehouderij het melkvee houdt op twee afzonderlijke bedrijven; hierna te noemen bedrijf 3 en 4. Voor wat betreft bedrijf 3 is beschreven dat aan de hand van bedrijfsgegevens en het gebruik van droogzetters en mastitispreparaten gedurende de pleegperiode is vastgesteld dat 143 koeien van twee jaar en ouder werden gehouden en dat op basis van het aantal mastitisinjectoren dat was afgeleverd conform de registratiebeschikking op jaarbasis 174 koeien konden worden behandeld, en dat daarnaast aan droogzetters een hoeveelheid voor de behandeling van 30 koeien was afgeleverd. Voor de behandeling van mastitis is gebruik gemaakt van Albiotic Formula en Curaclox Mastitis Injector (REG NL 8843). Voor het droogzetten van koeien is gebruik gemaakt van de droogzetinjectoren Orbenin dry cow  en Orbenin extra dry cow. De middelen werden door beklaagde geleverd.

3.9. In het bedrijfsgezondheidsplan 2015 staat vermeld dat het bedrijf in de periode van 1 januari 2014 tot 1 januari 2015 gemiddeld 140 koeien had en 110 stuks jongvee. Voorts volgt uit het bedrijfsgezondheidsplan 2015 dat in 2014 35 runderen mastitis hadden en dat voor 2015 het streefgetal inzake de reductie van het antibioticumgebruik in verband met mastitis op 0 te behandelen dieren is gesteld. In het bedrijfsbehandelplan 2015 staat onder andere dat beklaagde iedere 3 maanden een verslag zou maken met daarin een evaluatie van de diergezondheidssituatie op het bedrijf en het antibioticaverbruik, dat de inzet van droogzetters alleen mogelijk is op basis van individuele celgetallen die maximaal 6 weken voor het droogzetten moeten zijn bepaald, waarbij de inzet van een eerste keuze antibioticum alleen mogelijk is bij vaarzen met een celgetal boven 150.000 cellen en koeien met een celgetal boven 50.000 cellen, of op basis van een alternatieve diagnostische methode die moet zijn beschreven, en dat droogzetten met een tweede keuze antibioticum alleen mogelijk is op basis van individuele celgetalbepaling en individueel bacteriologisch onderzoek of in geval van enkele nader genoemde bedrijfsspecifieke problemen.

3.10. In het klaagschrift staat vermeld dat 24 runderen vaker dan drie keer werden behandeld met  Avuloxil, Curaclox of Albiotic Formula. Verder staat in het klaagschrift dat op het bedrijf te grote hoeveelheden Albiotic Formula zijn  afgeleverd en meer antibiotica op het bedrijf aanwezig waren dan geoorloofd, naast dat Avuloxil niet op dit bedrijf is geleverd, maar wel is ingezet voor de behandeling van runderen. Inspecteurs van de NVWA hebben gesproken met de melkveehouder, die hen zijn logboekadministratie ter inzage heeft gegeven.

Ten aanzien van het vierde bedrijf

3.11. In het klaagschrift wordt vermeld dat aan de hand van de bedrijfsgegevens en het gebruik van mastitis preparaten en droogzetters gedurende 2015 176 koeien van twee jaar en ouder op het bedrijf werden gehouden die op jaarbasis 116 behandelingen tegen mastitis ondergingen en dat aan droogzetters een hoeveelheid voor de behandeling van 90 koeien was afgeleverd. Voor de behandeling van mastitis is gebruik gemaakt van Albiotic Formula en Avuloxil. Voor het droogzetten van koeien is gebruik gemaakt van de droogzetinjectoren Orbenin dry cow. Beklaagde heeft de middelen aan de betreffende veehouderij geleverd.

3.12. In het bedrijfsgezondheidsplan 2015 staat vermeld dat het bedrijf van 1 januari 2014 tot 1 januari 2015 gemiddeld 177 koeien had en 100 stuks jongvee. In 2014 hadden 30 runderen mastitis. Voor 2015 was het streefgetal in het kader van het antibioticumgebruik tegen mastitis gesteld op 0 te behandelen runderen. In het bedrijfsbehandelplan 2015 staat onder andere vermeld dat beklaagde iedere 3 maanden een verslag zou maken met daarin een evaluatie van de diergezondheidssituatie en het antibioticaverbruik op het bedrijf en zijn de criteria beschreven met betrekking tot het droogzetten van runderen.

3.13. In het klaagschrift staat verder dat, hoewel blijkens de gegevens van Medirund voor de behandeling van mastitis in 2015 op het bedrijf Albiotic Formula en Avuloxil zijn afgeleverd, het logboek van het bedrijf uitwijst dat in 2015 de runderen zijn behandeld met Albiotic Formula en Curaclox, en dat het geleverde middel Avuloxil niet is gebruikt. De klachtambtenaar heeft gesteld dat het bedrijfsadministratie aantoont dat 13 runderen meer dan drie maal met Curaclox of Albiotic Formula zijn behandeld. Inspecteurs van de NVWA hebben gesproken met de melkveehouder, die hen zijn logboekadministratie ter inzage heeft gegeven. In het klaagschrift staat verder vermeld dat de veehouder de MPR niet kon overleggen omdat hij voor beide UBN-nummers c.q. bedrijven (Het derde bedrijf) niet deelnam aan de melkcontrole.

Verhoor beklaagde

3.14. Naast dat de veehouders zijn verhoord, is op 8 juli 2016 beklaagde zelf door de NVWA verhoord. Beklaagde heeft onder meer verklaard dat hij op het eerste bedrijf maandelijks kwam en op de hoogte is van het feit dat Avuloxil volgens de registratiebeschikking in beginsel drie keer toegepast diende te worden. Volgens beklaagde was dit echter onvoldoende en dat het in het geval van streptokokken soms nodig is om langer te behandelen. Beklaagde heeft met betrekking tot het tweede bedrijf verklaard dat dit bedrijf problemen had met de bedrijfsvoering, een besmetting met Staphylococcus aureus en een chronisch hoog celgetal, en dat ondanks een recente stalverbouwing de mastitisproblemen niet waren verholpen. Ten aanzien van het derde en vierde bedrijf heeft beklaagde onder meer aangegeven mastitispreparaten te hebben geleverd zonder een uitslag van een bacteriologisch onderzoek en dat ook op deze bedrijven langer is doorbehandeld dan voorgeschreven was in de registratiebeschikking. Het  doorbehandelen is door beklaagde aangeduid als een “off label use” behandeling.

4. HET VERWEER   

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

Vooraf procedureel

5.1. Voor zover in verweer is gesteld dat aan een van de veehouders (van bedrijf 3 en 4) voorafgaande aan zijn verhoor door de NVWA niet de cautie is verleend, heeft de klachtambtenaar gesteld dat diens verhoor (deels) plaatsvond als getuige, namelijk waar het betrof het praktiseren van beklaagde. Dit valt voor het college niet uit te sluiten, naast overigens dat van de zijde van beklaagde niet is weerlegd dat deze veehouder op de twee bedrijven geen individuele meetgetallen vastlegde in het kader van het selectief droogzetten van runderen, althans in de hier in het geding zijnde periode.

Ten aanzien van de bevoegdheid van de klachtambtenaar

5.2. Beklaagde heeft gewezen op artikel 1 van het Besluit Aanwijzing Ambtenaar Wet dieren (gepubliceerd op 4 juli 2014, STCRT, 2014, 19260) waarin staat vermeld dat als ambtenaar in de zin van onder meer artikel 8:15 lid 2 van de Wet dieren is aangewezen de Chief Veterinary Officer (hierna: de CVO) van het ministerie van Economische zaken. Echter is de functie van de CVO inmiddels ondergebracht bij het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: LNV). Gelet hierop heeft beklaagde zich op het standpunt gesteld dat de CVO niet bevoegd was tot het entameren van de onderhavige tuchtprocedure.

5.3. De klachtambtenaar (c.q. CVO) heeft in reactie op dit verweer uiteen gezet dat zij vanaf het aantreden van de huidige regering, op 26 oktober 2017, niet langer meer is aangesteld bij het ministerie van Economische zaken, maar bij het ministerie van LNV. Verwezen is naar het ‘Besluit Instelling Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit’, artikel 1 tot en met 3, waaruit volgt dat de minister van LNV is belast met het behartigen van aangelegenheden op het gebied van onder meer de landbouw, de natuur, de visserij en de voedselkwaliteit, voor zover deze taken vóór 26 oktober 2017 aan de minister van Economische zaken waren opgedragen en dat de taken van de minister van LNV en van de minister van Economische zaken en Klimaat dienovereenkomstig worden gewijzigd.

5.4. Het college volstaat met de constatering dat er na opsplitsing van het voormalige ministerie van Economische Zaken geen specifieke redactionele aanpassing van het betreffende artikel 1 van het Besluit Aanwijzing Ambtenaar Wet dieren heeft plaatsgevonden. Mede gelet op hetgeen onder rov. 5.3, tweede zin, is vermeld, ziet het college onvoldoende grond om te oordelen dat de klachtambtenaar onbevoegd was tot indiening van de klacht. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat er in redelijkheid geen twijfel over bestaat dat alleen de CVO, ook nadat haar functie werd ondergebracht bij het ministerie van LNV, feitelijk belast is (gebleven) met de taken als bedoeld in artikel 8:15, tweede lid van de Wet dieren, waar het onderhavige klaagschrift ook is ondertekend door de CVO, onder vermelding van ‘de klachtambtenaar, bedoeld in artikel 8:15, tweede lid, onderdeel b, van de Wet dieren’.

Ten aanzien van de verjaring van feiten + de redelijke termijn 

5.5. Het college pleegt met betrekking tot de verjaring van feiten als beginsel aan te houden dat gedragingen die zich langer dan 3 jaar voor de indiening van de klacht hebben voorgedaan, buiten de beoordeling worden gelaten. De klachtambtenaar heeft dienaangaande in de loop van de procedure naar voren gebracht dat de in het klaagschrift benoemde feiten die zich in de periode vóór 11 mei 2015 hebben afgespeeld, buiten beschouwing kunnen blijven. Mede om die reden is door de klachtambtenaar besloten tot intrekking van het klachtonderdeel dat inhield dat er op een van de bedrijven veel meer aan antibiotica geleverd en aanwezig was dan de maximale hoeveelheid van 1 5 % waarmee de op het bedrijf aanwezige en voor een aandoening of ziekte vatbare dieren eenmalig kunnen worden behandeld (vgl. bijlage 9, onderdeel 6, vijfde lid, onderdeel b van de Regeling diergeneesmiddelen).

5.6. Hiernaast geldt ingevolge de jurisprudentie (VB17/01 d.d. 2 november 2017) dat de periode tussen het moment waarop een dierenarts gegronde reden had om aan te nemen dat een tuchtprocedure zou volgen in welk verband doorgaans aansluiting wordt gezocht bij het moment waarop de betreffende dierenarts door de NVWA is gehoord en de cautie is verleend en het moment van indiening van de klacht, maximaal twee jaar mag bedragen, aan welk vereiste in deze tuchtzaak (nog juist) is voldaan.

Ten aanzien van de samenloop met het bestuursrecht

5.7. Van de zijde van beklaagde is gewezen op het feit dat met betrekking tot hetzelfde feitencomplex en rapporten afkomstig van dezelfde instantie, de NVWA, ook een bestuursrechtelijk traject tegen beklaagde is ingezet. Gebleken is dat aan beklaagde in eerste instantie een bestuurlijke boete van € 5.000 werd opgelegd, waartegen bezwaar is aangetekend. Tegen het uitblijven van de beslissing op bezwaar is door beklaagde beroep ingesteld en door de rechtbank is aan het bestuursorgaan een last onder dwangsom opgelegd, die nadien ook tot het bepaalde maximumbedrag verschuldigd is gebleken. Het bestuursorgaan (de RVO) heeft vervolgens alsnog op het bezwaar beslist, waarbij aan beklaagde een waarschuwing is opgelegd. Per saldo heeft beklaagde in de onderhavige tuchtprocedure gesteld dat er op basis van dezelfde feiten en op basis van rapporten van dezelfde instantie, de NVWA, op twee verschillende rechtsgebieden procedures tegen hem zijn ingezet, die beiden als sanctionerend worden ervaren, hetgeen door beklaagde buitenproportioneel wordt geacht.

5.8. Het college signaleert vaker dat op basis van hetzelfde onderliggende feitencomplex en rapporten van dezelfde instantie, te weten de NVWA, op meerdere rechtsterreinen –het bestuursrecht of het strafrecht, naast het tuchtrecht procedures tegen een dierenarts worden geëntameerd. Aangenomen wordt dat het ‘interventiebeleid’ van de NVWA  in deze leidend zal zijn en de basis biedt. Of tussen de verschillende instanties die de procedures initiëren onderling afstemming en een afweging plaatsvindt, is niet bekend en het college treedt daar ook niet in. Het college stelt wel vast dat de klachtambtenaar in repliek heeft aangegeven eerst ná het indienen van de tuchtklacht informatie te hebben verkregen over de aan beklaagde opgelegde bestuursrechtelijke maatregel, waarna de eis in deze tuchtprocedure is verlaagd naar een geldboete van € 1.000. Overigens is uit de van de zijde van beklaagde ingebrachte stukken gebleken dat het feit dat in de bestuursrechtelijke procedure aan beklaagde uiteindelijk een waarschuwing is opgelegd, mede te maken heeft gehad met het geruime tijd uitblijven van de beslissing op bezwaar, waar het in die bestuursrechtelijke procedure met name ging om overtredingen van administratieve aard.

5.9. Het college ziet  verder onvoldoende aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt in de tuchtrechtelijke jurisprudentie tot dusverre, inhoudende dat bij eenzelfde onderliggend feitencomplex en een eventuele samenloop met andere rechtsgebieden (het strafrecht of het bestuursrecht), geen strijdigheid met het ‘ne bis in idem’ beginsel wordt aangenomen. Achterliggende gedachte is dat de rechtsgebieden verschillende doelen dienen en dat een tuchtprocedure, anders dan een straf of bestuursrechtelijke procedure, niet als punitatief van aard en niet als een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 van het EVRM wordt gezien. Het tuchtrecht heeft betrekking op het individuele handelen van veterinair zorgverleners en dient een afzonderlijk en specifiek doel, te weten het bewaken, borgen en bevorderen van de goede en zorgvuldige beroepsuitoefening en het weren en beteugelen van misslagen daarin. Op grond hiervan kan de tuchtklacht in behandeling worden genomen, met de aantekening dat het college rekening kan houden met de uitkomst van een andere tegen beklaagde geëntameerde procedure die op hetzelfde feitencomplex betrekking ziet, in dit geval dus de bestuursrechtelijke procedure. Beklaagde heeft overigens nog gesteld dat in het bestuursrechtelijke traject tegen de opgelegde waarschuwing beroep is ingesteld, echter is dit niet met verifieerbare stukken onderbouwd, zodat het college van de uitkomst op de beslissing op bezwaar uitgaat .

5.10. Gaandeweg de procedure is het college duidelijk geworden dat er door de NVWA een afzonderlijk ‘Rapport van Bevindingen’ is opgemaakt, dat als basis heeft gediend voor de bestuursrechtelijke procedure en dat daarnaast door de NVWA een ‘berechtingsrapport’ met het nummer 96302 is opgemaakt voor de klachtambtenaar, die op grond van dat laatste rapport de onderhavige tuchtprocedure heeft geëntameerd. Voor zover door beklaagde is betoogd dat de klachtambtenaar in de tuchtprocedure informatie en passages uit het ‘Rapport van bevindingen’, die in zijn voordeel zouden pleiten, heeft weggelaten, heeft de klachtambtenaar gesteld dat zij geen beschikking heeft gehad over het ‘Rapport van bevindingen’, dat ook niet ten grondslag is gelegd aan de tuchtklacht, die uitsluitend is gebaseerd op het ‘berechtingsrapport’, zoals dat van de NVWA werd verkregen.

5.11. Naar het oordeel van het college kan niet bewezen worden geacht dat de klachtambtenaar in de onderhavige tuchtprocedure doelbewust informatie aan het college heeft willen onthouden. Iets anders is dat de klachtambtenaar er voor heeft gekozen zich in de tuchtprocedure per saldo te focussen op de vraag of het praktiseren van beklaagde op de bedrijven in kwestie (in kwalitatief opzicht) binnen de wettelijke kaders en zorgvuldige beroepsuitoefening is geweest en niet op de kwantiteit van de ingezette antibiotica in de zin van bijvoorbeeld Dier Dag Doseringen. Verder heeft de klachtambtenaar zich gericht op de in de onderzochte ‘pleegperiode’ vigerende regelgeving, met als –niet onjuiste- redenering dat de NVWA destijds op nog onbekende wijzigingen niet kon en hoefde vooruit te lopen en later doorgevoerde wijzigingen niet achteraf als rechtvaardiginggrond kunnen dienen voor het handelen in de pleegperiode. Het college volstaat in deze met de constatering dat de klachtambtenaar is deze autonoom opereert en eigen beleidskeuzes maakt. Het college treedt daar niet in. Overigens heeft beklaagde de door hem bedoelde ontbrekende informatie en passages in de onderhavige tuchtprocedure alsnog onder de aandacht van het college gebracht, naast dat het college, voor de beeldvorming,  ook zelf nog informatie bij beklaagde heeft opgevraagd (bedrijfsgezondheids en bedrijfsbehandelplannen van 2016 en 2017). In dat verband wordt duidelijkheidshalve overwogen dat de ingebrachte stukken die niet specifiek op de ‘pleegperiode’ zien, niet beslissend zijn voor de vraag of de klacht gegrond of ongegrond is. Wél kan bij een gegrond verklaring van de klacht door het college rekening worden gehouden met alle specifieke omstandigheden van het geval, daaronder de door beklaagde aangedragen extra informatie en eventuele ontwikkelingen ná de ‘pleegperiode’.

Ten aanzien van de te beoordelen periode    

5.12. Deze periode is door de klachtambtenaar in de loop van de tuchtprocedure bekort en bestrijkt circa 9 maanden, van 11 mei 2015 tot en met 15 februari 2016. Met betrekking tot deze afgebakende en beperkte periode dient te worden beoordeeld of aan de (toen) geldende voorschriften is voldaan en overeenkomstig de zorgvuldige beroepsuitoefening is gehandeld aangaande de geleverde en toegepaste antibiotica op de vier veehouderijen. Voor zover door beklaagde is gesteld dat ten aanzien van de bedrijven of de meeste bedrijven, afgezet tegen de regelgeving vanaf 2017, op basis van structureel laag antibioticagebruik zekere vrijstellingen zouden hebben gegolden (als t.a.v. de bezoekfrequentie, evaluatie diergeneesmiddelengebruik, jaarlijkse aanscherping reductiedoelstellingen), speelde zulks in de litigieuze periode nog niet en waar kritiek is geuit op het feit dat is gehandhaafd terwijl de wetgeving –op onderdelen nog zou worden geëvalueerd, laat zulks de bevoegdheid van de klachtambtenaar om een tuchtprocedure te entameren en de eigen beleidskeuzes onverlet. Terzijde wordt er overigens vanuit gegaan dat beklaagde via publicaties en voorlichting van overheidswege of via de beroepsorganisatie(s) op de hoogte kon zijn van de sedert 1 maart 2014 geldende UDD maatregel en voorwaarden voor het toepassen van antibiotica door houders van dieren (Staatscourant, nr. 23390, 22 augustus 2013), los van het feit dat nadien is aangekondigd dat er op onderdelen nog een evaluatie zou plaatsvinden.

Met betrekking tot het toetsingskader

5.13. In het licht van de resistentieproblematiek en het tegengaan van onnodig, overmatig en onverantwoord antibioticagebruik, is het kanalisatieregime voor antibiotica per 1 maart 2014 aangescherpt en hebben deze diergeneesmiddelen de UDD status gekregen (vgl. artikel 2.17 Regeling diergeneesmiddelen). Hoofdregel is dat antibiotica slechts bij dieren mogen worden toegepast door de dierenarts zelf en dat dierhouders geen antibiotica op hun bedrijf voorradig mogen hebben.

5.14. Op deze hoofdregel zijn door de wetgever onder strikte voorwaarden uitzonderingen toegestaan. In afwijking van artikel 2.17 Regeling diergeneesmiddelen mogen op grond van artikel 2.18, tweede lid, onder b, van de regeling, juncto bijlage 1 onderdeel 5, sub k van de Regeling diergeneesmiddelen antibiotica onder verantwoordelijkheid van de dierenarts door de veehouder zelf worden toegepast en mag daartoe een beperkte voorraad antibiotica op het bedrijf aanwezig zijn, mits wordt voldaan aan de voorwaarden in bijlage 9 van de Regeling diergeneesmiddelen. De wetgever heeft in dat verband vrij gedetailleerd en bindend vastgelegd waar dierenartsen tezamen met veehouders aan moeten voldoen. Zo dient onder meer sprake te zijn van een ‘1 op 1’ relatie tussen de dierenarts en veehouder, gebaseerd op een schriftelijke overeenkomst, waarbij de veehouder zich verplicht om alle diergeneeskundige zorg (per diersoort) bij deze dierenarts af te nemen. Ook is de dierenarts gehouden de veehouderij regelmatig te bezoeken, waarbij de minimumfrequentie voor melkvee was bepaald op 1 keer per kwartaal, waarvan een visiteverslag dient te worden gemaakt en waarbij de gezondheidsstatus van de dieren wordt beoordeeld en het antibioticumgebruik sinds het vorige bezoek wordt geëvalueerd. De dierenarts dient verder tezamen met de veehouder een jaarlijks te evalueren bedrijfsgezondheidsplan op te stellen, specifiek gericht op het bedrijf in kwestie, met daarin een analyse van de gezondheidssituatie van de dieren op het bedrijf, een evaluatie van het diergeneesmiddelen en het antibioticagebruik in het voorgaande jaar, en de voorgenomen maatregelen om de diergezondheidssituatie op het bedrijf te verbeteren en, gekoppeld aan een termijn, tot een reductiedoelstelling van het antibioticagebruik te komen. Ook dient een bedrijfsbehandelplan te worden opgesteld, waarin onder meer wordt vermeld ten aanzien van welke aandoeningen en indicaties die er op het bedrijf voorkomen er welke diergeneesmiddelen c.q. antibiotica worden ingezet. Het college verwijst voor wat betreft het bedrijfsgezondheidsplan en bedrijfsbehandelplan naar de artikelen 1.28, eerste lid van het Besluit houders van dieren, artikel 5.9, eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen en de artikelen 5.13, 5.14, 5.17 en 5.19, en bijlage 9, onderdeel 6, van de Regeling diergeneeskundigen.

5.15. De klachtambtenaar heeft verder verwezen naar richtlijnen van de KNMvD, zoals het ‘Formularium melkvee’ uit juli 2012, dat in de hier in het geding zijnde periode gold, de ‘Richtlijn toepassen van antimicrobiële middelen’, van 24 maart 2015 en de ‘Richtlijn Antimicrobiële middelen bij het droogzetten van melkkoeien’, gepubliceerd op 4 november 2013.

5.16. Meer algemeen wordt overwogen dat in eerdere jurisprudentie meermaals is uitgedragen dat van de dierenarts wordt verwacht alleen dan tot de inzet van antibiotica te besluiten als daartoe een onderbouwde veterinaire noodzaak bestaat, gebaseerd op voorafgaande diagnostiek en blijkend uit een adequate en controleerbare verslaglegging. Vaste jurisprudentie is voorts dat het voorschrijven van diergeneesmiddelen dient te geschieden in het kader van een verantwoorde diergeneeskundige behandeling, die in beginsel onderzoek, diagnose, nazorg en verslaglegging omvat.

Ten aanzien van de voorschriften uit bijlage 9 van de Regeling diergeneesmiddelen

5.17. Indachtig de in aanmerking te nemen ‘pleegperiode’, zijn de bedrijfsgezondheidsplannen en bedrijfsbehandelplannen zoals die in het eerste kwartaal 2015, in februari en maart,  door beklaagde en de veehouders in kwestie zijn opgesteld voor de beoordeling van de onderhavige klacht leidend, als zijnde het vastgelegde veterinaire en beoogde (diergeneesmiddelen)beleid op de bedrijven voor de duur van een jaar, aldus van toepassing op de hier in het geding zijnde periode, lopend van 11 mei 2015 tot en met 15 februari 2016.

5.18. Vastgesteld is dat voor 3 van de 4 bedrijven in die bedrijfsgezondheidsplannen van 2015 qua bedrijfsstreefwaarden ‘0’ is ingevuld, zoals ten aanzien van het terugdringen van het aantal koeien met mastitis. Dit betrof, gelet op de mastitisproblemen die op de bedrijven speelden, geen reële streefwaarde, met dien verstande dat het college aannemelijk acht dat dit, zoals beklaagde heeft gesteld, een foutieve weergave betrof, die te maken heeft gehad met een mankement in het geautomatiseerde administratiesysteem. Een en ander laat onverlet dat er ook in die situatie door beklaagde voor had kunnen worden gekozen de beoogde streefwaarden op andere wijze te documenteren, bijvoorbeeld handgeschreven in het bedrijfsgezondheidsplan, zodat de doelstellingen en streefwaarden duidelijk waren geweest.

5.19. Voorts is geconstateerd dat in bedrijfsgezondheidsplannen geen (toereikend) overzicht is  opgenomen van maatregelen ter verbetering van de gezondheidssituatie op het bedrijf, waaronder in ieder geval maatregelen gericht op reductie van antibioticagebruik, met, naast een daaraan gekoppelde doelstelling, een uitvoeringstermijn. De in het geding zijnde bedrijfsgezondheidsplannen zijn naar het oordeel van het college te summier en met betrekking tot drie van de vier bedrijven staat daarin bij actiepunten ‘geen’ vermeld, waar dit wel in de rede had gelegen en de mastitisproblematiek (prominenter) had kunnen worden belicht. Juist een bedrijfsgezondheidsplan is bedoeld (en bij uitstek geschikt) om specifieke op het bedrijf spelende aandoeningen en factoren die bepalend zijn voor de infectiedruk te beschrijven, waarmee de noodzaak van de inzet van antibiotica in combinatie met de beoogde maatregelen om dit gebruik terug te dringen inzichtelijk wordt gemaakt en schriftelijk wordt verantwoord. In de hier in het geding zijnde periode werd niet althans in onvoldoende mate voldaan aan voorwaarden van onderdeel 6, eerste lid, onderdeel a van bijlage 9 van de Regeling diergeneesmiddelen.

5.20. Verder is geconstateerd dat beklaagde weliswaar voldeed aan de verplicht gestelde bezoekfrequentie van eens per kwartaal, en kwam hij op het eerste bedrijf  (Vogelzang) maandelijks, echter is ten aanzien van de hier in het geding zijnde bedrijven niet gebleken dat er van die verplichte periodieke bedrijfsbezoeken visiteverslagen zijn gemaakt, met daarin een beschrijving van de algehele gezondheidssituatie van de dieren op het bedrijf sinds het vorige bedrijfsbezoek en de evaluatie van het antibioticagebruik op het bedrijf, een en ander conform onderdeel 5, tweede lid, onderdeel b van bijlage 9 van de Regeling diergeneesmiddelen, zoals die verplichting ook door beklaagde zelf in de bedrijfsbehandelplannen was opgenomen. De stelling dat de diergezondheid en het antibioticumgebruik maandelijks werden besproken en bij de veehouder, beklaagde en hun medewerkers bekend waren, is niet verifieerbaar en laat onverlet de gehoudenheid van beklaagde om een en ander te documenteren. Waar door beklaagde nog is gesteld dat werd voldaan aan een format omtrent periodieke bedrijfsbezoeken vanuit de ‘zuivel’ staat zulks los van de hier bedoelde voorschriften.

5.21. Voor zover beklaagde heeft gesteld dat er aanvullend op het bedrijfsbehandelplan visiteverslagen zijn gemaakt met daarin aanbevelingen met betrekking tot de diergezondheid (bijv. over dat er mogelijk het BVD virus speelde, wat de reactie op antibiotica en de weerstand van de koeien kon beïnvloeden)  en die indirect betrekking hebben gehad op reductie van het antibioticumgebruik, geldt dat er in enkele visitebrieven weliswaar aan de mastitisproblematiek wordt gerefereerd en staan daarin soms bijvoorbeeld adviezen tot bacteriologisch onderzoek ( die kennelijk niet zijn uitgevoerd). Echter zijn die brieven naar het oordeel van het college inhoudelijk te summier en niet representatief ter onderbouwing van een uitgedachte structurele strategie ter verbetering van de uiergezondheid. Daarmee wordt gedoeld op ondersteunende managementmaatregelen (als bijvoorbeeld klimaat-, hygiënemaatregelen, natte melkmeting etc.), waarvan hier niet voldoende is gebleken. Andere visiteverslagen refereren aan andere problemen (bijv. klauwproblemen) ofwel vallen buiten de hier in het geding zijnde periode.

5.22. In eerdere jurisprudentie van dit college is meermaals overwogen dat de noodzaak om antibiotica in te zetten transparant en schriftelijk dient te worden verantwoord, ook als de inzet op aanvaardbare gronden geschiedt, hetgeen ook in het eigen belang van de dierenarts is, wetende dat van overheidswege toezicht en controle op de naleving van de toepasselijke voorschriften wordt gehouden. De uitzondering die de wetgever na de invoering van de UDD kanalisatiestatus voor antibiotica heeft gemaakt om veehouders nog toe te staan op beperkte schaal zelf antibiotica aan hun dieren toe te dienen en op voorraad te hebben is aan strikte voorwaarden gebonden, zoals vervat in bijlage 9 van de Regeling diergeneesmiddelen. De regie over de veterinaire zorg en het antibioticagebruik op veehouderijen ligt bij de ‘1 op 1’ dierenarts, aan wie het is transparant inzichtelijk te maken dat veehouders selectief, restrictief en verantwoord antibiotica toepassen op de schaal die hen nog is toegestaan, in welk kader aan de voorwaarden in de meergenoemde bijlage 9 behoort te zijn voldaan. Met betrekking tot de hier in het geding zijnde periode en bedrijven is zulks ten aanzien  van een deel van die voorwaarden niet het geval geweest. Dit betrof weliswaar met name overtredingen van administratieve aard, maar neemt niet weg dat het niet voldoen aan alle voorwaarden uit de bijlage per saldo als consequentie heeft dat alsdan veehouders geen antibiotica op voorraad mogen hebben en de toepassing ervan niet aan hen mag worden overgelaten.

Ten aanzien van het gebruik van droogzetters

5.23. De klachtambtenaar heeft beklaagde het verwijt gemaakt dat bij het gebruik van droogzetinjectoren door veehouders niet steeds werd gehandeld conform afspraken in het bedrijfsbehandelplan en conform de afkapwaardes uit de ‘Richtlijn Antimicrobiële middelen bij het droogzetten van koeien’ van de KNMvD van 4 november 2013, te weten bij vaarzen: koecelgetal > 150.000 cellen/ml en bij oudere kalfskoeien: > 50.000 cellen/ml. In die richtlijn wordt als uitgangspunt beschreven dat gebruik van droogzetters selectief dient te gebeuren na diagnostisch onderzoek op koeniveau, waarbij de uierinfectie middels diagnostiek wordt bevestigd, normaliter gebaseerd op een koecelgetal dat maximaal zes weken voor het moment van droogzetten wordt bepaald.

5.24. Als onbestreden gesteld gaat het college er vanuit dat er op twee bedrijven (het 1e en 2e bedrijf) ook runderen (respectievelijk 14 en 27) door de veehouders met droogzetters werden behandeld, terwijl het celgetal lager was dan de met beklaagde afgestemde en in de bedrijfsbehandelplannen vastgelegde grenswaarden. Ook bleek op een bedrijf dat bij diverse dieren (22) de bepaling van het individueel celgetal niet, zoals in het bedrijfsbehandelplan stond vermeld, maximaal zes weken voor het droogzetten was uitgevoerd.

5.25. Voor zover beklaagde heeft gesteld dat hij van de afwijkende handelwijze van de veehouders niet heeft geweten, staat daartegenover dat de rol van de ‘1 op 1’ begeleidend dierenarts op een veehouderij niet ophoudt bij het enkel schriftelijk vastleggen van afspraken. In dat verband mag tijdens bedrijfsvisites en evaluaties het bespreken of controleren van de naleving van afspraken uit het bedrijfsbehandelplan worden verwacht. Anderzijds is voorstelbaar dat in de dagelijkse praktijk binnen een ‘1 op 1’ relatie op basis van wederzijds vertrouwen wordt gewerkt en geen continue en minutieuze administratieve controle plaatsvindt. Hier komt bij dat uit de stukken volgt dat twee veehouders zijn beboet en de derde veehouder een waarschuwing heeft gekregen, hetgeen ook hun eigen verantwoordelijkheid bevestigd met betrekking tot de wijze waarop antibiotica op hun bedrijven werden toegepast. Niettemin houdt het college het ervoor, vanwege het ontbreken van verslagen van de verplichte periodieke bedrijfsbezoeken met daarin een evaluatie van het gebruik van droogzetters en antibioticapreparaten, dat er door beklaagde onvoldoende (bijv. steekproefsgewijs) controle inzake de naleving van bedrijfsbehandelplannen heeft plaatsgevonden, in aanmerking genomen het door de NVWA geconstateerde substantiële aantal keren dat veehouders daar klaarblijkelijk van afweken.

5.26. Met betrekking tot de bedrijven 3 en 4  maakte de veehouder gebruik van een diagnostische meetmethode met het apparaat ‘Mas D Tec’ ter bepaling van welke runderen met een droogzetter zouden worden behandeld. Dit systeem was op deze bedrijven in de hier in het geding zijnde periode kennelijk nog betrekkelijk nieuw en onbekend, getuige de opmerking in het bedrijfsgezondheidsplan 2015 onder ‘aandachtspunten’: ‘’celgetal bepaling droogzetten door middel van Mas D Tec & Bedrijf met nieuwe eigenaar bedrijfswaardes nog onbekend /afwachten’.  Het college gaat er op basis van de stukken vanuit dat de veehouder in  de in het geding zijnde periode geen meetwaardes vastlegde. Onduidelijk is gebleven op basis van welke diagnostische gegevens in deze periode dan werd bepaald welke koeien er met droogzetters dienden te worden behandeld. Het college gaat er aldus vanuit dat er op deze bedrijven door beklaagde in deze periode geen reële droogzetstrategie kon worden bepaald en geëvalueerd.  Voor zover door beklaagde is gewezen op het feit dat in een bijlage van het Bedrijfsgezondheidsplan 2015 staat vermeld  ‘// aanpak celgetal ….evt natte meting ….. Monsters klinische mastitis nemen voor gevoeligheid’, duidt dit nog niet op een gestructureerd plan van aanpak inzake het selectief en curatief gebruik van droogzetters. Overigens is niet kunnen blijken dat aan adviezen tot het uitvoeren van bacteriologisch onderzoek gevolg is gegeven. Voor zover in een van de visitebrieven d.d. 1 oktober 2015 wordt vermeld dat het droogzetten via de genoemde meetmethode naar wens verloopt, is voor het college ongewis op welke wijze de selectie van met droogzetters te behandelen koeien geschiedde en werd geëvalueerd, hetgeen voor rekening van beklaagde komt, vanwege het ontbreken van administratie hierover.

5.27. Voor zover in een aantal visitebrieven (zoals in de visitebrief d.d. 25 september 2015, het 2e bedrijf of in de visitebrief d.d. 15 januari 2016, het 4e bedrijf) staat vermeld dat het selectief droogzetten op bedrijven is geëvalueerd en besproken c.q. gecontroleerd, is dit naar het oordeel van het college een te algemene en onbepaalde notitie geweest. Waar is gesteld dat er tussen de veehouder en beklaagde en medewerkers informatie werd uitgewisseld, kan zulks niet worden geverifieerd en ontbreekt daarover toereikende verslaglegging.

Ten aanzien van het gebruik van mastitispreparaten

5.28. Uit artikel 2.8 eerste lid, onderdeel c van de Wet dieren volgt dat het niet geoorloofd is om van de voorschriften in de registratiebeschikking af te wijken. De door beklaagde geleverde mastitispreparaten in de hier in het geding zijnde periode kenden een voorgeschreven behandelduur van drie toedieningen. Daarop bestond alleen een uitzondering bij gebruik van Avuloxil, dat conform de registratiebeschikking meer dan drie keer zou mogen worden toegepast in de situatie dat een uierinfectie werd veroorzaakt door de kiem Staphylococcus aureus, om aldus de infectie volledig te doen verdwijnen. Gebleken is dat door of onder verantwoordelijkheid van beklaagde op de 4 bedrijven in veel gevallen een langere behandelduur werd aangehouden dan voorgeschreven in de registratiebeschikking, ook met andere mastitispreparaten dan Avuloxil, hetgeen door beklaagde als ‘off label use’ is aangeduid.

5.29. Beklaagde heeft ter verdediging aangevoerd dat in de bewuste periode vrijwel alle melkveebedrijven hier te lande met mastitisproblemen kampten, dat 1 op de 2 klinische mastitiden wordt veroorzaakt door streptokokken en stafylokokken en dat doorbehandelen van uierontstekingen in 2015 de gangbare praktijk en gemeengoed was, naast dat uit een aangehaald proefschrift van eind 2014  (Jantijn Swinkels  ‘Behandeling van mastitis met antibiotica bij melkvee’) onder meer volgt dat doorbehandelen lonend zou kunnen zijn als mastitis wordt veroorzaakt door een specifieke  bacterie, de ‘Streptococcus uberis’. Het verweer van beklaagde komt er in de kern op neer dat er op de hier in het geding zijnde bedrijven, mede op basis van de bedrijfshistorie, sprake was van infecties veroorzaakt door streptokokken en stafylokokken, waarbij door beklaagde weliswaar wordt onderkend dat bacteriologisch onderzoek aanvullend (naast bedrijfshistorie, klinisch beeld, therapie evaluatie) wenselijk is voor het bedrijfsbeeld, maar dat dit anderzijds niet (wettelijk) is vereist bij iedere afzonderlijke behandeling. Met betrekking tot de genoemde infecties (streptokokken + stafylokokken) stelt beklaagde dat het verlengd behandelen met mastitispreparaten geïndiceerd en voldoende (wetenschappelijk) is onderbouwd en de registratiebeschikkingen van de meeste preparaten destijds niet op de gangbare praktijk aansloten. Beklaagde heeft met zoveel woorden voorts gesteld dat het doorbehandelen juist tot reductie van antibioticagebruik heeft geleid, omdat het betere genezingsresultaten gaf en recidive van uierontstekingen heeft voorkomen.

5.30. Het college overweegt dat met betrekking tot het eerste bedrijf door beklaagde is gesteld dat hier een mastitisprobleem op bedrijfsniveau speelde, dat werd veroorzaakt door Klebsïella mastitis. Gebleken is verder dat er meerdere keren bacteriologisch onderzoek is uitgevoerd, waarbij in de meeste gevallen een uitslag met Staphylococces CNS werd aangetoond.

5.31. Voor wat betreft de overige drie bedrijven is de noodzaak van de inzet en het afwijkend van de registratiebeschikking doorbehandelen met mastitispreparaten onvoldoende onderbouwd. Weliswaar wordt in enkele visitebrieven aan de problematiek gerefereerd, zoals in een visitebrief van 25 september 2015 ten aanzien van het 2e bedrijf , waar volgens die visitebrief 50% van de koeien problemen zou hebben met een hoog celgetal, veroorzaakt door ‘koegebonden aureus’, en wordt in een visitebrief van 27 juli 2015 met betrekking tot het bedrijf 3 alsook bedrijf 4  vermeld dat op dit bedrijf sprake is van streptokokken en stafylokokken problematiek, maar zijn de  genoemde  besmettingen niet middels bacteriologisch onderzoek bevestigd. Op het tweede bedrijf werd afwijkend van de registratiebeschikking langer doorbehandeld met Albiotic Formula, op bedrijf 3 werd langer doorbehandeld met Avuloxil, Curaclox en Albiotic Formula en ook met betrekking tot bedrijf 4 werd Curalox en Albiotic Formula bij een substantieel aantal dieren langer toegepast dan voorgeschreven in de registratiebeschikking. Weliswaar is gebleken dat door beklaagde in enkele visitebrieven is geadviseerd melkmonsters te nemen, echter is niet gebleken dat daar gehoor aan is gegeven, waar het op de weg van beklaagde als verantwoordelijk dierenarts op het bedrijf had gelegen daarop toe te zien in het kader van het verkrijgen van het bedrijfsbeeld, de infectiedruk en het geschikte antibioticum, om op basis daarvan specifieke maatregelen in het kader van het terugdringen van het (verlengd) gebruik van mastitispreparaten te bepalen. Ten aanzien van de ingezette therapieën, preparaten en het veterinaire beleid ontbreekt een toereikende en valide op schrift gestelde verantwoording of lag aan het doorbehandelen geen bacteriologisch onderzoek met gevoeligheidsbepaling (althans op 3 van de 4 bedrijven) ten grondslag. Per saldo stond daardoor niet met zekerheid vast dat steeds sprake is geweest van onderliggende infecties veroorzaakt door streptokokken en stafylokokken, zoals beklaagde in wezen stelt.

5.32. Het college wil de mastitisproblematiek op de hier in het geding zijnde melkveebedrijven geenszins bagatelliseren, noch de stelling dat streptokokken en stafylokokken belangrijke veroorzakers van uieronstekingen kunnen zijn. Wel moet worden geconstateerd dat beklaagde eerst achteraf, te weten tijdens de onderhavige tuchtprocedure, zijn keuzes en handelwijze heeft beargumenteerd. Behalve dat die argumenten niet als een sluitende verantwoording worden gezien, had van beklaagde mogen worden verwacht om voorafgaande aan het (door)behandelen van runderen met de mastitispreparaten de veterinaire noodzaak ervan inzichtelijk te maken en onderbouwd te documenteren, hetgeen onvoldoende is gebeurd. Argumenten als het klinische beeld en/of de bedrijfshistorie en therapie-evaluatie kunnen zeker een rol spelen met betrekking tot het te voeren antibioticabeleid, maar naar het oordeel van het college had ook enig actueel bacteriologisch onderzoek ten grondslag behoren te liggen aan het per saldo ongeoorloofd doorbehandelen van runderen tegen mastitis. Gedurende de litigieuze pleegperiode is op 3 van de 4 bedrijven niet gebleken van bacteriologisch onderzoek ( waar de wel benoemde onderzoeksuitslagen gedateerd zijn). Met name daar waar door beklaagde wordt gerefereerd aan (chronische) streptokokken en stafylokokkenproblematiek, gebiedt de zorgvuldige beroepsuitoefening een nadere onderbouwing, waar recent bacteriologisch onderzoek bijhoort. Daarmee hadden de beweerdelijke besmettingen en  de werkzaamheid van de verkozen antibiotica kunnen worden aangetoond en de noodzaak om door te behandelen kunnen worden gelegitimeerd, naast gewaarborgd dat dit op individueel niveau en curatief gebeurde. In het merendeel van de van de registratiebeschikking afwijkende toepassingen ontbrak dus een toereikende diergeneeskundige onderbouwing of lag daar geen uitslag van een bacteriologisch onderzoek aan ten grondslag. Overigens volgt uit het door beklaagde meergenoemde proefschrift ook dat doorbehandelen bij stafylokokken niet altijd zinvol is. Aan de klachtambtenaar kan verder worden toegegeven dat niet is gebleken dat door beklaagde aan de registratiehouder of het Bureau Diergeneesmiddelen van het CBG is gemeld dat de gebruikte preparaten onvoldoende werkzaam waren wanneer ze conform de voorschriften in de registratiebeschikking werden toegepast.

5.33. Tegen de hiervoor geschetste achtergrond kan beklaagde worden verweten dat hij in de hier bedoelde periode het de betreffende veehouders in de visie van het college te gemakkelijk heeft gemaakt om in afwijking van de registratiebeschikking door te behandelen met mastitispreparaten zonder dat de veterinaire noodzaak daartoe was gestoeld op toereikende onderliggende diagnostiek en verslaglegging. Hiernaast is met betrekking tot de bedrijven in onvoldoende mate kunnen blijken van een bedrijfsgericht plan van aanpak om het antibioticagebruik op termijn structureel terug te dringen met andersoortige maatregelen (om hygiëne, omgevingsklimaat etc. te optimaliseren), althans voor zover het de hier in het geding zijnde periode betreft. In het licht van de aangescherpte wettelijke voorschriften die er sinds de gewijzigde kanalisatiestatus van antibiotica per 1 maart 2014 gelden, concludeert het college dat de handelwijze van beklaagde daar in de litigieuze periode ten aanzien van de hier in het geding zijnde bedrijven niet (steeds) mee in overeenstemming is geweest. De klacht wordt in zoverre gegrond verklaard.

Ten aanzien van de op te leggen maatregel

5.34. Met betrekking tot de op te leggen maatregel houdt het college rekening met het feit dat een deel van de 'pleegperiode' buiten beschouwing wordt gelaten en dat de te beoordelen periode uiteindelijk beperkt is gebleven tot ongeveer 9 maanden. Ook is het klachtonderdeel over de te grote hoeveelheid geleverde antibiotica (boven de ‘15%’ norm) op een van de bedrijven ingetrokken en geldt dat met betrekking tot de (administratieve) tekortkomingen inzake de voorschriften uit bijlage 9 van de Regeling diergeneesmiddelen in de bestuursrechtelijke procedure reeds een maatregel is opgelegd. Het college weegt verder mee dat de feiten zich geruime tijd geleden hebben voorgedaan en dat uit de van de zijde van beklaagde ingebrachte stukken die betrekking hebben op de periode ná februari 2016, naar voren komt dat latere bedrijfsgezondheids en bedrijfsbehandelplannen uitgebreider zijn, naast dat het college niet in twijfel trekt dat in kwantitatief opzicht, qua Dier Dag Doseringen, op de (meeste) bedrijven lage c.q. acceptabele resultaten werden behaald. Terzijde geldt dat op zichzelf juist is wat beklaagde heeft gesteld omtrent inmiddels –reeds in de periode voor indiening van de klacht doorgevoerde vrijstellingen van bepaalde verplichtingen bij structureel laag antibioticumgebruik en dat er tussentijds geregistreerde eerste keuze mastitispreparaten met een langere behandelduur (3 tot 6 dagen) beschikbaar zijn gekomen, naast dat in het latere ‘Formularium melkvee’ van december 2016 van de KNMvD wordt benoemd dat op basis van een valide wetenschappelijke onderbouwing het op individueel niveau afwijkend van de registratiebeschikking verlengd behandelen tegen mastitis geïndiceerd kan zijn, uiteraard onder voorwaarden waaraan alsdan dient te worden voldaan (administratieve verantwoording / borgen wachttijden etc). Alle omstandigheden bijeengenomen acht het college na te melden maatregel passend.

6. DE BESLISSING   

Het college:

verklaart de klacht gegrond;

legt beklaagde een onvoorwaardelijke geldboete op van € 500,= alsmede een voorwaardelijke geldboete op van € 1.000,= met een proeftijd van 2 jaar,  een en ander overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.31 lid 1 onder c, juncto lid 5 en lid 6 van de Wet dieren.

Aldus vastgesteld te ’s Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. J. Hilvering, drs. J.A.M van Gils, drs. B.G. Tillema en drs. M. Lockhorst, in tegenwoordigheid van mr. J.B.M. Keijzers, secretaris en uitgesproken op 15 juli 2020.

NB   In verband met de thans geldende overheidsmaatregelen in het kader van het Coronavirus is de onderhavige zaak bij wege van uitzondering niet met toepassing van artikel 8.25, tweede lid van de Wet dieren in het openbaar kunnen worden uitgesproken. Met een combinatie van bekendmaking van de uitspraak aan partijen en een mogelijkheid voor belangstellenden om kennis te nemen van deze uitspraak via  www.tuchtrecht.nl wordt in de huidige uitzonderlijke omstandigheden naar het oordeel van het college op een aanvaardbare manier recht gedaan aan de strekking van de hiervoor genoemde bepaling uit de Wet dieren.