Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TDIVTC:2020:11 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2018/130

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2020:11
Datum uitspraak: 27-02-2020
Datum publicatie: 08-05-2020
Zaaknummer(s): 2018/130
Onderwerp: Paarden
Beslissingen: Gegrond met waarschuwing
Inhoudsindicatie: Beklaagde wordt verweten, samengevat weergegeven, dat zij niet heeft onderkend dat er bij de merrie van klager sprake was van een zogeheten ‘red bag delivery’ en dat zij mede door het missen van die diagnose bij de bevalling niet adequaat heeft gehandeld en de merrie en het veulen uiteindelijk zijn geëuthanaseerd. Gegrond, waarschuwing.

X,          klager,    

tegen

Y,        beklaagde.

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweerschrift, de repliek en de dupliek. Er heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden op 19 december 2019. Klager is ter zitting verschenen, vergezeld door zijn echtgenote. Beklaagde is eveneens verschenen, bijgestaan door haar collega c.q. werkgever.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten, samengevat weergegeven, dat zij niet heeft onderkend dat er bij de merrie van klager sprake was van een zogeheten ‘red bag delivery’ en dat zij mede door het missen van die diagnose bij de bevalling niet adequaat heeft gehandeld en de merrie en het veulen uiteindelijk zijn geëuthanaseerd.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. De zaak heeft betrekking op het paard van klager, een 16-jarige KWPN-merrie. De merrie was drachtig van A en zou, uitgaande van een reguliere draagtijd van 11 maanden, eind juni 2018 bevallen.

3.2. In de avond van 7 juni 2018 merkte klager omstreeks 21:30 uur dat de merrie herhaaldelijk ging liggen – een aantal keer met de benen in de lucht – en weer opstond, hetgeen voor de merrie zeer ongebruikelijk was. In de veronderstelling verkerend dat de merrie aan het bevallen was, heeft klager de eerder dichtgezette vulva van de merrie opengeknipt. Kort nadien perste de merrie een, in de woorden van klager ‘groot rond rood/paars ding’ uit de vulva. Terwijl de echtgenote van klager het object, waarin zij geen veulenbenen had kunnen waarnemen, terug in de vulva duwde en met de merrie is gaan lopen, heeft klager telefonisch contact opgenomen met beklaagde en haar verzocht met spoed langs te komen, omdat de merrie vroegtijdig leek te gaan bevallen.

3.3. Omstreeks 22:30 uur arriveerde beklaagde bij de woning van klager, alwaar zij bij klinisch onderzoek van de merrie concludeerde dat ze shockverschijnselen vertoonde. Beklaagde heeft het rode uitstulpsel, dat weer uit de vulva van de merrie stak, terug in de vulva geplaatst en de merrie daarbij tegelijkertijd ook vaginaal opgevoeld, waarbij zij naar eigen zeggen voelde dat de baarmoederhals op dat moment niet was ontsloten. Vervolgens heeft beklaagde rectaal onderzoek gedaan, waarbij zij geen vruchtdelen voelde. Beklaagde heeft de merrie Ventipulmin toegediend en heeft klager geadviseerd met de merrie te blijven lopen. Beklaagde is vervolgens van de merrie weggelopen om elders op het terrein telefonisch twee op het gebied van drachtbegeleiding ervaren collega’s te consulteren. Op hun advies heeft beklaagde vervolgens een echografie uitgevoerd, waarop het veulen werd waargenomen. Beklaagde heeft de merrie per injectie Buscopan, Detogesic en Metacam toegediend en richting klager en zijn echtgenote aangegeven dat de situatie zorgelijk was en dat er mogelijk een keuze zou moeten worden gemaakt tussen het leven van de merrie en dat van het veulen. Nadat klager had aangegeven dat het veulen in dat geval vóór zou gaan, is beklaagde naar haar auto gelopen om instrumentarium en medicatie te halen voor het ter wereld kunnen brengen van het veulen en, indien dit nodig mocht blijken, de merrie te euthanaseren.

3.4.  Terwijl klager, zoals door beklaagde geïnstrueerd, met de merrie bleef lopen, perste de merrie opnieuw het rode object uit de vulva naar buiten. Op het moment dat de echtgenote van klager de uitstulping opnieuw terug naar binnen trachtte te duwen, voelde zij iets waarvan zij vermoedde dat het de benen van het veulen konden zijn, waarna beklaagde onmiddellijk terug bij de merrie is geroepen. Beklaagde heeft het rode uitstulpsel geopend, waarna de merrie staand is bevallen. Beklaagde heeft hierna de placenta verwijderd en de baarmoeder van de merrie gespoeld, waarbij bleek dat die nog intact was.  

3.5. Omdat het na de bevalling niet goed ging met zowel de merrie als het vroeggeboren veulen – blijkens de patiëntenkaart lag de merrie apathisch (maar wel alert naar het veulen) en leek het veulen een dummy (slappe oren en ongecoördineerd), had het geen slikreflex en wilde het niet drinken - , zijn beide paarden direct doorverwezen en vervoerd naar een tweedelijnskliniek, alwaar hun toestand snel verder verslechterde. De volgende ochtend, op 8 juni 2018, was de toestand van de merrie zodanig achteruitgegaan – er was sprake van een afwijkend bloedbeeld, van vocht in de buik en koliek dat is besloten tot euthanasie. Ondanks een intensieve medicamenteuze behandeling bestaande uit infuustherapie, glucose, antibiotica, prokinetice, sucralfaat, clenbuterol, anti epileptica en coffeïne, bleek op 11 juni 2018 de toestand zodanig dat ook ten aanzien van het veulen is besloten tot euthanasie.  

3.6.  Op initiatief van klager heeft op 26 juni 2018 een gesprek plaatsgevonden tussen klager, zijn echtgenote en beklaagde. Dit gesprek is niet naar tevredenheid van klager verlopen, waarna klager heeft besloten de onderhavige tuchtklacht te entameren.

4. HET VERWEER   

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

5.1. In geding is de vraag of beklaagde tekort is geschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de merrie en het veulen van klager, met betrekking tot welke dieren haar hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat er bij de drachtige merrie van klager in de avond van 7 juni 2018 een rood/paars object uit de vulva stak. Dat beklaagde niet onmiddellijk na aankomst dit object heeft trachten te openen, omdat zij differentiaaldiagnostisch weliswaar dacht aan een red bag delivery, maar op dat moment niet kon uitsluiten dat anderzijds ook sprake kon zijn van een blaas- of vaginaprolaps, in welke gevallen het openen van het object contra-geïndiceerd zou zijn, acht het college op zichzelf niet onbegrijpelijk en verdedigbaar. Beklaagde heeft aangegeven dat zij bij een poging het object te reponeren stuitte op de cervix die aanvoelde als een harde gesloten ring met een diameter van ongeveer 10 cm. Uitgaande van deze beschrijving is het college van oordeel dat beklaagde op basis van het geheel aan bevindingen, te weten een (hoog)drachtige, onrustige en oncomfortabele merrie die herhaaldelijk een rood object uit de vulva perste met een baarmoederhals die niet voelde als een tuit, maar als ring, tot de conclusie had behoren te komen dat een red bag delivery toch het meest waarschijnlijk was en dat zij daarvan uit had behoren te gaan. Dat beklaagde, zoals zij heeft gesteld,  op het rode object geen fluwelen structuur en witte ‘ster’ kon waarnemen en de placenta nog niet volledig los was gekomen, maar na de geboorte van het veulen nog losgemaakt moest worden bij de hoornen, doet aan dit oordeel niet af, nu deze ‘klassieke’ symptomen weliswaar in veel gevallen voorkomen, maar dat het ontbreken hiervan niet betekent dat er geen sprake kan zijn van een red bag delivery, zeker niet in een situatie als de onderhavige, waarin zoveel andere signalen wel in die richting wijzen.

5.3. Hoewel het college het op zichzelf niet onjuist acht dat beklaagde telefonisch collega’s heeft willen raadplegen voor advies, moet worden geconstateerd dat kostbare tijd verloren is gegaan doordat zij, naar eigen zeggen om tijd te winnen, in eerste instantie heeft volstaan met het reponeren van het object, het toedienen van ontspannende en pijnstillende medicatie en klager heeft geadviseerd met de merrie te blijven wandelen. In plaats daarvan had naar het oordeel van het college op haar weg gelegen om (op zijn minst te trachten) de cervix handmatig verder te openen en de bevalling in te leiden c.q. te bespoedigen, temeer nu beklaagde zelf ook aangaf dat de situatie zorgelijk en snel handelen geboden was. Ten aanzien van de ‘shockverschijnselen’ die beklaagde meende te hebben waargenomen, te weten een verhoogde hartslag van 60 p/min en een algeheel oncomfortabel beeld, merkt het college overigens op dat deze verschijnselen niet ongewoon zijn bij een merrie in partus.   

5.4. Gelet op het voorgaande is het college van oordeel dat beklaagde eerder had kunnen en behoren uit te gaan van een red bag delivery, die noopte tot spoediger handelen in dat opzicht. De klacht is in zoverre gegrond, waarbij wel wordt opgemerkt dat ongewis is of de zaak een andere afloop had gekend als beklaagde anders zou hebben gehandeld dan zij heeft gedaan. Daarbij wordt gewezen op de sectieresultaten, die ten aanzien van het veulen uitwezen dat verschillende organen vanwege de vroege geboorte nog onderontwikkeld waren en dat de merrie blijkens het sectierapport aan een maagruptuur is overleden. Deze aandoening is naar de overtuiging van het college eerst ontstaan in de faculteitskliniek, het dossier van de kliniek volgend, en een oorzakelijk verband tussen de aandoening en het veterinair handelen van beklaagde kan niet worden vastgesteld. Het college acht na te melden maatregel passend en geboden.

6. DE BESLISSING   

Het college:

verklaart de klacht gegrond, als in 5.4 beschreven;

geeft beklaagde daarvoor een waarschuwing, als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet dieren.

Aldus vastgesteld te ’s Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak , drs. J. A.M. Van Gils en drs. J. Hilvering, in tegenwoordigheid van mr. J.B.M. Keijzers, secretaris.

Uitgesproken in het openbaar 27 februari 2020 door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr.  J.B.M. Keijzers, secretaris.